3-205

3-205

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 1 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Werk over «het eenheidsstatuut arbeider-bediende» (nr. 3-2142)

De voorzitter. - de heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Op 1 februari vroeg ik de minister opnieuw waarom er geen schot komt in het dossier van de harmonisering van de statuten van de arbeiders en de bedienden.

Terwijl de deadline voor dat dossier snel nadert, worden de antwoorden van de minister op mijn vragen steeds korter. Ik wens dan ook afdoende en volledige antwoorden te krijgen over de stand van zaken in het eenheidsstatuut.

Zo stelde de minister eerder dat hij de Groep van Tien om een stand van zaken had gevraagd, maar dat hij geen verdere inlichtingen kon geven over de knelpunten. De minister zal het met me eens zijn dat zijn antwoord een contradictie bevatte.

Ik ben zeer geduldig geweest in dit dossier. Ik heb op tijd en stond een voorstel van resolutie ingediend en heb de minister steeds de ruimte gelaten om rustig zijn werk te doen. Het dossier vergt uiteraard delicaat overleg, maar nu verwacht ik resultaten. Er resten ons nog slechts twee maanden.

Het gebrek aan voortgang in dit dossier weegt zwaar op de werkgelegenheid. De tweedeling van de arbeidsmarkt is uiterst nefast. Dat uit zich in een toenemend aantal knelpuntberoepen, in meer werklozen en in een totaal gebrek aan mobiliteit. Arbeiders hebben het bijzonder moeilijk om door te stoten tot het management en om promotie te maken.

Het is inmiddels zonneklaar dat de sociale partners met dat dossier in de knoop zitten. De bijzondere commissie bij de Nationale Arbeidsraad zou haar conclusies indienen vóór einde 2005.

In verband hiermee antwoordde de minister op mijn vraag van 29 juni 2006: `Ik verwacht de conclusies één van de komende dagen.'. Op 1 februari 2007 antwoordt hij opnieuw: `Ik heb nog geen tussentijds verslag gezien.'.

Het komt erop neer keuzes te maken. Kiest men voor een dynamische arbeidsmarkt of houdt men vast aan oude praktijken waarbij `den arbeider' minder voordelen mocht bekomen dan `de bediende'. Blijkbaar kiest de minister voor de weg van de minste weerstand. Ik hoop dat de minister me tegenspreekt, want de inzet is groot.

Heeft de minister na één jaar en twee maanden uitstel eindelijk een zicht op de werkzaamheden en kan hij een uitgebreid verslag geven? De minister gaf op 29 juni 2006 immers aan dat het een kwestie van dagen was.

Zo ja, wat zijn de belangrijkste krijtlijnen? Tegen wanneer worden de discriminatie en de tweedeling op de arbeidsmarkt weggewerkt en welke maatregelen bepleit de commissie?

Zo neen, kan hij aangeven hoe hij het regeerakkoord inzake de verdere harmonisering en het eenheidsstatuut denkt uit te voeren?

Hij gaf tevens aan en dit zowel in 2005 als op 11 mei 2006 en op 29 juni 2006 en op 1 februari 2007 dat, mochten de resultaten van de commissie uitblijven, wat nu een zekerheid aan het worden is, hijzelf zelf een initiatief zou nemen. Zal de minister dat initiatief nemen?

Wat is de nieuwe absolute deadline voor de sociale partners om resultaten voor te leggen gezien de regering nog slechts twee maanden te gaan heeft en de statuten nog niet geharmoniseerd zijn?

Is de minister bereid, mocht hij tegen begin maart nog geen concrete vooruitgang hebben geboekt, om het dossier op de agenda te plaatsen van de driedaagse ministerraad die aanvat op 18 maart? Zo neen, wanneer gaat hij het wel agenderen?

Op elk van de voorgaande vragen kreeg ik graag één voor één een gedetailleerd antwoord?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Zoals ik vorige keren reeds heb meegedeeld, aldus de minister, heeft de Groep van Tien me inderdaad ingelicht over de stand van zaken in het dossier van de harmonisering van de statuten. Ik zie geen contradictie in mijn antwoorden hieromtrent.

Zoals welbekend zijn de sociale partners vaak erg zwijgzaam over hun besprekingen.

Ik heb nog geen verslag ontvangen.

Ik blijf ervan overtuigd dat de sociale partners in die discussie een cruciale rol spelen en ik leg voorlopig dan ook geen deadline op.

Ik ben niet voornemens hierin zelf een initiatief te nemen, noch om het dossier op de agenda van de ministerraad te plaatsen.

Ik begrijp het ongeduld van mevrouw Anseeuw maar de sociale partners vragen ons uitdrukkelijk om nog wat meer tijd. Voor een zo cruciaal dossier en gezien het belang van het sociaal overleg, ook in de toekomst, kunnen we niet anders dan op het verzoek van de sociale partners in te gaan.