(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
In principe moeten treinbegeleiders beëdigd worden. Het gevolg hiervan is dat ze over een soort van politiekaart kunnen beschikken op basis van het koninklijk besluit van 2 juli 1999 in verband met het toezicht op de naleving van de reglementering betreffende de spoorwegen. Op basis van die kaart kunnen de treinbegeleiders onder meer de identiteit controleren van de passagiers die niet in staat van overtreding zijn en vaststellingen doen.
Volgens mijn informatie is een deel van de treinbegeleiders die de jongste jaren in dienst zijn gekomen nog steeds niet beëdigd, en beschikken zij dus ook niet over een dergelijke politiekaart.
Het gevolg hiervan zou onder andere zijn dat indien een niet-beëdigde treinbegeleider het formulier C170, het formulier om onregelmatigheden en overtredingen vast te stellen, opstelt, dit tot resultaat zou hebben dat dit niet afdwingbaar zou zijn, bijvoorbeeld wat de inning van boetes betreft.
Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :
1. Is er een achterstand in de beëdiging van de treinbegeleiders ?
2. Welke zijn de concrete cijfers en wat is de reden van de achterstand ?
3. Klopt het dat op die manier een deel van de inkomsten niet kunnen gerecupereerd worden ? Indien ja, op welk bedrag wordt het verlies geraamd ?
Antwoord : In antwoord op de gestelde vragen heb ik de eer het geachte lid het volgende mee te delen.
1 en 2. Het artikel 10 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening van de wet van 15 april 1843 op de Politie der spoorwegen vormt de wettelijke grondslag van de eedaflegging van de statutaire personeelsleden van de NMBS-Holding, met inbegrip van degenen die ter beschikking zijn gesteld van Infrabel en de NMBS.
Uit artikel 10 van de wet van 25 juli 1891 volgt dat een statutair personeelslid slechts de eed kan afleggen, indien hij daartoe door de Koning aangewezen werd, bij koninklijk besluit.
Op dit ogenblik is er geen koninklijk besluit gepubliceerd dat personeelsleden aanwijst voor de eedaflegging.
3. De minnelijke invordering van de vaststellingen « onregelmatigheid reizigers » is zonder problemen mogelijk, ongeacht of het controlepersoneel al dan niet beëdigd is. Aan de reizigers in overtreding worden dus systematisch rappelbrieven en ingebrekestellingen verzonden als de betaling niet binnen de voorgeschreven termijnen is gebeurd.
De invordering langs gerechtelijke weg, door middel van een pro justitia, is inderdaad slechts mogelijk in die gevallen waar het begeleidingspersoneel dat de feiten heeft vastgesteld, beëdigd is.
De winstderving van de NMBS als gevolg van het niet-beëdigd zijn van de bedienden, is niet becijferbaar.
Er kunnen immers heel wat andere redenen zijn die ertoe leiden dat geen pro justitia wordt opgemaakt : in het buitenland wonende reiziger, identiteit van de reiziger onbekend of onjuist, ...
Bovendien is het zo dat, wanneer toch een pro justitia wordt opgesteld, de invordering slechts denkbaar is als het parket besluit te vervolgen en als de reiziger solvabel is.