3-1889/3

3-1889/3

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

6 DECEMBER 2006


Wetsontwerp inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE REGERING

Hoofdstuk I

Het opschrift van hoofdstuk I van het ontwerp vervangen als volgt :

« Hoofdstuk I. — Algemene bepaling ».

Verantwoording

In navolging van de opmerking van de juridische dienst van de Senaat wordt Hoofdstuk I opgesplitst in twee hoofdstukken. Hoofdstuk I omvat artikel 1.

Nr. 2 VAN DE REGERING

Hoofdstuk Ibis (nieuw)

Een hoofdstuk Ibis invoegen, dat artikel 2 omvat, luidende :

« Hoofdstuk II. — Toepassingsgebied ».

Verantwoording

Zoals reeds gesteld, wordt in navolging van de opmerking van de juridische dienst van de Senaat, Hoofdstuk I opgesplitst in twee hoofdstukken. Hoofdstuk I omvat artikel 1 en hoofdstuk 2 omvat artikel 2.

Nr. 3 VAN DE REGERING

Art. 3

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º de Nederlandse tekst vervangen als volgt :

« Art. 3. — Onder gerechtelijke opleiding moet men verstaan :

1ºde initiële opleiding, namelijk deze die verstrekt wordt tijdens de stage of bij de indiensttreding;

2ºde permanente opleiding, namelijk deze die verstrekt wordt gedurende de loopbaan met als doel de beroepsbekwaamheid te ontwikkelen;

3ºde loopbaanbegeleiding, namelijk deze die verstrekt wordt ter voorbereiding van de uitoefening van een toekomstig ambt of mandaat. »

2º in het 3º van de Franse tekst het woord « futures » vervangen door het woord « futurs ».

Verantwoording

In navolging van de opmerking van de juridische dienst van de Senaat, wordt de inhoud van de Nederlandse tekst in overeenstemming gebracht met die van de Franse.

Nr. 4 VAN DE REGERING

Art. 4

In het eerste lid, het woord « Instituut », vervangen door de woorden « Instituut voor Gerechtelijke opleiding ».

Verantwoording

Pas in het ontworpen artikel 6 wordt bepaald dat het Instituut voor gerechtelijke opleiding in de rest van de tekst kortweg het Instituut wordt genoemd. Het is daarom aangewezen om, cf. de opmerking van de juridische dienst van de senaat, in het ontworpen artikel 4 nog de volledige naam te gebruiken.

Nr. 5 VAN DE REGERING

Art. 5

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º de Franse tekst vervangen als volgt :

« Art. 5. — Le Roi détermine les droits et obligations en matière de formation initiale, de formation permanente et d'accompagnement de la carrière ainsi que les modalités d'exécution des formations pour les personnes visées à l'article 2, 4º à 10º »;

2º in de Nederlandse tekst het woord « personeelsleden » vervangen door de woorden « personen ».

Verantwoording

Cf. de opmerking van de juridische dienst van de Senaat, wordt de inhoud van de Franse tekst in overeenstemming gebracht met die van de Nederlandse.

Nr. 6 VAN DE REGERING

Hoofdstuk III — Afdeling II

Het opschrift van deze afdeling vervangen als volgt :

« Afdeling II. — Opdrachten ».

Verantwoording

Het betreft een technische aanpassing. Het Instituut heeft immers verschillende opdrachten.

Nr. 7 VAN DE REGERING

Art. 7

Paragraaf 1, tweede lid, van dit artikel vervangen als volgt :

« De programma's zijn in overeenstemming met de richtlijnen die terzake werden voorbereid door de Verenigde Benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en door de algemene vergadering van de Hoge Raad werden bekrachtigd, ingeval ze betrekking hebben op de personen bedoeld in artikel 2, 1º, 2º en 3º, of werden voorbereid door de de minister van Justitie ingeval ze betrekking hebben op de personen bedoeld in artikel 2, 4º tot 10º. ».

Verantwoording

Met toepassing van artikel 151, § 3, van de Grondwet, dat de bevoegdheid inzake vorming van de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie toekent, dient de voorbereiding van richtlijnen inzake de vorming van de magistraten en gerechtelijke stagiairs te worden voorbehouden aan de Verenigde Benoemings- en aanwijzingscommissie, onder voorbehoud van bekrachtiging door de algemene vergadering van de HRJ.

Cf. de opmerking van de juridische dienst van de Senaat, wordt een meer precieze terminologie gebruikt; de programma's dienen « in overeenstemming te zijn met de richtlijnen » in plaats van er in « te kaderen ». Vanzelfsprekend dient het Instituut, in het kader van zijn onafhankelijkheid, de nodige vrijheid te behouden om deze richtlijnen in de praktijk om te zetten.

Nr. 8 VAN DE REGERING

Art. 9

In dit artikel de woorden « De opdracht van de raad van bestuur bestaat in » vervangen door de woorden « De raad van bestuur is belast met ».

Verantwoording

Het betreft een technische aanpassing; het Instituut heeft immers verschillende opdrachten.

Nr. 9 VAN DE REGERING

Art. 10

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 10. — § 1. De raad van bestuur bestaat uit twaalf leden, gelijk verdeeld tussen de Nederlandse en Franse taalrol.

Zijn van rechtswege lid van de raad van bestuur van het Instituut :

1º de voorzitters van de benoemings- en aanwijzingscommissies van de Hoge Raad voor de Justitie;

2º de directeur-generaal van het Directoraat-generaal rechterlijke organisatie van de federale overheidsdienst Justitie of zijn vertegenwoordiger, die van een gelijke taalrol is;

3º de directeur-generaal van het opleidingsinstituut van de federale overheid of indien deze laatste van de gelijke taalrol is als het lid bedoeld in het 2º, zijn vertegenwoordiger van de andere taalrol;

Worden benoemd door de Koning op de voordracht van de minister van Justitie :

1º twee zittende magistraten en twee magistraten van het openbaar ministerie, voorgedragen door de Hoge Raad voor de Justitie;

2º vier personen onder diegenen bedoeld in artikel 2, 4º tot 10.

De duur de mandaten bedoeld in het vorige lid gebeurt bedraagt vijf jaar; zij zijn hernieuwbaar.

§ 2. De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter. De raad stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat wordt goedgekeurd bij koninklijk besluit.

§ 3. De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de raad van bestuur, bedoeld in § 1, derde lid, worden toegekend alsook de vergoedingen als terugbetaling van hun reis- en verblijfskosten.

Het presentiegeld en de vergoedingen zijn ten laste van het Instituut. ».

Verantwoording

De juridische dienst van de Senaat merkt op dat taalpariteit in het gevaar komt ingeval de directeur-generaal van het Directoraat -generaal rechterlijke organisatie van de FOD Justitie of zijn vertegenwoordiger en de directeur-generaal van het opleidingsinstituut van de federale overheid of zijn vertegenwoordiger van dezelfde taalrol zouden zijn. Dit euvel wordt verholpen door te bepalen dat ingeval zij van dezelfde taalrol zijn, de directeur-generaal van het opleidingsinstituut van de federale overheid wordt vertegenwoordigd door iemand van een andere taalrol.

Bovendien wordt de Nederlandse tekst in overeenstemming gebracht met de Franse en worden enkele technische correcties aangebracht.

Nr. 10 VAN DE REGERING

Art. 11

In het derde lid van dit artikel de woorden « het personeel » vervangen door de woorden « de personen ».

Verantwoording

Het betreft een technische aanpassing met het oog op een eenvormige omschrijving van deze doelgroep.

Nr. 11 VAN DE REGERING

Art. 12

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º tussen de woorden « belast » en « met » het woord « inzonderheid » invoegen;

2º in het 1º het woord « opdracht » vervangen door het woord « opdrachten »;

3º het 8º vervangen als volgt :

« 8º de vertegenwoordiging van het Instituut bij de gerechtelijke procedures als verweerder en bij de buitengerechtelijke handelingen; voor de gerechtelijke procedures als eiser moet zij de instemming van de raad van bestuur vragen. »

Verantwoording

Aangezien de directie een residuele bevoegdheid heeft werd de openingszin van dit artikel aangepast; de directie is « inzonderheid » belast met.

Haar bevoegdheid in het 8º wordt bovendien meer accuraat omschreven.

Nr. 12 VAN DE REGERING

Art. 14

In het eerste lid van dit artikel de woorden « op advies van de Hoge Raad voor de Justitie » vervangen door de woorden « op advies van de Verenigde Benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie ».

Verantwoording

Met toepassing van artikel 151, § 3, van de Grondwet, dat de bevoegdheid inzake de vorming van de magistraten van de zetel en het openbaar ministerie toekent, dient de bevoegdheid om kandidaten voor een directiefunctie voor te dragen, te worden voorbehouden aan de Verenigde Benoemings- en aanwijzingscommissie.

Nr. 13 VAN DE REGERING

Art. 22

In § 2, tweede lid, van dit artikel de woorden « d'un membre », vervangen door de woorden « du membre ».

Verantwoording

De Franse tekst wordt in overeenstemming gebracht met de Nederlandse tekst.

Nr. 14 VAN DE REGERING

Art. 24

In de Franse tekst van dit artikel de woorden « indemnité de départ » vervangen door de woorden « indemnité de réintégration ».

Verantwoording

De Franse tekst wordt in overeenstemming gebracht met de Nederlandse tekst.

Nr. 15 VAN DE REGERING

Art. 25

In het 1º van dit artikel de woorden « het gerechtelijk personeel » vervangen door de woorden « de personen bedoeld in artikel 2, 4º tot 10 ».

Verantwoording

Het betreft een technische aanpassing met het oog op een eenvormige omschrijving van de doelgroep.

Nr. 16 VAN DE REGERING

Art. 26

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) in de Nederlandse tekst de inleidende zin van het tweede lid aanvullen met de woorden « overeenkomstig de volgende modaliteiten »;

B) in het 1º en het 2º van hetzelfde lid, de woorden « de Hoge Raad voor de Justitie » vervangen door de woorden « de Verenigde Benoeming- en Aanwijzingscommissie »;

C) het 3º van hetzelfde lid vervangen als volgt :

« 3º vier personen onder diegenen bedoeld in artikel 2, 4º tot 10º »;

D) in de Franse tekst het laatste lid vervangen als volgt :

« Le jeton de présence et les indemnités sont à charge de l'Institut. »

Verantwoording

Met toepassing van artikel 151, § 3, van de Grondwet, dat de bevoegdheid inzake de vorming van de magistraten van de zetel en het openbaar ministerie toekent, dient de bevoegdheid om kandidaten voor het wetenschappelijjk comité voor te dragen, te worden voorbehouden aan de Verenigde Benoemings- en aanwijzingscommissie.

Het betreffen enkele technische aanpassingen met het oog op :

— de overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst;

— een eenvormige omschrijving van de doelgroep.

Nr. 17 VAN DE REGERING

Art. 27

In het eerste lid van de Franse tekst van dit artikel, het woord « recruté » doen vervallen.

Verantwoording

Het betreft een aanpassing met het oog op de overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst.

Niet alleen het door het Instituut aangeworven personeel maakt deel uit van het personeelsplan. Ook het personeel met opdracht en het ter beschikking gesteld personeel maken er deel van uit.

Nr. 18 VAN DE REGERING

Art. 38

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het ontworpen artikel 38 herhaalt de inhoud van het ontworpen artikel 9, 1º en dient daarom te worden opgeheven.

Nr. 19 VAN DE REGERING

Art. 39

Het tweede lid van dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Naar aanleiding van de parlementaire besprekingen acht de regering het opportuun om dit lid op te heffen. De inhoud ervan mist de nodige relevantie.

Nr. 20 VAN DE REGERING

Art. 40

In § 3 van dit artikel, tussen de woorden « directie » en « die hij met de wet », de woorden « met financiële gevolgen » invoegen.

Verantwoording

Het is de bedoeling dat de regeringscommissarissen een financiële controle a posteriori uitoefenen. Vandaar dat zij slechts beroep kunnen aantekenen tegen een beslissing van de raad van bestuur of van de directie die financiële implicaties heeft. Dit wordt dan ook expliciet in de tekst opgenomen.

Nr. 21 VAN DE REGERING

Art. 41

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 41. — De voorzitter van de raad van bestuur legt aan de minister van Justitie, de Kamer, de Senaat en de Hoge Raad voor de Justitie een jaarlijks activiteitenverslag voor. »

Verantwoording

Het betreft een technische aanpassing; het verslag dient aan de Kamer en de Senaat te worden voorgelegd en niet aan hun respectieve voorzitters.

Nr. 22 VAN DE REGERING

Art. 42

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 42. — Er wordt bij het Instituut een Nederlandstalige en een Franstalige commissie voor de evaluatie van de stage ingesteld voor de gerechtelijke stagiairs.

Zij zijn belast met de volgende taken :

1º de programma's uitwerken van de stages bedoeld in artikel 259octies, § 2, eerste lid, tweede gedachtenstreepje en § 3, tweede lid, tweede gedachtenstreepje, van het Gerechtelijk Wetboek;

2º de follow-up van de stagiair waarborgen;

3º de stageverslagen bedoeld in artikel 259octies van het Gerechtelijk Wetboek ontvangen;

4º ingeval één of meer stageverslagen ongunstig zijn, aan de minister van Justitie advies verlenen, eventueel met een voorstel houdende een nieuwe affectatie van de stagiair of een voorstel tot voortijdige beëindiging van de stage;

5º binnen de maand na de ontvangst van alle stageverslagen, overgaan tot de eindevaluatie van de stage en over de stage een omstandig eindverslag opmaken;

6º toezien, in voorkomend geval via aanbevelingen gericht tot de stagemeesters, op de harmonisering van de inhoud van de praktische opleiding van de stagiair en de afstemming ervan op de vereisten van de functie. »

Verantwoording

De praktijk wijst uit dat er nood is aan een integrale en professionele evaluatie van de gerechtelijke stagiairs. Tot op heden bestaat er geen gespecialiseerd orgaan dat een globaal zicht heeft op hun functioneren in de diverse instanties (interne en externe stage). Het is dan ook zeer moeilijk om een genuanceerde eindevaluatie te maken van de stagiair, die rekening houdt met alle aspecten. Met de huidige omkadering is het bovendien zeer moeilijk om te detecteren of het de stagiair al dan niet ontbreekt aan de nodige kwaliteiten om het ambt van magistraat optimaal te vervullen. Er wordt bijgevolg weinig ingegrepen en de stage wordt slechts zeer exceptioneel voortijdig beëindigd. Dit is nefast zowel voor de stagiair zelf als voor de organisatie. De stagiair die, ondanks het feit dat hij niet geschikt is voor het ambt, er toch al die jaren in investeert, is gefrustreerd omdat hij weinig kans maakt op een benoeming. Ook de investering van Justitie is weinig rendabel.

Deze problematiek maakte onder meer het voorwerp uit van het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toegang tot de magistratuur, dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd neergelegd (stukken Kamer 2624/001). Het richt in de schoot van de Hoge Raad voor de Justitie evaluatiecommissies op, samengesteld uit deskundigen. Deze commissies krijgen een integrale verantwoordelijkheid voor het verloop van de stage (praktisch programma, eindevaluatie, evaluatie stagemeesters ...). Bovendien wordt in het ontwerp het praktisch programma aangepast.

In huidig wetsontwerp is het Instituut bevoegd gemaakt voor de initiële (theoretische) opleiding van de gerechtelijke stagiairs. Het organiseert een cyclus van cursussen.

Logischerwijs was het initieel de bedoeling om voormelde evaluatiecommissies over te hevelen naar het Instituut.

Gelet op de stand van zaken wordt deze tussenfase gesupprimeerd en worden de evaluatiecommissie onmiddellijk opgericht in de schoot van het Instituut. Derhalve wordt ook tegemoet gekomen aan de opmerking van de juridische dienst van de Senaat.

Aan het praktisch programma wordt, in afwachting van een fundamentele hervorming van de gerechtelijke stage, bijna niet geraakt. Het wordt enkel compatibel gemaakt met de oprichting van de evaluatiecommissies.

De opdracht van de commissies, omschreven in artikel 42, wordt dan ook aangepast.

Aangezien de evaluatiecommissies (voorlopig) nog niet volledig verantwoordelijk zijn voor het gehele verloop van de stage, wordt hun rol wat betreft de praktische stage beperkt tot het verstrekken van aanbevelingen aan de stagemeesters, met het oog op de harmonisering van de inhoud van de praktische opleiding van de stagiair en de afstemming ervan op de vereisten van de functie.

De commissies blijven echter, met het oog op de opmaak van een eindevaluatie alle (volgens de huidige reglementering) voorziene verslagen ontvangen. Bovendien kunnen zij tijdens de stage aan de minister van Justitie advies verlenen, eventueel met een voorstel houdende een nieuwe affectatie van de stagiair of een voorstel tot voortijdige beëindiging van de stage.

Nr. 23 VAN DE REGERING

Art. 43

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) In het derde lid, de woorden « de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie » vervangen door de woorden « de Verenigde Benoeming- en Aanwijzingscommissie »;

B) Het achtste lid van de Franse tekst vervangen als volgt :

« Le jeton de présence et les indemnités sont à charge du budget de l'Institut ».

Verantwoording

Met toepassing van artikel 151, § 3, van de Grondwet, dat de bevoegdheid inzake de vorming van de magistraten van de zetel en het openbaar ministerie toekent, dient de bevoegdheid om kandidaten voor een functie van lid van de commissies voor de evaluatie van de stage voor te dragen, te worden voorbehouden aan de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie.

Het betreft een technische aanpassing met het oog op de overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst.

Nr. 24 VAN DE REGERING

Art. 44

Het 1º en het 2º van dit artikel vervangen als volgt :

« 1º § 2 wordt opgeheven;

2º in § 3 vervallen de woorden « en de richtlijnen en programma's bedoeld in § 2 ».

3º er wordt een § 4 ingevoegd, luidende :

« § 4. De magistraten benoemd op grond van het examen inzake beroepsbekwaamheid of het mondeling evaluatie-examen, volgen in de loop van het jaar dat volgt op hun benoeming een theoretische en een praktische opleiding waarvan de inhoud en duur worden vastgesteld door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. »

Verantwoording

Naar analogie van amendement met betrekking tot artikel 42 wordt ook hier de inhoud van § 4, zoals ingevoegd in het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toegang tot de magistratuur, overgeheveld naar huidig ontwerp.

Artikel 259bis-9 voorziet voortaan in een verplichte opleiding voor de magistraten die tot de magistratuur toetreden via het mondelinge evaluatie-examen of het examen inzake beroepsbekwaamheid. Deze nieuwe magistraten worden geacht onmiddellijk operationeel te zijn, ongeacht hun vroegere beroepservaring, hoewel sommige de rol van het openbaar ministerie, de concrete organisatie en de werking van een rechtscollege niet nauwkeurig kennen. Het is niet wenselijk dat een magistraat wordt opgeleid door een referendaris, een parketjurist of een griffier, zoals soms het geval is. Deze nieuwe magistraten moeten zowel een theoretische als een praktische opleiding krijgen. De verplichte opleiding gegeven in de loop van het eerste jaar waarin de magistraat in dienst is, moet hem de mogelijkheid bieden de kennis te verwerven die nodig is om zijn taken op behoorlijke wijze te vervullen. Die theoretische en praktische lessen confronteren de beginnende magistraat met de verschillende facetten van de gerechtelijke omgeving (daaronder begrepen de werking van de griffies en de parketsecretariaten), de parajuristitiële instellingen (inzonderheid justitiehuizen, strafinrichtingen, gemeenschapsinstellingen voor jongeren, diensten voor bemiddeling) en de politiediensten.

De theoretische opleiding wordt georganiseerd door het Instituut.

Nr. 25 VAN DE REGERING

Art. 44bis (nieuw)

Een artikel 44bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 44bis. — In artikel 259ter, § 2, vierde lid, d) worden de woorden « de verslagen van de gerechtelijke stage » vervangen door de woorden « het eindverslag van de gerechtelijke stage opgemaakt door de bevoegde evaluatiecommissie ».

Verantwoording

Voortaan maakt de evaluatiecommissie een eindverslag op van de gerechtelijke stage. Het is dan ook dit document dat aan het benoemingsdossier dient te worden toegevoegd.

Nr. 26 VAN DE REGERING

Art. 46

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 46. — In artikel 259octies ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 1999, 15 juni 2001, 21 juni 2001, 10 april 2003, 3 mei 2003 en 22 december 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in § 2, eerste lid, worden de woorden « door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9, » vervangen door de woorden « door het Instituut voor gerechtelijke opleiding »;

2º in § 2 wordt tussen het derde en het vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« De stagemeesters moeten in de loop van het jaar volgend op hun aanwijzing een gespecialiseerde opleiding volgen die jaarlijks wordt georganiseerd door het Instituut voor de gerechtelijke opleiding. ».

3º in § 2, vierde lid, worden de woorden « de minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie vervangen door de woorden « de bevoegde evaluatiecommissie ».

4º § 2, vijfde lid, wordt vervangen als volgt :

Voor het einde van de 32e maand van de opleiding dient de tweede stagemeester onverwijld bij de voorzitter van de rechtbank een uitvoerig verslag in omtrent het derde stadium van de opleiding, die onverwijld een afschrift van dit verslag overmaakt aan de bevoegde evaluatiecomissie. Indien nodig zendt de tweede stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste vier stagemaanden.

5º aan § 2 een nieuw lid toevoegen, luidende :

« Voor het einde van de 33e maand zendt de bevoegde evaluatiecommissie het omstandig eindverslag over aan de minister van Justitie en maakt een afschrift over aan de bevoegde voorzitter en eerste voorzitter ».

6º In § 3, tweede lid, worden de woorden « door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9 vervangen door de woorden « door het Instituut voor gerechtelijke opleiding ».

7º In § 3 wordt tussen het vierde en het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd luidend als volgt :

« De stagemeesters moeten in de loop van het jaar volgend op hun aanwijzing een gespecialiseerde opleiding volgen die jaarlijks wordt georganiseerd door het Instituut voor de gerechtelijke opleiding. »

8º In § 3 wordt het vijfde lid vervangen als volgt :

De korpschef wijst bij ieder parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van stagemeester zullen waarnemen. De leden van het federaal parket kunnen niet tot stagemeester worden aangewezen. Vóór het einde van de 14e maand van de opleiding dient de stagemeester onverwijld een uitvoerig verslag in omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding bij de korpschef, die onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag overzendt aan de bevoegde evaluatiecommissie. Indien nodig zendt de stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste vier stagemaanden;

9º aan § 3 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :

« Voor het einde van de 15e maand zendt de bevoegde evaluatiecommissie een omstandig eindverslag over aan de minister van Justitie en zendt een afschrift ervan naar de bevoegde korpschef en de procureur-generaal. »;

9º § 4 wordt vervangen als volgt :

« § 4. De stagiair moet voor het einde van de elfde maand van de stage een met redenen omkleed voorstel inzake de externe stage ter goedkeuring voorleggen aan de bevoegde stagecommissie. ».

10º § 5 wordt vervangen als volgt :

« § 5. Zowel de stagiair vermeld in § 2 als de stagiair vermeld in § 3 ontvangen een afschrift van de stageverslagen. Indien de inhoud van een of meer verslagen ongunstig is, geeft de evaluatiecommissie advies, na de betrokkene te hebben gehoord. Van de inachtneming van dit voorschrift wordt melding gemaakt in het aan de minister van Justitie toegezonden verslag »;

11º In § 6, eerste lid, wordt het woord « benoemingscommissie » vervangen door het woord « evaluatiecommissie »;

12º In § 6, laatste lid, worden in de Nederlandse tekst de woorden « rechter vervangen » vervangen door de woorden « plaatsvervanging waarnemen »;

13º § 8 wordt vervangen als volgt :

De gerechtelijk stagiair ontvangt :

1º een wedde uitbetaald na vervallen termijn, berekend in de weddenschaal A11, die aan het personeel van de Staat wordt toegekend;

2º de in deze schaal voorziene tussentijdse verhogingen;

3º de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel van de federale overheidsdiensten worden toegekend, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor voornoemd personeel.

Bij de benoeming tot de stage, wordt de wedde vastgesteld door enkel een periode van 1 jaar in aanmerking te nemen die geldt als de ervaring vereist overeenkomstig § 1, derde lid, als voorwaarde voor deelneming aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de stage.

De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedde van het personeel is ook van toepassing op de wedde van de stagiair. Zij wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.

De volledige wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, met uitzondering van die betreffende de jaarlijkse vakantie, is op de gerechtelijke stagiair toepasselijk. »

Verantwoording

Zoals in eerste instantie ook ingevoegd in het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toegang tot de magistratuur dient de stagemeester voortaan een opleiding te volgen. Dit principe wordt ingevoegd door huidig ontwerp in § 2, tussen het derde en het vierde lid van artikel 289octies van het Gerechtelijk Wetboek.

Laatstgenoemd artikel wordt, zoals reeds aangekondigd in het amendement met betrekking tot artikel 42 van het ontwerp, aangepast aan het feit dat de evaluatiecommissie een rol gaat spelen in het verloop van de stage :

— tussentijdse verslagen dienen aan de evaluatiecommissie te worden gestuurd;

— de evaluatiecomissie maakt een omstandig eindverslag over aan de minister van Justitie;

— de stagiair dient voortaan aan de bevoegde evaluatiecommissie zijn met redenen omkleed voorstel inzake de externe stage voor te leggen;

— het is de evaluatiecommissie die de minister van Justitie voortaan adviseert bij een vroegtijdige beëindiging van de stage wegens professionele ongeschiktheid of dringende redenen.

In § 6 in fine wordt in het nederlands een tekstcorrectie doorgevoerd. De woorden « rechter vervangen » worden vervangen door de woorden « plaatsvervanging waarnemen ».

In § 8 wordt eveneens de tekst overgenomen van het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toegang tot de magistratuur.

De wedde van de stagiairs stijgt : hoewel de miniumwedde van een ambtenaar van niveau A (vroegere niveau1) behouden blijft, wordt voortaan rekening gehouden met de anciënniteit verworven in de hoedanigheid van stagiair en met het vereiste voorafgaande jaar ervaring.

Nr. 27 VAN DE REGERING

Art. 46bis (nieuw)

Een artikel 46bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 46bis. — De artikelen 42, 43, 44 en 46, zijn van toepassing op de lopende gerechtelijke stages met uitzondering van diegenen die aflopen binnen de vier maanden na de inwerkingtreding van deze artikelen.

De bevoegde stagemeester zendt de stageverslagen onverwijld over aan de bevoegde evaluatiecommissie. »

Verantwoording

Het eindverslag dient, overeenkomstig het ontworpen artikel 259octies, § 2 in fine en § 3 in fine, 4 maanden voor het einde van de stage te worden opgemaakt door de bevoegde evaluatiecommissie.

Voor de stages die ten vroegste 4 maanden voor de inwerkingtreding van de artikelen 42, 43, 44 en 46 eindigen, is de bevoegde evaluatiecommissie niet meer in mogelijkheid om tijdig een eindevaluatie te maken.

Deze artikelen worden bij hun inwerkingtreding dan ook slechts van toepassing gemaakt op de gerechtelijke stagiairs wiens stage afloopt ten vroegste 4 maanden na hun inwerkingtreding.

Daar waar er voor de bevoegde evaluatiecommissie wel nog de mogelijkheid bestaat om een eindverslag te maken, dient de stagemeester de verslagen die hij cf. het oude artikel 259octies heeft gemaakt, onverwijld aan haar over te zenden.

Nr. 28 VAN DE REGERING

Hoofdstuk VII (nieuw)

Een hoofdstuk VII (nieuw) invoegen, luidende :

« Hoofdstuk VII. — Overgangsbepaling »

Verantwoording

In dit hoofdstuk wordt een overgangsbepaling voor de gerechtelijke stage ingevoegd.

De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.

Nr. 29 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 50)

Art. 14

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het huidig voorgesteld artikel 14 miskent artikel 155 van de Grondwet door te bepalen dat de Koning bevoegd zou zijn tot de benoeming van magistraten in de bezoldigde functie van directielid van het instituut.

Zulks werd trouwens reeds aangestipt door de Raad van State.

Nr. 30 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 52)

Art. 16

In het eerste lid van dit artikel de woorden « zes maanden na » vervangen door de woorden « op het ogenblik van ».

Verantwoording

Het huidig voorgesteld artikel 16 miskent de taalwetgeving en holt de taalpartieit volledig uit door pas na zijn aantreden van de directeur een bewijs van tweetaligheid te verlangen.

Nr. 31 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 55)

Art. 19

Het tweede lid van dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het huidig voorgesteld artikel 19 tweede lid loopt vooruit op de toekomst doordat erin gewag wordt gemaakt van een niveau A, dat nog niet bestaat (cf. advies Raad van State op dit punt).

Nr. 32 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 61)

Art. 25

Het tweede lid van dit artikel aanvullen met de woorden « en aan de raad van bestuur ».

Verantwoording

Zoals aangestipt door de Raad van State is het wellicht aangewezen het verslag van het wetenschappelijk comité aangaande het opleidingsbeleid eveneens mee te delen aan de raad van bestuur.

Nr. 33 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 62)

Art. 26

In het tweede lid van dit artikel het 5º doen vervallen.

Verantwoording

Zoals aangestipt door de Raad van State schendt het voorgestelde artikel 26, eerste lid, 5º, de BWHI doordat het de benoeming van een vertegenwoordiger van een gemeenschapsinstelling in een federale instelling voorstaat, daarbij ook nog stemrecht toekennend aan de vertegenwoordiger van de gemeenschapsinstelling, hetgeen indruist tegen de autonomie van de gemeenschappen.

Nr. 34 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 73)

Art. 37

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Zoals aangestipt door de Raad van State schendt het voorgestelde artikel 37 de Grondwet en meer bepaald het annaliteitsbeginsel van de begroting vastgelegd in artikel 174.

Nr. 35 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 75)

Art. 39

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Dit artikel biedt aan het Instituut de mogelijkheid om haar diensten tegen vergoeding aan te bieden op de markt en aldus in — gesubsidieerde ! — concurrentie te treden met diverse onderwijsinstellingen en opleidingsinstituten.

Los van het feit dat een dergelijke activiteit ongetwijfeld niet zou stroken met de Europeesrechtelijke bepalingen terzake, kan niet aanvaard worden dat op dergelijke manier de in de Grondwet bepaalde toewijzing van de onderwijsbevoegdheid aan de gemeenschappen omzeild zou worden.

Nr. 36 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair op amendement nr. 43)

Art. 7

In § 1, eerste lid, van dit artikel, de woorden « Het Instituut » vervangen door de woorden « De Hoge Raad voor de Justitie » en na de woorden « bedoeld in artikel 3 en » in te voegen de woorden « het Instituut ».

Verantwoording

Het huidig voorgesteld artikel 7 miskent de grondwettelijke bevoegdheden van de Hoge Raad voor de Justitie zoals voorzien in artikel 151 van de Grondwet. Door de bevoegdheid voor het opstellen van de programma's voor te behouden aan de Hoge Raad wordt dit rechtgezet, hetgeen het ontwerp tenandere conformeert met het advies van de Raad van State op dit punt.

Nr. 37 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 1

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording (van de amendementen nrs. 37 tot en met 80, 82 en 84 tot en met 86)

Luidens artikel 127 van de Grondwet zijn de gemeenschappen bevoegd voor de organisatie van het onderwijs. Dit omvat het onderwijs in al zijn vormen, met inbegrip van de post- en parascolaire vorming en de beroepsbijscholing zoals blijkt uit artikel 4 van de BWHI van 1880.

De federale overheid is op grond van deze bepalingen onbevoegd de gerechtelijke opleiding en het Instituut voor gerechtelijke opleiding te organiseren zoals voorgesteld in het ontwerp.

Nr. 38 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 2

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 39 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 3

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 40 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 4

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 41 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 42 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 6

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 43 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 7

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 44 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 8

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 45 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 9

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 46 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 10

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 47 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 11

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 48 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 12

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 49 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 13

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 50 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 14

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 51 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 15

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 52 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 16

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 53 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 17

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 54 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 18

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 55 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 19

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 56 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 20

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 57 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 21

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 58 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 22

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 59 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 23

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 60 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 24

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 61 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 25

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 62 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 26

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 63 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 27

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 64 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 28

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 65 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 29

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 66 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 30

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 67 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 31

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 68 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 32

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 69 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 33

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 70 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 34

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 71 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 35

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 72 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 36

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 73 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 37

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 74 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 38

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 75 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 39

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 76 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 40

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 77 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 41

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 78 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 42

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 79 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 43

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 80 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 44

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 81 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair amendement op amendement nr. 80)

Art. 44

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het voorgesteld artikel is onleesbaar, in die mate zelfs dat de Raad van State oordeelde deze bepaling niet te kunnen onderzoeken en adviseerde ze te herschrijven.

Nr. 82 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 45

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 83 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

(Subsidiair amendement op amendement nr. 82)

Art. 45

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het voorgesteld artikel is onleesbaar, in die mate zelfs dat de Raad van State oordeelde deze bepaling niet te kunnen onderzoeken en adviseerde ze te herschrijven.

Nr. 84 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 46

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 85 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 47

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 86 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 48

Dit artikel doen vervallen.

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 87 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 4

In § 1 van dit artikel tussen het woord « gedurende » en de woorden « vijf werkdagen » invoegen de woorden « ten minste ».

Verantwoording

Duidelijk moet zijn dat de magistraat recht heeft op ten minste vijf dagen.

Uiteraard kan worden bepaald dat een magistraat meer opleidingen kan volgen.

Clotilde NYSSENS.

Nr. 88 VAN MEVROUW de T' SERCLAES

Art. 4

Het derde lid van dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Zoals de dienst Wetsevaluatie (nota, blz. 3) erop wijst, leidt het derde lid van artikel 4 tot verwarring. De drie soorten gerechtelijke opleidingen worden immers geëvalueerd en niet alleen de permanente opleiding, zoals de lezer zou kunnen afleiden uit de manier waarop het voorgestelde artikel 4 is opgesteld.

De inhoud van dit derde lid moet worden overgebracht naar een nieuw artikel (zie amendement nr. 89).

Nr. 89 VAN MEVROUW de T' SERCLAES

Art. 4bis (nieuw)

Een artikel 4bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 4bis. — Iedere opleiding wordt geëvalueerd door het Instituut. ».

Verantwoording

Zie amendement nr. 88.

Om op een opmerking van de dienst Wetsevaluatie te antwoorden (nota, blz. 3), wordt tevens vermeld dat het Instituut bevoegd is voor de evaluatie.

Nr. 90 VAN MEVROUW de T' SERCLAES

Art. 7

In dit artikel, in het eerste lid van § 1, de woorden « en voert ze uit. » vervangen door de woorden « , voert ze uit en evalueert ze. ».

Verantwoording

In de memorie van toelichting staat : « Het Instituut organiseert eveneens, in samenwerking met het wetenschappelijk comité, de evaluatie van opleidingsprogramma's. » (blz. 15). Dat staat echter niet uitdrukkelijk in de tekst van het wetsontwerp.

Het is aangewezen in de tekst te vermelden dat het Instituut voor de evaluatie van die opleidingsprogramma's instaat.

Nathalie de T' SERCLAES.

Nr. 91 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 14

In het eerste lid van dit artikel de woorden « voor een hernieuwbare termijn van zes jaar » vervangen door de woorden « voor een eenmaal te hernieuwen termijn van zes jaar ».

Verantwoording

Het is raadzaam het aantal opeenvolgende mandaten van de directieleden te beperken tot één hernieuwing. (zie advies van de Hoge Raad voor de Justitie).

Clotilde NYSSENS.

Nr. 92 VAN DE REGERING

Art. 9

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 9. — De raad van bestuur is belast met :

1º de goedkeuring, met inachtneming van de richtlijnen bedoeld in artikel 7, van het door de directie voorgestelde jaarlijkse actieplan;

2º de controle van de uitvoering door de directie van de opdrachten van het Instituut;

3º de goedkeuring van de door de directie voorgestelde begroting en personeelsplan;

4º de uitoefening van bevoegdheid inzake evaluatie en tucht van de directieleden, overeenkomstig artikel 22 en de regels die zijn opgenomen in een huishoudelijk reglement. »

Verantwoording

Dit amendement beoogt een betere omschrijving van de opdracht en de (eind)verantwoordelijkheid van de raad van bestuur :

De raad van bestuur keurt het door de directie voorgestelde jaarlijks actieplan goed;

Zoals reeds gesteld in de memorie van toelichting, is de directie de motor van het Instituut. Zij is zeer goed geplaatst om een jaarlijks actieplan voor te stellen. De raad van bestuur krijgt echter het laatste woord bij de bepaling van de algemene beleidslijnen; hij keurt namelijk dit actieplan goed. Weliswaar worden hierbij de richtlijnen van respectievelijk de Hoge Raad voor de Justitie en de minister van Justitie in acht genomen.

De raad van bestuur controleert de uitvoering door de directie van de opdrachten van het Instituut;

Hij zal hierbij nagaan of de in het jaarlijkse actieplan vooropgestelde doelstellingen zijn bereikt. Bovendien zal de evaluatie van de opleidingen een belangrijke indicatie inhouden van hun kwaliteit en effectiviteit. De raad van bestuur zal eveneens toezien op de conformiteit van de beslissingen van de directie met de in acht te nemen wettelijke bepalingen. Zo zal hij bijvoorbeeld haar toekenning van overheidsopdrachten, a posteriori, controleren, haar afsluiting van overeenkomsten, protocollen en dergelijke meer. Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat deze controle leidt tot een bepaalde obstructiepolitiek vanwege de raad van bestuur. Een bedrijfscultuur waarin constructief wordt samengewerkt door alle organen is een absolute noodzaak voor de optimale werking van het Instituut.

Nr. 93 VAN DE REGERING

Art. 10

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 10. — § 1. De raad van bestuur bestaat uit twaalf leden, gelijk verdeeld tussen de Nederlandse en Franse taalrol.

Zijn van rechtswege lid van de raad van bestuur van het Instituut :

1º de voorzitters van de benoemings- en aanwijzingscommissies van de Hoge Raad voor de Justitie;

2º de directeur-generaal van het Directoraat-generaal rechterlijke organisatie van de federale overheidsdienst Justitie of zijn vertegenwoordiger, die van een gelijke taalrol is;

3º de directeur-generaal van het opleidingsinstituut van de federale overheid of indien deze laatste van de gelijke taalrol is als het lid bedoeld in 2, zijn vertegenwoordiger van de andere taalrol;

Worden benoemd door de Koning op de voordracht van de minister van Justitie :

1º twee zittende magistraten en twee magistraten van het openbaar ministerie, voorgedragen door de Hoge Raad voor de Justitie;

2º vier personen onder diegenen bedoeld in artikel 2, 4º tot 10.

De duur van de mandaten bedoeld in het vorige lid gebeurt bedraagt vijf jaar; zij zijn hernieuwbaar.

§ 2. De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter. De raad stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat wordt goedgekeurd bij koninklijk besluit.

§ 3. De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de raad van bestuur, bedoeld in § 1, derde lid, worden toegekend alsook de vergoedingen die als terugbetaling van hun reis- en verblijfskosten.

Het presentiegeld en de vergoedingen zijn ten laste van het Instituut. »

Verantwoording

De juridische dienst van de Senaat merkt op dat taalpariteit in het gevaar komt ingeval de directeur-generaal van het Directoraat -generaal rechterlijke organisatie van de FOD Justitie of zijn vertegenwoordiger en de directeur-generaal van het opleidingsinstituut van de federale overheid of zijn vertegenwoordiger van dezelfde taalrol zouden zijn. Dit euvel wordt verholpen door te bepalen dat ingeval zij van dezelfde taalrol zijn, de directeur-generaal van het opleidingsinstituut van de federale overheid wordt vertegenwoordigd door iemand van een andere taalrol.

Bovendien wordt de Nederlandse tekst in overeenstemming gebracht met de Franse en worden enkele technische correcties aangebracht.

Nr. 94 VAN DE REGERING

(Subamendement op amendement nr. 93)

Art. 10

In § 1, derde lid, 1º, worden de woorden « de Hoge Raad voor de Justitie » vervangen door de woorden « de Verenigde Benoeming- en Aanwijzingscommissie ».

Verantwoording

Met toepassing van artikel 151, § 3, van de Grondwet, dat de bevoegdheid inzake de vorming van de magistraten van de zetel en het openbaar ministerie toekent, dient de bevoegdheid om kandidaten voor een functie van lid van raad van bestuur voor te dragen, te worden voorbehouden aan de Verenigde Benoemings- en aanwijzingscommissie.

Nr. 95 VAN DE REGERING

Art. 11

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 11. — De directie is belast met het dagelijks bestuur van het Instituut.

Zij is samengesteld uit een directeur van de gerechtelijke opleiding, bijgestaan door twee adjunctdirecteurs en ze wordt collegiaal bestuurd.

De directie omvat twee afdelingen : de ene oefent de opdrachten van het Instituut uit ten aanzien van de magistraten van de rechterlijke orde en de gerechtelijke stagiairs, de andere ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 2, 4º tot 10º.

Aan het hoofd van iedere afdeling staat één van de adjunct-directeurs. »

Verantwoording

De bepaling dat de directie over alle bevoegdheden beschikt die noodzakelijk zijn voor het beheer van net Instituut mist duidelijkheid en is weinig relevant. Ze wordt dan geschrapt.

Verder beoogt dit amendement een technische aanpassing met het oog op een eenvormige omschrijving van deze doelgroep.

Nr. 96 VAN DE REGERING

Art. 12

Aan dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º tussen de woorden « belast » en « met » het woord « inzonderheid » invoegen;

2º in het 1º het woord « opdracht » vervangen door het woord « opdrachten »;

3º het 2º aanvullen met de woorden « en het jaarlijks actieplan »;

4º het 8º vervangen als volgt :

« 8º de vertegenwoordiging van het Instituut bij de gerechtelijke procedures als verweerder en bij de buitengerechtelijke handelingen; voor de gerechtelijke procedures als eiser moet zij de instemming van de raad van bestuur vragen. »

Verantwoording

De opdrachten van de directie zijn niet limitatief opgesomd. In aansluiting met het amendement met betrekking tot artikel 9, wordt de opdracht uitgebreid met de opstelling van een jaarlijks actieplan.

Haar bevoegdheid in het 8º wordt bovendien meer accuraat omschreven.

Nr. 97 VAN DE REGERING

Art. 46

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 46. — In artikel 259octies ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 1999, 15 juni 2001, 21 juni 2001, 10 april 2003, 3 mei 2003 en 22 december 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in § 2, eerste lid worden de woorden « door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9, » vervangen door de woorden « door het Instituut voor gerechtelijke opleiding »;

2º in § 2, wordt tussen het derde en het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« De stagemeesters moeten in de loop van het jaar volgend op hun aanwijzing een gespecialiseerde opleiding volgen die jaarlijks wordt georganiseerd door het Instituut voor de gerechtelijke opleiding. ».

3º in § 2, vierde lid, worden de woorden « de minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie vervangen door de woorden « de bevoegde evaluatiecommissie ».

4º § 2, vijfde lid wordt vervangen als volgt :

Voor het einde van de 32e maand van de opleiding dient de tweede stagemeester onverwijld bij de voorzitter van de rechtbank een uitvoerig verslag in omtrent het derde stadium van de opleiding, die onverwijld een afschrift van dit verslag overmaakt aan de bevoegde evaluatiecomissie. Indien nodig zendt de tweede stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste vier stagemaanden.

5º aan § 2, een nieuw lid toevoegen, luidende :

« Voor het einde van de 33e maand zendt de bevoegde evaluatiecommissie het omstandig eindverslag over aan de minister van Justitie en maakt een afschrift over aan de bevoegde voorzitter en eerste voorzitter ».

6º In § 3, tweede lid, worden de woorden « door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9 vervangen door de woorden « door het Instituut voor gerechtelijke opleiding ».

7º In § 3 wordt tussen het vierde en het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« De stagemeesters moeten in de loop van het jaar volgend op hun aanwijzing een gespecialiseerde opleiding volgen die jaarlijks wordt georganiseerd door het Instituut voor de gerechtelijke opleiding. »

8º In § 3, wordt het vijfde lid vervangen als volgt :

De korpschef wijst bij ieder parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van stagemeester zullen waarnemen. De leden van het federaal parket kunnen niet tot stagemeester worden aangewezen. Vóór het einde van de 14e maand van de opleiding dient de stagemeester onverwijld een uitvoerig verslag in omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding bij de korpschef, die onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag overzendt aan de bevoegde evaluatiecommissie. Indien nodig zendt de stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste vier stagemaanden;

9º aan § 3 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :

« Voor het einde van de 15e maand zendt de bevoegde evaluatiecommissie een omstandig eindverslag over aan de minister van Justitie en zendt een afschrift ervan naar de bevoegde korpschef en de procureur-generaal. »;

10º in § 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º In het eerste lid worden de woorden « de bevoegde evaluatiecommissie en » ingevoegd tussen de woorden « meedeelt aan » en « de minister van Justitie »;

2º § 4 wordt aangevuld met het volgende lid :

« De stagiair moet voor het einde van de elfde maand van de stage een met redenen omkleed voorstel inzake de externe stage ter goedkeuring voorleggen aan de bevoegde stagecommissie. ».

11º § 5 wordt vervangen als volgt :

« § 5. Zowel de stagiair vermeld in § 2 als de stagiair vermeld in § 3 ontvangen een afschrift van de stageverslagen. Indien de inhoud van een of meer verslagen ongunstig is, geeft de evaluatiecommissie advies, na de betrokkene te hebben gehoord. Van de inachtneming van dit voorschrift wordt melding gemaakt in het aan de minister van Justitie toegezonden verslag »;

12º In § 6, eerste lid, wordt het woord « benoemingscommissie » vervangen door het woord « evaluatiecommissie »;

13º In § 6, laatste lid, worden in de Nederlandse tekst de woorden « rechter vervangen » vervangen door de woorden « plaatsvervanging waarnemen »;

14º § 8 wordt vervangen als volgt :

De gerechtelijk stagiair ontvangt :

1º een wedde uitbetaald na vervallen termijn, berekend in de weddenschaal A11, die aan het personeel van de Staat wordt toegekend;

2º de in deze schaal voorziene tussentijdse verhogingen;

3º de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel van de federale overheidsdiensten worden toegekend, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voorvoornoemd personeel.

Bij de benoeming tot de stage, wordt de wedde vastgesteld door enkel een periode van 1 jaar in aanmerking te nemen die geldt als de ervaring vereist overeenkomstig § 1, derde lid, als voorwaarde voor deelneming aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de stage.

De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedde van het personeel is ook van toepassing op de wedde van de stagiair. Zij wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.

De volledige wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, met uitzondering van die betreffende de jaarlijkse vakantie, is op de gerechtelijke stagiair toepasselijk. »

Verantwoording

Zoals in eerste instantie ook ingevoegd in het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toegang tot de magistratuur dient de stagemeester voortaan een opleiding te volgen. Dit principe wordt ingevoegd door huidig ontwerp in § 2, tussen het derde en het vierde lid van artikel 289octies van het Gerechtelijk Wetboek.

Laatstgenoemd artikel wordt, zoals reeds aangekondigd in het amendement met betrekking tot artikel 42 van het ontwerp, aangepast aan het feit dat de evaluatiecommissie een rol gaat spelen in het verloop van de stage :

— tussentijdse verslagen dienen aan de evaluatiecommissie te worden gestuurd;

— de evaluatiecomissie maakt een omstandig eindverslag over aan de minister van Justitie;

— de stagiair dient voortaan aan de bevoegde evaluatiecommissie zijn met redenen omkleed voorstel inzake de externe stage voor te leggen;

— het is de evaluatiecommissie die de minister van Justitie voortaan adviseert bij een vroegtijdige beëindiging van de stage wegens professionele ongeschiktheid of dringende redenen.

In § 6 in fine wordt in het nederlands een tekstcorrectie doorgevoerd. De woorden « rechter vervangen » worden vervangen door de woorden « plaatsvervanging waarnemen ».

In § 8 wordt eveneens de tekst overgenomen van het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toegang tot de magistratuur.

De wedde van de stagiairs stijgt : hoewel de miniumwedde van een ambtenaar van niveau A (vroegere niveau 1) behouden blijft, wordt voortaan rekening gehouden met de anciënniteit verworven in de hoedanigheid van stagiair en met het vereiste voorafgaande jaar ervaring.

De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.

Nr. 98 VAN MEVROUW LEDUC EN DE HEER WILLEMS

Art. 20

Het eerste lid vervangen als volgt :

« Het directielid dat op het ogenblik van zijn indiensttreding definitief benoemd is in de hoedanigheid van magistraat van de zetel of het openbaar ministerie, is van rechtswege gedetacheerd van zijn jurisdictie en automatisch met verlof voor opdracht. Dit verlof is niet bezoldigd. Het is voor het surplus gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. »

Verantwoording

Het amendement beoogt rechtszekerheid voor de gedetacheerde magistraten.

Jeannine LEDUC
Luc WILLEMS.

Nr. 99 VAN DE HEER MAHOUX, MEVROUW LALOY EN DE HEER KONINCKX

Art. 16

In de eerste volzin van het eerste lid van dit artikel het woord « voortijdige » doen vervallen.

Verantwoording

De bespreking van dit artikel heeft opnieuw duidelijk uitgewezen dat het de bedoeling is na zes maanden het mandaat te beëindigen, tenzij het bewijs is geleverd van de kennis van de andere landstaal. Het woord « voortijdige » is hier dus niet op zijn plaats.

Philippe MAHOUX.
Marie-José LALOY.
Flor KONINCKX.

Nr. 100 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 17

Na het woord « de » het woord « tweetalige » invoegen.

Verantwoording

Het spreekt voor zich dat voor een functie van dit niveau de tweetaligheid een basisvereiste is. Het gaat hier om topfuncties in het kader van een federale instelling die vorming zou moeten organiseren. De vereiste van tweetaligheid op dit niveau vloeit ontegensprekelijk voort uit de vigerende taalwetgeving, welke hier dient toegepast te worden. Geen enkele gegronde reden wordt aangeduid dat dergelijk onderscheid zou verantwoorden.

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 101 VAN DE REGERING

Art. 16

Het eerste lid vervangen als volgt :

« Uiterlijk zes maanden na hun aanstelling, op straffe van beëindiging van hun mandaat, dienen de directieleden voor een examencommissie, samengesteld door de Afgevaardigd bestuurder van Selor — Selectiebureau van de Federale Overheid —, het bewijs te leveren van de kennis van de andere landstaal dan diegene waarin hij zijn examen voor een universitair diploma heeft afgelegd. Dit taalexamen omvat een proef over de geschreven passieve kennis van de andere taal en een proef over de passieve en actieve mondelinge kennis van de andere taal. ».

Verantwoording

Vanzelfsprekend dienen de adjunct-directeurs functioneel tweetalig te zijn. Het betreft immers een federale opleiding. In eerste instantie werd er van uit gegaan dat het voldoende zou zijn om de tweetaligheidvereiste van de adjunct-directeurs op te nemen in het competentieprofiel dat overeenkomstig artikel 14, tweede lid van het ontwerp, wordt opgesteld door de minister van Justitie, op advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Naar aanleiding van de bespreking in de Senaat is tot uiting gekomen dat het aangewezen is een nog grotere garantie te voorzien. De tweetaligheidvereisten voor de adjunct-directeurs wordt dan ook expliciet in de wet bepaald.

De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.

Nr. 102 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE

Art. 22

Paragraaf 4 van dit artikel vervangen als volgt :

« § 4. De raad van bestuur stelt in zijn huishoudelijk reglement de nadere regels op voor de toepassing van deze bepaling. »

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 103 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 25

In het tweede lid na de woorden « aan de directie » de woorden « en aan de raad van bestuur » toevoegen.

Verantwoording

De Raad van State vindt het wenselijk dat de verslagen en adviezen van het Wetenschappelijk Comité ook aan de raad van bestuur worden meegedeeld.

Clotilde NYSSENS.

Nr. 104 VAN MEVROUW de T' SERCLAES

Art. 39

In het derde lid na de woorden « de andere financiële middelen » de woorden « , met inbegrip van de subsidies » toevoegen.

Verantwoording

Door deze toevoeging kan het Instituut allerhande subsidies krijgen, met name voor projecten die medegefinancierd worden door de Europese Unie.

Nathalie de T' SERCLAES.