3-2019/1 | 3-2019/1 |
12 JANUARI 2007
Om over de correcte toepassing van de taalwet in bestuurszaken te waken, is de wetgever er in het begin van de jaren '60 van vorige eeuw toe overgegaan de Vaste Commissie voor Taaltoezicht op te richten. De modaliteiten voor de benoeming van de leden van die commissie zijn vervat in artikel 60, § 2, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken.
Het vierde lid van artikel 60, § 2, stelt als één van de benoemingsvoorwaarden dat enkel kandidaten mogen worden voorgedragen die in de loop van het te begeven mandaat de bij artikel 1, § 1, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen gestelde ouderdomsgrens niet hebben overschreden. Concreet betekent dit dat een persoon die 61 jaar of ouder is voor dit mandaat niet kan worden voorgedragen.
Een dergelijke leeftijdsbegrenzing is in het huidige maatschappelijke tijdsbestel niet alleen een anachronisme, zij is ook in strijd met internationale en nationale regel- en wetgeving.
Er kan worden verwezen naar de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die een verschillende behandeling op basis van leeftijd uitdrukkelijk als een te bestrijden vorm van discriminatie aanziet indien een verschil in behandeling op grond van dit criterium niet objectief en redelijkerwijze kan worden gerechtvaardigd. Weliswaar vernietigde het Arbitragehof bij arrest van 6 oktober 2004 dit wetsartikel, wat echter niet wegneemt dat deze grond van discriminatie nog altijd niet geoorloofd is. Er is immers geen enkele objectieve reden voorhanden voor de tot op heden gehanteerde leeftijdsbegrenzing.
Het is dan ook de bedoeling om deze vorm van discriminatie bij de aanstelling van de leden van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht af te schaffen door elke leeftijdsbegrenzing op te heffen.
| Joris VAN HAUTHEM. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 60, § 2, vierde lid, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken wordt opgeheven.
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
6 december 2006.
| Joris VAN HAUTHEM. |