3-1749/1

3-1749/1

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

13 JULI 2006


100 jaar Vrouwenraden


VERSLAG

NAMENS HET ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN UITGEBRACHT DOOR

DE DAMES ANSEEUW EN de BETHUNE


I. INLEIDING

Naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de twee vrouwenraden van België, de Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) en de Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB) nodigde het adviescomité de vrouwenraden uit.

Op 30 januari 1905 richtte Marie Popelin de Conseil national des Femmes Belges op. Van een organisatie met drie vrouwenverenigingen is deze stichtingsgroep uitgegroeid tot twee grote platformorganisaties die anno 2005 samen 85 aangesloten verenigingen tellen. Om het honderdjarig bestaan te vieren werd een sterk gevarieerd eeuwfeestprogramma opgesteld. Alle geplande activiteiten kaderden in één of meerdere van de doelstellingen die de vrouwenraden vooropgesteld hadden voor dit eeuwfeestproject :

— een balans opmaken over de verwezenlijkingen van de voorbije honderd jaar;

— nadenken over de toekomst van de vrouwenraden en van de vrouwenbeweging in het algemeen

— een breed publiek informeren over en sensibiliseren voor de werking van de vrouwenraden

Het adviescomité meent dat het nu tijd is voor een evaluatie na de viering.

Naar aanleiding van deze viering stelden de vrouwenraden een federaal eisenpakket van honderd punten op. Het adviescomité ziet dit ook als een gelegenheid om van gedachten te wisselen over het federale beleid ter ondersteuning van de vrouwenkoepels en de toekomst van de vrouwenbeweging.

Het adviescomité hield de volgende vergaderingen in het kader van deze zitting :

— Op 15 maart 2006 : hoorzitting met de Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB), vertegenwoordigd door mevrouw Willame-Boonen, voorzitster, en met de Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR), vertegenwoordigd door mevrouw Van der Wildt, voorzitster, en mevrouw Scheerlinck, directrice;

— Op 13 juni 2006 : hoorzitting met het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, vertegenwoordigd door mevrouw Pasmans, adjunct-directrice;

— Op 4 en 13 juli 2006 : bespreking en goedkeuring van aanbevelingen.

II. HOORZITTINGEN

II.1. Ontmoeting met de Conseil des femmes francophones de Belgique en de Nederlandstalige Vrouwenraad

A. Uiteenzetting door mevrouw Willame-Boonen, voorzitster van de Conseil des femmes francophones de Belgique

De oproepen die de CFFB op 14 juni 2005 heeft gedaan naar aanleiding van het planten van de « Marie Popelin »-rozenstruik in de tuin van het Parlement, draaiden volgens mevrouw Willame rond zes prioritaire kwesties, waaraan nog een zevende moet worden toegevoegd in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van 2007.

1. Genderstatistieken

De overheid moet een algemeen plan uitwerken teneinde op alle domeinen te kunnen beschikken over genderstatistieken. Zonder zulk plan kan de impact van het gelijkheidsbeleid onmogelijk worden beoordeeld.

Genderstreaming en genderbudgeting zijn onontbeerlijke instrumenten van een behoorlijk bestuur. Deze termen worden op gemeentelijk niveau niet altijd goed begrepen. Er moet werk worden gemaakt van voorlichting.

2. Een plus-minus gelijke beloning voor mannen en vrouwen

Tussen mannen en vrouwen gaapt nog altijd een loonkloof van 15 tot 20 %. Concreet vraagt de CFFB een herziening van de classificatie van de beroepen. Hij vraagt het Parlement na te denken over de oprichting van een sociaal fonds om de eenmalige kosten van de gelijkschakeling van de lonen van mannen en vrouwen op te vangen. Ten slotte dringt de CFFB aan op een herwaardering van de lonen in de « typisch vrouwelijke » beroepen. (Voorbeeld : de job van receptioniste, vaak uitgeoefend door vrouwen, wordt beter betaald dan de job van portier in een groot hotel).

3. Toegang tot directie- en managementposten

Vrouwen worden nog steeds het slachtoffer van het « glazen plafond ». De commissie « Femmes et entreprises » van de CFFB heeft de minister een verslag bezorgd waarin zij voorstelt een gelijkheidslabel voor privé-ondernemingen te creëren. In Frankrijk bestaat zo'n label al. In de overheidsbedrijven wil de CFFB graag een derde vrouwen op directieposten zien.

Men moet voorkomen dat het concept gelijkheid van mannen en vrouwen opgaat in het concept diversiteit. De goedkeuring van een diversiteitsplan veronderstelt dat ook gehandicapten, senioren, homoseksuelen, vreemdelingen ... bij de zaak betrokken worden.

Zoals men weet bestaan al die categorieën uit mannen en vrouwen. Discriminatie tussen mannen en vrouwen is van een andere aard. Mevrouw Willame herinnert eraan dat het geslacht op het verzoek van het adviescomité voor gelijke kansen is geschrapt uit de lijst van discriminatiegronden vastgesteld in de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

4. Verdeling van de huishoudelijke taken

Onlangs stond op de eerste pagina van een belangrijk Franstalig dagblad : « Les couples sont inégaux à la maison ». De CFFB eist :

— een bewustmakingscampagne voor een betere verdeling van de huishoudelijke taken;

— vorming teneinde deze stereotype opvattingen te bestrijden;

— meer intense strijd tegen seksistische reclame.

5. Gezondheid

Voor vele ziekten zijn er verschillen tussen de twee geslachten : osteoporose, depressie, migraine, artritis, anorexia, ziekte van Alzheimer, problemen in verband met de voortplanting ...

In het volksgezondheidsbeleid moet rekening worden gehouden met gender en het systeem van de terugbetaling van geneesmiddelen mag niet nadelig zijn voor vrouwen.

De CFFB vraagt met name dat in de FOD Volksgezondheid een cel Gezondheid-vrouwen wordt opgericht.

6. Alimentatievorderingen

Bij de dienst alimentatievorderingen (DAVO) van de FOD-Financiën is een Evaluatiecommissie opgericht, die haar eerste vergadering heeft gehouden op 26 januari 2006.

De CFFB verheugt zich daarover, maar vraagt ook :

— de afschaffing van het inkomensplafond opdat alle vrouwen krijgen wat hen toekomt;

— een oplossing voor ex-partners die in het buitenland wonen;

— een informatiecampagne over het bestaan van de DAVO, met name in het ministerie van Justitie, zodat rechters die een uitspraak doen over het onderhoudsgeld vrouwen gaan informeren over deze oplossing.

7. Gemeenteraadsverkiezingen

De CCFB verheugt zich over de paritaire lijsten maar wijst erop dat dit niet noodzakelijk betekent dat de vrouwen ook verkozen worden. De halvering van de devolutieve werking van de lijststem garandeert niet dat een vrouw die de derde plaats inneemt, verkozen wordt. De CFFB vraagt de overheid een degelijk onderbouwde « stem vrouw-campagne » te organiseren.

B. Uiteenzetting door mevrouw F. Van der Wildt, voorzitster van de Nederlandstalige Vrouwenraad

Uiteraard is de NVR het eens met de prioriteiten van de CFFB. Door hun krachten te bundelen hopen de raden bij te dragen tot een snelle verwezenlijking ervan. Mevrouw Van der Wildt zal zich concentreren op twee belangrijke punten.

Op 27 januari 2006 heeft een Ministerraad een voorontwerp van wet betreffende gendermainstreaming op alle vlakken van het politieke bedrijf goedgekeurd. Dat is een belangrijk initiatief. Als die wet er doorkomt, betekent dat dat in alle fasen van de beleidsvoering rekening moet worden gehouden met het genderaspect, zowel met betrekking tot de algemene beleidslijnen als tot de uitvoeringmaatregelen. Alvorens te worden uitgevoerd, moet elke maatregel, elk optreden van de regering worden geëvalueerd in het licht van zijn eventuele impact op de gelijkheid van mannen en vrouwen teneinde de negatieve aspecten voor een van beide geslachten weg te werken of bij te sturen.

Het evalueren van de impact van maatregelen is uiteraard belangrijk, maar vooraf moet iedereen het eens raken over het principe van de gelijkheid en over de maatschappelijke opvattingen die aan de basis liggen van het hele concept. Spreekster geeft het voorbeeld van het ouderschapsverlof, dat door alle organisaties is toegejuicht, maar dat tot gevolg heeft dat meer vrouwen thuis blijven waardoor hun positie op de arbeidsmarkt verzwakt.

Volgens het voorontwerp moet de genderdimensie worden opgenomen in de beheersplannen, beheerscontracten en in alle andere instrumenten voor de beleidsplanning van alle overheidsdiensten. België zal een van de weinige landen zijn met een zo vooruitstrevende wetgeving.

De vrouwenraden eisen al lang een systematische, gestructureerde integratie van het genderaspect op alle vlakken van het politieke bedrijf. De goedkeuring van het voorontwerp is een eerste stap. Uiteindelijk moet de integratie van de genderdimensie een automatisme worden, waarvoor geen wet meer nodig is.

De raden vragen het Parlement waakzaam te zijn wanneer de voorwaarden van de tenuitvoerlegging van het evaluatieverslag worden besproken. Het is zeker niet de bedoeling om nog meer administratief werk te creëren. Niet alle regelgeving moet worden geëvalueerd maar er moet wel voorzichtig worden omgesprongen met mogelijke uitzonderingen en afwijkingen.

De vrouwenraden vragen ook al lang om genderbudgeting. Bij elk ontwerp van algemene uitgavenbegroting zal een gendernota moeten worden gevoegd, die voor elk departement de kredieten uiteenzet.

Een andere belangrijke stap voorwaarts is de gendermainstreaming van de statistieken. De openbare diensten moet erop toezien dat alle relevante statistieken die zij maken of verzamelen over een bepaalde kwestie worden opgedeeld volgens geslacht en dat genderindicatoren worden vastgesteld. Op basis daarvan kunnen genderneutrale maatregelen worden genomen.

Bij het begin van de zittingsperiode moeten strategische doelstellingen inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen worden vastgesteld. De raden zijn graag bereid om hier hun deskundig advies te laten horen. Bij het begin van de zittingsperiode stellen zij een gedetailleerd memorandum op met hun eisen, die met name gericht zijn op de doelstellingen van Peking en de CEDAW.

De vrouwenraden vragen bijgevolg dat het hier besproken voorontwerp van wet snel wordt goedgekeurd.

Net als mevrouw Willame pleit de voorzitster ervoor dat de concepten gendermainstreaming, genderbudgeting en genderstatitistieken snel in concrete lokale initiatieven zouden worden omgezet. Te veel gemeenten weten helemaal niets af van genderkwesties.

Het tweede prioritair punt betreft het Europees Genderinstituut. Dat moet in Brussel worden gevestigd. Om echt invloed te hebben moet dat instituut zich immers bevinden op de plaats waar alle besluitvormingsorganen van de Europese Unie gevestigd zijn : de Commissie, het Parlement, enz. Dit instituut is ermee belast de gendergegevens afkomstig van alle lidstaten te centraliseren en te analyseren en instrumenten te ontwikkelen voor de gendermainstreaming in het gemeenschapsbeleid. Daarnaast zal het activiteiten organiseren om een dialoog aan te gaan en informatie te verspreiden via een documentatiecentrum.

De vrouwenraden hebben zich tot de ministers en de diplomaten gewend om de kandidatuur van België als vestigingsplaats voor dit instituut te steunen. Er moeten dringend stappen worden ondernomen om dit voorstel te steunen. De raden stellen zelfs een precieze plaats voor, namelijk het gebouw in de Middellijnstraat nr. 22, in de wijk waar ook Amazone zich bevindt. Die keuze wordt ook verdedigd door de Raad voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Het is een leeg gebouw, dat wordt beheerd door de Regie der Gebouwen, en dat kan worden verhuurd aan de Commissie. Als Brussel wordt gekozen als vestigingsplaats voor het Instituut, is dat voor iedereen voordelig : besparingen op gemeenschaps- en nationaal niveau en makkelijkere contacten tussen alle politieke actoren.

De NVR vraagt de senatoren om de bevoegde minister zo snel mogelijk te ondervragen over deze kwestie. Meerdere landen hebben zich al kandidaat gesteld, namelijk Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en Finland.

C. Gedachtewisseling

Vragen

Mevrouw Zrihen stelt voor om minstens tweemaal per jaar een ontmoeting met de vrouwenraden te organiseren om toezicht te houden op de voortgang van de dossiers en waar nodig de gemaakte keuzes aan te passen.

Sedert enkele jaren worden gendermainstreaming en genderbugeting naar voren geschoven als leiddraad van het politieke bedrijf, maar al te vaak wordt tegengeworpen dat de tenuitvoerlegging van die principes ingewikkeld is, duur is, enz. De senator meent dat indien er een analysefout is gemaakt, men niet kan weigeren die recht te zetten omdat dat te veel werk zou meebrengen of te veel geld zou kosten.

Mevrouw Zrihen is ook bezorgd over het opgaan van het beleid inzake gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het meer algemene diversiteitsbeleid. Als men concrete resultaten wil boeken, moet in de projecten duidelijke aandacht gaan naar de « vrouwen ». Zij vraagt zich overigens af of er in het gelijkheidsbeleid inzake werkgelegenheid geen bijzondere aandacht moet gaan naar vrouwen van vreemde afkomst, want die worden dubbel gediscrimineerd.

Tot slot kan er geen sprake van zijn dat het bescheiden budget dat aan het beleid voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen is toegekend, voor andere, bredere doeleinden zou worden gebruikt.

Mevrouw Geerts stelt vast dat het memorandum van de raden veel eisen bevat, waaronder bepaalde die gevolgen hebben op plaatselijk niveau. Hebben de raden geen specifieker memorandum opgesteld voor de plaatselijke mandatarissen ?

Het is belangrijk dat het Instituut voor de gelijkheid de taken op zich neemt die niet door andere instellingen worden uitgevoerd. Is er op dit vlak vooruitgang te bespeuren ?

Mevrouw de Bethune pleit er ook voor om regelmatig, bijvoorbeeld tweemaal per jaar, de vrouwenraden te ontmoeten.

Wat het Europees Instituut betreft : moet er snel worden ingegrepen ? Wat vinden de voorzitters van de raden ? Er zouden eventueel gebundelde vragen om uitleg aan de minister kunnen worden gesteld, zodat er in de plenaire vergadering een « mini-debat » ontstaat.

Het voorontwerp van wet dat door de minister van Gelijke Kansen is voorgesteld is een goede tekst. Het probleem is dat het aan de vooravond van het parlementair reces zal worden ingediend. Er moet absoluut voor worden gezorgd dat de wet nog vóór het einde van de zittingsperiode wordt aangenomen.

De organisatie van de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen valt onder de bevoegdheid van de gewesten. Wat kunnen we concreet doen op het niveau van het federaal Parlement ?

De campagne naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de vrouwenraden was opmerkelijk. Welk voordeel hebben de raden hieruit gehaald ? Hoe kan deze dynamiek langer worden behouden ?

De senator merkt nog op dat er in België geen monument is ter ere van het vrouwenstemrecht. Dit is een zeer concreet initiatief dat in het kader van de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen kan worden genomen.

Mevrouw Bouarfa deelt de bezorgdheid die zowel door de raden als door de andere senatoren is uitgedrukt met betrekking tot het opgaan van de gelijkheidsproblematiek in de diversiteitsproblematiek. De doelen die tot nog toe zijn bereikt zijn fragiel en er moet op alle vlakken worden verder gestreden voor de gelijkheid van mannen en vrouwen.

Het is niet zeker dat de pariteit op de kieslijsten zal volstaan om te zorgen voor vrouwelijke verkozenen bij de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen. Men weet dat de halvering van het devolutieve effect van de lijststem niet in het voordeel van de vrouwen zal spelen. De akkoorden binnen de partijafdelingen zijn nadelig voor de vrouwen.

In dit verband wil de senator de aandacht vestigen op een discriminerende situatie. Bij het naderen van de verkiezingen stelt men vaak vast dat er meer mannen aanwezig zijn op plaatsen waar erediensten worden gehouden. In de synagoog of de moskee mogen vrouwen echter niet het woord nemen. Men moet verkiezingspropaganda op plaatsen waar erediensten worden gehouden dus absoluut verbieden.

Mevrouw Laloy vindt dat men de aandacht van de gemeentelijke verkozenen moet vestigen op de kwestie van de collectieve voorzieningen. Men heeft het moeilijk wat dit betreft om een bepaald quotum van kwaliteitsvolle uitrustingen te halen. Privé-crèches zijn duur. Dit schept ongelijkheid wat de toegang tot de arbeidsmarkt betreft.

Dit is geen nieuw probleem, maar het is nutteloos de openbare diensten hiervan opnieuw bewust te maken.

Mevrouw Pehlivan, voorzitter, verbaast zich erover dat bij de bespreking van de prioriteiten in de beide raden de allochtone vrouwen niet aan bod kwamen. Deze vrouwen zijn vaak tweemaal slachtoffer, omdat ze én vrouw én van vreemde afkomst zijn. Het meest opvallende voorbeeld is dat van hun toegang tot de arbeidsmarkt. Werken de raden rond deze doelgroep ? Hebben ze een advies of concrete voorstellen voor het adviescomité ?

Men heeft erop gehamerd dat het concept « diversiteit » dit van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet mag overschaduwen. De senator heeft echter de indruk dat het in feite omgekeerd is en dat bij het onderwerp « diversiteit » vooral wordt gefocust op de situatie van de vrouw. Zij geeft het voorbeeld van de farmaceutische firma Janssens, waar het diversiteitsplan vooral gericht is op het verhogen van de vrouwelijke aanwezigheid op alle niveaus van het bedrijf.

Antwoorden

Mevrouw Willame-Boonen, voorzitter van de CFFB, is verheugd over het voorstel om regelmatige ontmoetingen te organiseren. Dit zal de commissies natuurlijk motiveren om zich over een aantal onderwerpen te buigen en met concrete voorstellen naar voren te komen, die in het Parlement verdedigd kunnen worden.

Wat de ongelijkheid van lonen betreft en de allochtone vrouwen, heeft de CFFB op 21 december 2005 een colloquium georganiseerd over de vrouwen uit het gebied ten zuiden van de Sahara. De aanwezige vrouwen waren uiterst hoog gekwalificeerd, hadden doctoraten behaald, maar waren toch werkloos. De CFFB denkt samen met de MRAX na over het idee om op de arbeidsmarkt quota op te leggen, maar de MRAX zelf is hierover verdeeld.

De CFFB is zich ervan bewust dat de gemeenteraadsverkiezingen onder de gewestelijke bevoegdheid vallen. De commissie « Brussel Hoofdstad » van de CFFB heeft met het oog op die verkiezingen en in samenwerking met minister Grouwels een charter opgesteld. Het charter wordt door de politieke commissie herwerkt, om uiteindelijk een gemeenschappelijk charter op te leveren, waarvan de tekst aan alle kandidaten in Wallonië en Brussel zal worden gestuurd.

De federale parlementsleden zouden de aandacht op dit charter kunnen vestigen.

De raden hebben naar de eerste minister en de minister van Financiën geschreven, om te vragen dat het Europees genderinstituut in Brussel wordt gevestigd, maar het spreekt vanzelf dat initiatieven uit parlementaire hoek welkom zijn.

Veel Europese parlementsleden hebben benadrukt dat de regering zich moet inzetten om die vraag te steunen, aangezien de nieuwe lidstaten van de Europese Unie ook allemaal een deel van de koek willen.

Mevrouw Willame deelt de bezorgdheid van mevrouw de Bethune inzake de laattijdige indiening van het wetsontwerp van minister Dupont.

De honderdste verjaardag van de vrouwenraden heeft het hele jaar tot prachtige initiatieven geleid. Deze viering was uiterst belangrijk om de beweging levend te houden. Er zou immers gezegd kunnen worden dat honderd jaar wel genoeg is. Er moest dus absoluut aan herinnerd worden wat de bedoeling van deze raden is. De concrete verwezenlijking van dit jaar was het sluiten van een overeenkomst met het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, waardoor de raden gedurende drie jaar subsidie ontvangen.

De voorzitsters van de twee raden hebben de burgemeesters van alle Belgische gemeenten aangeschreven om hen voor te stellen een « Marie Popelin » monument op te richten. De antwoorden waren divers, maar de burgemeester van Sint-Joost heeft gezegd aan de gemeenteraad te willen voorstellen om een standbeeld op het gemeenteplein op te richten en een straat naast het Noordstation naar Marie Popelin te noemen.

De opmerking over de verkiezingspropaganda op de plaatsen waar de eredienst wordt uitgeoefend zal worden overgezonden naar de commissie « Vrouwen en Migratie ».

Tot slot klopt het dat sommige ondernemingen die van meer openheid voor de vrouwen blijk willen geven, dat aspect in een « diversiteitsplan » opnemen. Het is echter beter een label « Gelijkheid tussen mannen en vrouwen » in het leven te roepen, naast een diversiteitslabel.

Mevrouw Van der Wildt bevestigt de voorbereiding van een memorandum over het lokale niveau, met het oog op de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen. De NVR heeft de Vlaamse minister van gelijke kansen gevraagd op provinciaal niveau ontmoetingen te organiseren om de thema's gelijke kansen, gendermainstreaming en genderbudgetting aan te snijden.

Wat de campagnes betreft is een eerste fase met het opstellen van de verkiezingslijsten afgelopen. We weten dat volgende vraag gewoonlijk gesteld wordt : Waar vinden we vrouwen om de lijst vol te krijgen ? De NVR heeft een omgekeerde, positieve benadering voorgesteld met de campagne « Vrouw zoekt goede partij ». Het doel is vrouwen ertoe aan te zetten zich kandidaat te stellen.

Een tweede stap moet het organiseren van een « Stem vrouw »-campagne zijn. Er zijn geruchten over een campagne voor diversiteit, maar de vrouwenraden zullen middelen vrijmaken om een specifieke vrouwencampagne te organiseren.

Uiteraard is de NVR gewonnen voor een groter aanbod van collectieve uitrusting, maar dat is een probleem dat goed weergeeft dat men als samenleving moet weten wat men wil. Als men collectieve uitrusting wil, moet men een beleid voeren dat op die doelstelling is afgestemd. Het nadeel van de maatregelen voor loopbaanplanning zoals de loopbaanonderbreking, het ouderschapsverlof, enz., is dat ze de vrouw in de rol blijven duwen van de persoon die voor de kinderen, de bejaarde ouders, enz. moet zorgen. Vóór men de weerslag van een maatregel op het gebied van de gelijkheid meet, moet men het soort beleid bepalen dat men wil voeren.

Om de toegang van de allochtone vrouwen tot de arbeidsmarkt te verbeteren, heeft de NVR het beginsel van de anonieme sollicitatie in zijn programma opgenomen. Misschien een schuchtere maatregel, maar toch een eerste stap.

Op verzoek van de Vlaamse minister houdt de NVR ook sinds een jaar een reflectie over de mogelijkheid om samen te werken met de verenigingen voor allochtone vrouwen en het platform van de NVR tot die vrouwen en vrouwenverenigingen uit te breiden. Er heeft een opleidingssessie plaatsgevonden.

Het nemen van een initiatief voor de locatie van het Europees Instituut voor Gendergelijkheid is dringend, want waarschijnlijk zal de zaak worden aangekaart op de Europese top van 23 en 24 maart eerstkomend.

De verhouding met het Belgisch Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ligt nu vast in een protocolakkoord dat de taken van het Instituut en die van de vrouwenraden in grote lijnen bepaalt. Als tegenprestatie kunnen de raden gedurende drie jaar rekenen op een bescheiden subsidiëring.

Vorig jaar werd het honderdjarig bestaan van de vrouwenraden gevierd en dat was heel positief, maar men voelt reeds tegenwind. De basis van de vrouwenbeweging is heel smal geworden. De pers doet nog een beroep op de vrouwenraden als deskundigen in bepaalde materies en de raden spannen zich in om hun deskundigheid te blijven ontwikkelen. We stellen niettemin vast dat de belangstelling voor de zaak verzwakt, terwijl de pers uiteraard een essentieel middel is om de publieke opinie bewust te maken.

Politiek zijn de vrouwenraden nog steeds erkende gesprekspartners, maar aan Vlaamse kant worden ze alvast steeds verder beperkt door een resultaatverbintenis ten opzichte van het kabinet van de minister. Op die manier is het moeilijk zich nog kritisch uit te spreken.

Het belangrijkste positieve punt aan die viering is de weerslag op de ledenverenigingen die zich gestimuleerd, aangemoedigd gevoeld hebben om opnieuw met de vrouwen rond bepaalde thema's te werken.

Mevrouw Willame-Boonen vestigt er de aandacht op hoe moeilijk de vrouwenraden het hebben om hun bestaan te blijven rechtvaardigen. Dankzij de overeenkomst met het Instituut hebben de raden financieringswaarborgen voor de komende drie jaar. De onrust blijft echter. Bovendien put het Instituut uit de conclusies van de commissies van de raden thema's waarrond zijn eigen werkgroepen met veel aanzienlijker middelen werken. Het instituut is echter een administratie. Aanklagen, de publieke opinie wakker schudden is een rol die alleen de raden kunnen spelen.

II.2. Ontmoeting met het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen

A. Uiteenzetting van mevrouw Veerle Pasmans, adjunct-directrice van het Instituut

Het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen kent subsidies toe aan vier organisaties : de Nederlandstalige Vrouwenraad, de Conseil des Femmes francophones de Belgique, Sofia en Amazone. Deze subsidies worden jaarlijks vernieuwd.

In 2005 heeft de Raad van Bestuur van het Instituut, na opmerkingen van het Rekenhof, geoordeeld dat het nuttig zou zijn nieuwe conventies af te sluiten met deze vier structurele organisaties. Deze conventies zouden gelden voor drie jaar en zouden voor deze periode de grote lijnen van de activiteiten van de organisaties en het Instituut vastleggen. Het is de bedoeling dat de organisaties en het Instituut zo complementair mogelijk zouden werken. Dit vergde veel onderhandelingen tussen alle partijen en riep behoorlijk wat vragen en bedenkingen op. Er moest rekening gehouden worden met de doelgroepen en met de missieverklaringen van de organisaties. De hamvraag was hoe de activiteiten zo konden worden ontwikkeld dat het bereik van de organisaties en van het Instituut gemaximaliseerd kon worden. Er moest daarom zo veel mogelijk worden vermeden dat eenzelfde activiteit door verschillende organisaties werd ontwikkeld.

Om dit te bereiken werden er eerst bilaterale onderhandelingen gehouden, waarbij het Instituut telkens met één partner aan tafel zat. Later volgde een gesprek waarbij alle partners aanwezig waren. Vervolgens werden de conventies opgemaakt en ondertekend. Binnen drie jaar zullen zij geëvalueerd worden.

De conventie met de vrouwenraden tracht in de eerste plaats om de Nederlandstalige en de Franstalige vrouwenraden zoveel mogelijk te betrekken bij de activiteiten en de ontwikkeling van de activiteiten van het Instituut. Zo zijn beide vrouwenraden aanwezig in het begeleidingscomité van alle onderzoeken die door het Instituut worden uitgevoerd, waardoor zij een inbreng hebben in de ontwikkeling van de onderzoeken. Verder worden zij systematisch uitgenodigd voor begeleidingscomités van andere activiteiten, zoals bijvoorbeeld bij de oprichting van het begeleidingscomité rond het thema gelijke beloning.

Op de organisatie Sofia wordt een beroep gedaan bij het ontwikkelen van activiteiten rond de gender-dimensie in de universiteiten. Er werd hen ook gevraagd een kadaster te maken van alle studies en alle onderzoek rond genderdimensie in België. Het Instituut zorgt voor de nodige middelen voor de verdere actualisering en het beheer van dit kadaster.

De conventie met Amazone bevat vooreerst een overeenkomst over hun documentatiecentrum, waardoor het Instituut niet verplicht wordt zelf dergelijk centrum uit te bouwen. Verder werd met hen overeengekomen dat zij het Instituut op de hoogte houden van de ontwikkelingen van instrumenten inzake genderdimensies, specifiek gericht op NGO's, terwijl het Instituut Amazone op de hoogte houdt van de ontwikkeling van dergelijke instrumenten gericht op de federale overheid. Ook de expertise over gender-mainstreaming wordt gedeeld.

Er werd ook reeds vergaderd over de vraag of het mogelijk zou zijn in 2007 een gezamenlijk thema op te nemen, waar de vijf organisaties samen rond zouden werken. Binnenkort volgt hierover verder overleg. Het is de bedoeling om te evolueren naar een alsmaar nauwere samenwerking.

Mevrouw Pasmans wijst er op dat de conventies enkel de grote lijnen uitzetten en dat kleine aanpassingen mogelijk blijven. Verder verduidelijkt zij dat de conventies er gekomen zijn om boekhoudkundige redenen, na opmerkingen van het Rekenhof. Alhoewel de conventies opgemaakt werden voor drie jaar, wordt er per jaar een jaarplanning opgemaakt door de organisaties en het Instituut. De teksten van de conventies en de jaarplannen zijn voor iedereen beschikbaar (1) .

B. Gedachtewisseling

Vragen

Alhoewel mevrouw de Bethune niet betwijfelt dat het vanuit boekhoudkundig oogpunt opportuun is om te werken met conventies die drie jaar gelden, stelt zij zich de vraag hoever deze conventies kunnen gaan in het definiëren en evalueren van de inhoudelijke werking van de vrouwenraden. De vrouwenraden hebben immers een specifieke taak waarin zij moeilijk gecoacht kunnen worden. Of zijn de conventies loutere samenwerkingsakkoorden ?

Haar tweede vraag betreft de campagne en het programma van « 100 jaar vrouwenraden ». In welke mate werd dit ondersteund door het Instituut ? Werd er een bijkomende ondersteuning geboden bovenop de normale subsidies ? Laten de middelen van het Instituut bijvoorbeeld toe om een plan te ontwikkelen waaruit de strategische opties van de vrouwenraden voor de komende tien jaar kunnen worden gedistilleerd ?

De laatste vraag van de senator betreft artikel 4, 4º, van de wet van 16 december 2002 houdende oprichting van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Dit punt stelt dat het Instituut bevoegd is om « ondersteuning en bijstand te organiseren aan de verenigingen die actief zijn op het vlak van gelijkheid van vrouwen en mannen, of voor projecten tot bevordering van gelijkheid van vrouwen en mannen ». Is er nagedacht over hoe dit kan worden ingevuld, los van de conventies en specifiek ten opzichte van de vrouwenraden ?

Mevrouw Laloy wenst te weten wie of welk orgaan in het Instituut de onderhandelingen heeft gevoerd. Verder zou ze ook graag meer inzicht verwerven in de manier waarop de conventies tot stand zijn gekomen. Heeft het Instituut enkele van haar taken gedelegeerd, waarbij voor de verdeling rekening werd gehouden met de specialiteiten van elke organisatie, of werden de taken in een echt overleg verdeeld ? Wat is de visie achter de complementariteit van het Instituut en de organisaties die hier ter sprake komt ?

Haar laatste vraag gaat over de toenemende interesse van mannenverenigingen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Ziet het Instituut dit als een nieuw gegeven of een nieuwe realiteit waarmee rekening moet worden gehouden ?

Alhoewel mevrouw Zrihen achter het idee van een jaarplanning staat, stelt zij zich toch vragen over de duur en de opvolging van bepaalde dossiers. Hoe kan een dossier over verschillende jaren worden gespreid en hoe wordt het opgevolgd ? Zij zou ook heel concreet willen weten wat de organisaties hebben verkregen in ruil voor de conventies. Krijgen zij financiële ondersteuning, of meer personeel ? Ook vraagt zij hoe het Instituut zich de volgende jaren kan openstellen voor andere vrouwenorganisaties die ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren, zoals de Université des femmes. Zij stelt verder vast dat er de laatste jaren steeds meer bewegingen ontstaan tegen bijvoorbeeld vrouwenverminking, geweld op vrouwen en eremoorden. Op welke wijze kan het Instituut zelf het initiatief nemen om dergelijke meer omvattende programma's te realiseren ?

Mevrouw Pehlivan vraagt in welke mate het financiële aspect verbonden is aan het afsluiten van de conventie voor drie jaar. Kan dat financiële aspect nog bijgestuurd worden, bijvoorbeeld indien een organisatie een bijkomende opdracht krijgt of indien zij gespecialiseerd personeel nodig hebben voor het realiseren van een opdracht. Zij weet ook dat de Nederlandstalige Vrouwenraad zich meer wil toespitsen op de allochtone vrouwen. Zijn daarvoor ook bijkomende subsidies voorzien ?

Antwoorden

Mevrouw Pasmans zegt dat het Rekenhof een principiële opmerking heeft gemaakt over de subsidies, namelijk dat een overheidsdienst enkel subsidies kan geven aan een organisatie indien de activiteiten van deze organisatie overeenstemmen met de programmatie van de overheidsdienst. Om deze reden werd er gevraagd dat er een coherentie zou bestaan tussen de activiteiten van het Instituut en de activiteiten van de organisaties die subsidies ontvangen van het Instituut. Uiteraard moest het Instituut daarmee rekening houden, net zoals er rekening moest gehouden worden met de statuten van de organisaties zelf.

Alle vragen over de toekomst zijn uiteraard moeilijk te beantwoorden. In het verleden is het echter zo geweest dat, indien er voor één of andere bijzondere gelegenheid een extra impuls nodig was, die ook gegeven werd door het Instituut. Zij verwijst concreet naar de viering van 100 jaar Vrouwenraad en de Wereldvrouwenmars, die bijkomende middelen hebben gevraagd en gekregen.

Naast de structurele ondersteuning van de vier vrouwenorganisaties, beschikt het Instituut jaarlijks over een vast bedrag van 200 000 euro dat zij kunnen gebruiken voor het ondersteunen van elke initiatief dat aan de voorwaarden voldoet om ondersteuning te krijgen. Dit geeft hen de mogelijkheid om vooral experimentele werken te ondersteunen. In de conventie met Amazone werd er rekening mee gehouden dat de aan hen toegekende subsidies ook een aantal ondersteunende activiteiten omvatten die Amazone moet ontwikkelen voor de twee koepels en impliciet ook voor de vrouwenorganisaties. Zij moeten bijvoorbeeld een helpdesk ontwikkelen voor alle vrouwenorganisaties in verband met het indienen van binnenlandse of buitenlandse subsidieprojecten.

Het is niet zo dat het Instituut opdrachten heeft gedelegeerd. De conventies zijn er gekomen binnen het kader van, enerzijds, de opmerking van het Rekenhof en, anderzijds, de eigen statuten van de organisaties. De enige delegatie waarvan eventueel kan sprake zijn, is de hierboven vermelde rol van Amazone. Het Instituut ontwikkelt niet zelf een helpdesk, maar heeft dat gevraagd aan Amazone.

De onderhandelingen werden gevoerd door de directie van het Instituut en de voorzitster van de raad van beheer. Concreet werden zij uitgenodigd om deel te nemen aan de verschillende raden van beheer van de organisaties, waar dan tussen de directies werd onderhandeld.

Mevrouw Pasmans bevestigt dat er mannenorganisaties interesse hebben voor de werking van het Instituut. Dit heeft volgens haar te maken met de thema's die door het Instituut naar voren werden geschoven, bijvoorbeeld de studiedag « Geweld : een zaak van mannen », en waarbij het uitdrukkelijk de bedoeling was in debat te treden met mannen en mannenorganisaties. Over de vraag over hoe mannen betrokken kunnen worden bij het thema van de gelijkheid van mannen en vrouwen stelt mevrouw Pasmans dat dit geen probleem is. Alhoewel vrouwenorganisaties expliciet werken rond de rechten van de vrouw, is het Instituut er voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Uiteraard kunnen mannen dus evengoed beroep doen op het Instituut over situaties waarin zij menen gediscrimineerd te worden. En die situaties bestaan wel degelijk, zij het in mindere mate.

De jaarplannen vormen volgens de spreekster helemaal geen hindernis om op lange termijn te plannen, wel integendeel. De jaarplannen dienen net gebruikt te worden om de jaarlijkse concrete stappen te definiëren die nodig zijn om een lange termijnproject te realiseren. Als concreet voorbeeld kan hier het wetsontwerp over gender mainstreaming worden gegeven, waarvoor binnen het Instituut twee personen werden aangeduid die dit moeten opvolgen. Zij werkten instrumenten uit die nu kunnen worden gebruikt.

De raad van beheer heeft gepraat over de mogelijkheid om in de toekomst ook andere organisaties structurele subsidies te geven. Er werd beslist om nu een status-quo te behouden, en deze vraag opnieuw te evalueren binnen drie jaar. Indien er om een bepaalde urgente reden een vraag zou komen over het subsidiebedrag, dat ook vastgelegd werd voor drie jaar, of over de te subsidiëren organisaties, zal dit ongetwijfeld opnieuw door de raad van beheer worden onderzocht.

Mevrouw Pasmans merkt op dat het budget van het Instituut in 2006 50 000 euro lager lag dan in 2005. Er werd een verhoging van het budget gevraagd voor 2007, maar het is maar de vraag of dit zal worden toegekend. Ook om die reden zijn vragen over eventuele toekomstige subsidiëringen door het Instituut zeer moeilijk te beantwoorden, vermits het Instituut zelf nog niet weet over welke middelen het zal beschikken.

Wat betreft de doelgroep van de allochtone vrouwen kan het Instituut zelf het initiatief nemen een algemeen programma te ontwikkelen. De minister van Gelijke kansen heeft aan het Instituut en aan het Centrum voor gelijke kansen gevraagd welke initiatieven zij kunnen ontwikkelen en hoe zij kunnen samenwerken op dit gebied. Inzake de klachten is er nu reeds een goede samenwerking met het Centrum. Er is ook voorgesteld een comité van beide organisaties op te richten dat maandelijks zou samenkomen, de overlappende vragen zou bekijken en beslissen wie van beide organisaties de vraag behandelt. Er kan echter nog verder gediscussieerd worden over welke organisatie het best geschikt is om deze vragen te behandelen, of er een duidelijke taakverdeling moet komen. Dit ligt momenteel nog open.

Mevrouw de T' Serclaes vraagt of de vermindering van het budget van het Instituut het resultaat is van ene algemene besparing door de minister, dan wel een gewijzigde houding van de minister ten opzichte van het Instituut reflecteert ?

Mevrouw Pasmans is er van overtuigd dat vooral een technische reden aan de oorzaak ligt van het probleem. Het Instituut is een parastatale B en als zodanig ingeschreven bij het ministerie van tewerkstelling. Andere parastatales B zijn daar echter niet ingeschreven, waardoor zij meer onafhankelijk zijn. Het is binnen dergelijk groot systeem immers moeilijk een verhoging van het budget te bekomen.

Mevrouw de Bethune stelt voor op een later tijdstip uitgebreid in te gaan over de problematiek van de werking en de financiering van het Instituut. Het is immers niet de bedoeling dat het budget van het Instituut jaarlijks zou afnemen.

III. AANBEVELINGEN

1. Parlementaire opvolging van politieke eisen

Parlementaire opvolging van het « 100 punten-programma »

Het adviescomité neemt kennis van de prioriteiten van de vrouwenraden binnen hun 100punten-programma. De Nederlandstalige Vrouwenraad is hierbij uitgegaan van de twaalf thema's van het Peking Actieplatform :

— het uitwerken van beleidsinstrumenten ter ondersteuning van de gendergelijkheid, met name empowerment, gendermainstreaming, genderstatistieken en -budgetting;

— een gelijke verloning voor mannen en vrouwen;

— het glazen plafond doorbreken (1/3 vrouwen in bestuursmandaten en managementfuncties);

— gelijkheid thuis, en hoe mannen betrekken bij het gelijkekansenthema;

— gezondheid;

— dienst alimentatievordering;

— genderneutraal asielbeleid;

— nationaal actieplan in uitvoering van resolutie nr. 1325 van de VN-Veiligheidsraad;

— empowerment vrouwenorganisaties;

— mainstreamen van genderperspectief in het overheidsbeleid.

Het adviescomité beveelt de regering en het Instituut aan deze thema's hoog op de agenda te plaatsen en neemt zich voor deze aandachtig op te volgen.

Gemeente- en provincieraadsverkiezingen

Het adviescomité noteert dat beide vrouwenraden meermaals het belang onderstrepen van de komende lokale verkiezingen. Het adviescomité noteert dat de Nederlandstalige Vrouwenraad een lokaal memorandum opstelt met de steun van de Vlaamse regering. Tevens hebben de CFFB en de NVR op uitnodiging van de Brusselse regering een charter opgesteld om de vrouwen van Brussel aan te moedigen deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen.

Recent wetenschappelijk onderzoek in opdracht van het Instituut heeft nogmaals de nood aan het licht gebracht voor bijzondere acties voor meer vrouwen in de politiek, zeker op het lokale niveau. Het adviescomité treedt de vrouwenraden bij in hun eis om steun te krijgen van de federale regering en van het Instituut om ook voor deze lokale verkiezingen een ruime « Stem vrouw » campagne te lanceren.

Het adviescomité beaamt dat de specifieke beleidsinstrumenten ter ondersteuning van de gendergelijkheid, met name empowerment, gendermainstreaming, genderbudgetting en genderstatistieken, vertaald worden op alle niveaus met inbegrip van het lokale niveau. Het adviescomité pleit ook voor een versterking van het materiële gelijkekansenbeleid op lokaal niveau onder andere door meer aandacht voor collectieve voorzieningen en een evaluatie van de kieswet. Het adviescomité vraagt het Instituut en de regering dit verder op te volgen in nauwe samenwerking met de vrouwenraden, de politieke vrouwengroepen en de vrouwenbewegingen.

Federale gelijkekansendossiers in de actualiteit

Het adviescomité noteert dat de vrouwenraden bijzondere aandacht vragen voor twee belangrijke actuele dossiers en hiervoor hun volle steun geven aan de federale minister bevoegd voor Gelijke kansen.

Het adviescomité beaamt de positieve evaluatie van de vrouwenraden over het wetsontwerp strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de wereldvrouwenconferentie die in september 1995 in Peking heeft plaatsgehad en tot integratie van de genderdimensie in het geheel van de federale beleidslijnen (2) , goedgekeurd op de Ministerraad van 27 januari 2006 en in tweede lezing op 5 mei 2006. Het adviescomité pleit ervoor dat dit ontwerp met spoed in het Parlement wordt besproken zodat deze voor het einde van deze legislatuur nog kan gestemd worden.

Het adviescomité vraagt met aandrang aan de regering om binnen de Europese Unie te pleiten voor een definitieve vestigingsplaats van het Europees genderinstituut in Brussel.

Diversiteit versus gendergelijkheid

Het adviescomité deelt de bezorgdheid van de vrouwenraden dat het diversiteitsbeleid niet in de plaats kan treden van het gelijkekansenbeleid voor mannen en vrouwen. Vrouwen komen vaak in de schaduw te staan van andere doelgroepen van het gelijkekansenbeleid : allochtonen, holebi's, gehandicapten, ouderen en jongeren.

Het adviescomité pleit wel uitdrukkelijk voor een versterking van het doelgroepenbeleid, in het bijzonder naar migrantenvrouwen toe maar dan duidelijk gekaderd binnen het gendergelijkheidsbeleid.

2. Ondersteuning van de vrouwenraden

Het adviescomité uit haar waardering voor het zeer geslaagde « viering-jaar ».

Het adviescomité moedigt de vrouwenraden aan om krijtlijnen uit te zetten voor de toekomst van de vrouwenbeweging en het feminisme in het perspectief van de vijfde wereldvrouwenconferentie in 2010.

Het adviescomité stelt met voldoening vast dat het Instituut met beide vrouwenraden een conventie of beheersovereenkomst heeft ondertekend die de vrouwenraden een minimum aan financiële zekerheid geeft voor de komende drie jaren.

Het adviescomité neemt nota van de informatie dat op basis van de opmerking van het Rekenhof deze formule van een conventie vereist was. Immers, volgens het 106e boek van het Rekenhof 2003-2004 is een subsidie « een beleidsinstrument waarmee de overheid de totstandkoming van de activiteiten ondersteunt die bijdragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen die zonder die tegemoetkomingen niet of niet in dezelfde mate zouden worden gerealiseerd ». Bovendien moet er een « duidelijk verband zijn tussen de individuele subsidie en het begrotingsprogramma waarin ze past ».

Het adviescomité is verheugd over de aanneming van deze conventie, die een werkelijke taakverdeling tussen het Instituut en de vrouwenraden instelt. De conventie houdt immers rekening met de eigen bevoegdheden van de verschillende partijen zodat zij in de toekomst op een complementaire in plaats van rivaliserende manier zouden werken. Het is belangrijk dat de verschillende rollen van elkeen benadrukt worden. Men kan geen hiërarchie of reglementering opleggen aan de nationale raden, die de kritische stem van de basis moeten vertegenwoordigen. Het is logisch dat sommige ondersteunende, logistieke opdrachten van de vrouwenbeweging aan Amazone toevertrouwd worden.

Wat betreft het strategisch plan van het Instituut voor 2005-2007, stelt het adviescomité vast dat het Instituut een echt forum wil zijn voor het overleg en de gedachtewisseling met onder andere de vrouwenorganisaties en de koepelorganisaties. Het comité wenst echter dat deze ontmoetingen uitmonden in concrete ideeën over de manier waarop het Instituut steun kan bieden aan de verenigingen en nationale raden om de vrouwenbeweging een nieuwe impuls te geven. In overeenstemming met een van de belangrijkste besluiten van het Actieprogramma van Peking, dringt ook het adviescomité in het bijzonder aan op deze noodzaak om de vrouwenbeweging een nieuwe impuls te geven.

Wat het financiële aspect van de conventie betreft, vestigt het comité de aandacht van de regering op de huidige subsidiëring van de vrouwenraden. Hoewel het een goede zaak is dat deze subsidiëring de financiële autonomie van de vrouwenraden voor drie jaar waarborgt, stelt men niettemin vast dat het bedrag (30 000 euro per jaar) ontoereikend is om de vele opdrachten van de raden te financieren.

Een aanvullende structurele financiering van de raden dringt zich dan ook op. Het adviescomité denkt in het bijzonder aan een professionalisering van de raden, die de personeelsleden de nodige stabiliteit en een degelijk statuut moet waarborgen. Deze financiering zal de raden bovendien in staat stellen om helemaal onafhankelijk op te treden, wat van fundamenteel belang is voor de ontwikkeling van de democratie en van de democratische processen.

Het adviescomité pleit bovendien voor de toekenning van een specifiek budget zodat de raden, in het verlengde van hun honderdjarig bestaan, onderzoek kunnen verrichten om een wetenschappelijk onderbouwde strategie voor de toekomst uit te werken.

Er moet echter op gewezen worden dat de subsidiëring van de raden door het Instituut rechtstreeks afhangt van de dotatie die de overheid aan het Instituut toekent. Het adviescomité pleit met andere woorden voor een verhoging van de dotatie aan het Instituut in 2007.

Om al deze redenen wenst het adviescomité dat men halverwege de termijn een evaluatie uitvoert van de conventie tussen het Instituut en de vrouwenraden, zodat een en ander eventueel bijgesteld kan worden.

3. Het adviescomité voor gelijke kansen

Dialoog met de vrouwenkoepels

Het adviescomité neemt zich voor om jaarlijks bijeen te komen met de koepels van de vrouwenbewegingen en een rapport hierover te maken.

Ondersteuning van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen

Het adviescomité maakt zich grote zorgen over het feit dat de dotatie aan het Instituut al sinds het tweede jaar gedaald is. Het in december 2005 goedgekeurde voorstel van begroting 2006 werd nog twee maal aangepast. Een eerste maal bij de begrotingsopmaak werd een vermindering van 21 000 euro doorgevoerd en bij de begrotingscontrole werd een lineaire vermindering van 1,1 % doorgevoerd. Daarnaast moet het Instituut, zoals de andere parastatalen een egalisatiebijdrage voor de pensioenen van zijn ambtenaren betalen. Voor 2005 bedroeg dit ongeveer 7 000 euro.

Het adviescomité meent dat deze trend moet worden omgebogen.

In dit kader meent het adviescomité dat ook de technische kwesties in dit verslag aan bod moeten komen, met name of het Instituut als parastatale B wordt opgenomen in de begroting van de federale overheidsdienst Tewerkstelling en Arbeid in tegenstelling tot andere parastatales B die afzonderlijk worden opgenomen in de begroting.

IV. STEMMINGEN

De aanbevelingen worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Stéphanie ANSEEUW. Sabine de BETHUNE. Fatma PEHLIVAN.

BIJLAGEN

1. Federale eisenpakket/100-puntenprogramma

2. Verslag en evaluatie van de activiteiten van 100-jarige viering

3. Beheersovereenkomsten tussen het Instituut en de vrouwenraden

4. Charter van de Commissie « Brussel Hoofdstad » van de Raad op initiatief van de Brusselse regering

ANNEXE / BIJLAGE 1

ANNEXE / BIJLAGE 2

ANNEXE / BIJLAGE 3.1

Convention entre l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, ci-après dénommé l'Institut, dont le siège administratif est situé à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blerot 1, représenté par Marianne Vergeyle, présidente du Conseil d'administration de l'Institut et Michel Pasteel, vice-président, et l'Asbl Conseil des Femmes Francophones de Belgique dont le siège est à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, ci-après dénommé le CFFB, représenté par Magdeleine Willame-Boonen, présidente.

Il est convenu ce qui suit :

1. Cadre de la convention

Conformément aux dispositions de la loi du 16 décembre 2002, l'Institut a pour objet :

Art. 3, § 2 : Dans l'accomplissement de sa mission, l'Institut dialogue et collabore avec les associations, institutions, organes et services dont l'action se situe, exclusivement ou en partie, en ce même domaine ou qui sont immédiatement associés à l'accomplissement de ladite mission.

Art. 4, 4º : L'Institut est habilité à organiser le soutien aux associations actives en matière d'égalité des femmes et des hommes ou les projets ayant pour finalité la réalisation de l'égalité des femmes et des hommes.

Art. 4, 10º : L'Institut est habilité à élaborer une structure de réseau avec les différents acteurs dans le domaine de l'égalité des femmes et des hommes.

En outre, il est mis en exergue dans la vision du plan stratégique de l'Institut 2005-2007 que l'Institut veut être le carrefour privilégié de concertation et d'échange, notamment avec les organisations féminines et les organisations de coordination en particulier.

Ce contrat a pour objectif de sécuriser et clarifier l'affectation des subventions et permet à l'Institut de savoir clairement ce qu'il peut attendre du CFFB.

Concrètement, le CFFB doit établir un plan pluriannuel qui servira de base pour les négociations sur les objectifs pour lesquels des subventions seront accordées les années suivantes.

Outre les missions structurelles faisant l'objet de ce contrat, l'Institut peut encore

subventionner des projets ponctuels en cohérence avec les objectifs annoncés et en supporter les coûts spécifiques, lorsque le CFFB adresse une demande de collaboration dans les délais indiqués par l'Institut.

2. Cadre stratégique

2.1. L'Institut

L'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes a été créé comme parastatal B en décembre 2002 (loi du 16 décembre 2002) et a pour objet de promouvoir l'égalité des femmes et des hommes et de combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur le sexe. Dans le cadre de son plan stratégique, l'Institut a formulé 5 objectifs :

— Veiller au respect de l'égalité des femmes et des hommes et combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur le sexe.

— Développer et promouvoir, en concertation avec les acteurs concernés, des outils, instruments, réseaux nécessaires pour mettre en œuvre le gender mainstreaming.

— Préparer et exécuter les décisions du gouvernement, et assurer le suivi des politiques européennes et internationales, sous l'autorité du ministre de tutelle.

— Faire, soutenir, développer et coordonner l'expertise sur les thématiques classiques et émergentes de l'égalité des femmes et des hommes.

— Mettre en place une organisation adéquate, y compris les services de soutien indispensables au fonctionnement adéquat d'une institution autonome.

Dans le cadre de sa mission légale, le Conseil d'administration de l'Institut décide de conclure une convention pour une période de 3 ans, prenant cours le 1er janvier 2006 et venant à échéance le 31 décembre 2008.

L'Institut exerce le contrôle sur la politique et le fonctionnement des Asbl qui sont financées par les moyens octroyés par l'Institut. Ce contrôle a pour objet :

— la surveillance et le contrôle sur la mise en œuvre de la convention;

— la surveillance et le contrôle sur l'affectation des moyens publics.

2.2. Le Conseil des Femmes Francophones de Belgique

Conformément à ses dispositions statutaires, l'objet du CFFB contient les dispositions suivantes :

— être une plate-forme de concertation et de débat dans le but de formuler des points de vue et des avis;

— informer et sensibiliser les citoyennes, citoyens et les pouvoirs publics;

— exercer une pression en faveur de l'égalité des chances et de la promotion de la femme;

— offrir aux membres les services suivants : défense d'intérêt des femmes, dossiers bien préparés, appui logistique, un outil de liaison et d'information via le magazine et le site Internet.

3. Les missions

3.1. Missions structurelles

Le CFFB reçoit une subvention pour les missions structurelles suivantes qui s'inscrivent dans l'objet statutaire du CFFB et s'alignent également sur les missions légales et les objectifs stratégiques de l'Institut :

— initier et coordonner des projets relatifs à la mise en œuvre effective de la plate-forme d'action de Pékin;

— et assurer la représentation des organisations francophones et promouvoir l'échange entre les organisations féminines et l'Institut.

Ce qui signifie concrètement :

— la représentation de l'association dans les groupes de travail, groupes d'experts et autres comités créés à l'initiative de l'Institut. Le CFFB s'engage à y détacher une représentante à la demande de l'Institut.

— La participation aux initiatives du gouvernement et/ou politiques fédérales égalité des chances h/f dans le cadre du gendermainstreaming et politique transversale.

— La diffusion de l'information sur le suivi de la plate-forme de Pékin auprès des membres de l'association.

4. Financement

La contribution financière de l'Institut consiste à financer les missions structurelles et les activités susmentionnées.

Les activités et missions structurelles susmentionnées sont approuvées pour une période de 3 ans prenant cours le 1er janvier 2006 et expirant le 31 décembre 2008.

Le budget total pour les activités et missions structurelles susmentionnées est fixé sur une base annuelle de 30 000 euros.

Ce montant comprend tous les frais afférents au projet, taxes et charges comprises. Il comporte la participation d'une délégation de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes aux activités organisées par l'association.

Pour autant que toutes les dispositions contractuelles de la présente convention et les annexes soient strictement respectées par le promoteur, l'Institut versera 30 000 euros, indexé chaque année de 2 % (indexation légale pour les salaires) sur le compte 310-1660827-79 du CFFB avec la communication « Subvention Institut — ... » et ce selon les modalités de paiement ci-dessous.

1) L'Asbl « Conseil des Femmes Francophones de Belgique » introduit un budget pour les activités et missions structurelles susmentionnées au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de la convention (soit pour 2006 : au plus tard au 1er décembre 2005). Dans ce budget, les coûts pour les activités et missions structurelles subventionnées sont ventilées par poste (par exemple, frais du personnel, frais de fonctionnement directs, frais de fonctionnements indirects).

2) 80 % du financement demandé sera versé directement après l'approbation des missions structurelles susmentionnées et du budget et au plus tard 2 mois après l'introduction du budget (soit pour 2006 : au plus tard le 31 janvier 2006).

3) Les 20 % restants seront versés après évaluation positive d'un rapport final financier, au plus tard fin mars 2007 et de fond introduit par l'ASBL CFFB lequel montrera que les résultats/indicateurs proposés ont été réalisés. Des indicateurs ou des résultats seront indiqués dans la description des missions structurelles susmentionnées et dans l'établissement du budget. Le rapport financier et de fond sera déposé par l'ASBL CFFB au plus tard un mois après le terme de chaque exercice (soit pour 2006, au plus tard pour la fin mars 2007). L'ASBL CFFB s'engage dans son rapport financier à présenter toutes les pièces justificatives originales. L'Institut a le droit de réclamer tous les moyens pour lesquelles aucune pièce justificative originale ne peut être présentée.

5. Rapport

L'ASBL « Conseil des Femmes Francophones de Belgique » est tenue chaque année de publier un rapport financier et de fond sur les activités menées ayant pour échéance le 15 janvier 2006.

Ces rapports doivent mentionner toutes les activités et transactions financières des missions structurelles et du projet.

L'Institut se réserve le droit d'apprécier si le rapport de fond présenté est suffisamment détaillé pour pouvoir évaluer les résultats obtenus des missions et/ou si les données fournies ont été collectées en vertu des dispositions de la convention. Par ailleurs, il peut à tout moment demander les informations complémentaires qu'il juge utiles.

L'ASBL CFFB instaure une organisation administrative qui est conforme aux dispositions légales applicables dans le cadre de la Loi sur les ASBL et des arrêtés d'exécution afférents à la comptabilité.

L'ASBL CFFB fait chaque année appel à un réviseur pour contrôler les comptes annuels et le bilan.

Après un contrôle ou un audit, le CFFB doit se conformer aux adaptations et recommandations formulées par l'Institut. (Il s'agit en pratique de recommandations transmises par les réviseurs d'entreprise Nielandt et co, annexées à ce projet de convention.)

Déclaration signée

Le responsable du promoteur doit pour chaque décompte final joindre une déclaration signée confirmant :

— que les missions structurelles susmentionnées et le projet ont été réalisés et que le décompte annexé est le décompte final qui contient toutes les dépenses et rentrées des missions structurelles et des activités, taxes et charges comprises (dont la taxe sur la valeur ajoutée);

— que toutes les dépenses introduites concernent effectivement les missions structurelles susmentionnées et le projet;

— que ni les dépenses directes ni les dépenses indirectes, sauf le cofinancement prévu, ont été financées par une autre forme de ressources et que celles-ci ne sont par conséquent pas doublement subventionnées;

— que tous les originaux des justificatifs comptables et administratifs sont mis à disposition afin de permettre aux services de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes d'effectuer d'éventuels contrôles complémentaires et ce pendant un délai de 10 ans à compter de la présente créance.

En outre, il convient au moins de joindre les annexes suivantes :

— Un relevé des recettes et dépenses des missions structurelles susmentionnées et du projet, y compris un relevé de tous les postes budgétaires (listing des comptes du grand-livre des missions structurelles et des activités).

— Il faut en établissant le relevé des dépenses et des recettes faire une comparaison avec le budget déposé initialement et les écarts exprimés en pourcentage par poste budgétaire. Ce relevé des dépenses et recettes est établi en fonction du modèle standard annexé (annexe 2).

— Copies de toutes les factures et notes de débit et les preuves afférentes aux frais de personnel.

— Une motivation concise pour la demande de remboursement du solde (cf. convention de financement).

Contrôle, évaluation et rapport

Les prescriptions en annexe (addendum 1) relatives au rapport financier et de fond et les critères financiers font partie intégrante de la présente convention et sont acceptées inconditionnellement par le promoteur.

Le promoteur s'engage à communiquer à intervalles réguliers (tous les 3 mois) les développements du projet et l'état de la situation, à discuter avec les responsables de « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » et à respecter les délais de rapport prescrits comme fixés à l'art. 3. Le promoteur communiquera immédiatement toute modification dans l'exécution du projet et discutera avec les responsables de « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ».

Si les résultats/indicateurs ne sont pas obtenus et si ces manquements ne sont pas justifiés par des arguments objectifs, « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » peut donner des sanctions et éventuellement exiger le remboursement des acomptes déjà versés ou empêcher le paiement du solde restant.

Pendant et après la réalisation des missions structurelles et du projet, le promoteur autorisera tout contrôle qui s'avère nécessaire pour évaluer l'effectivité de la réalisation et « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » se réserve le droit d'effectuer dans les bureaux du promoteur un audit financier sur l'emploi de la subvention accordée.

« L'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » a le droit de recouvrer tous les moyens pour lesquels aucun justificatif original n'a été présenté.

Le promoteur est tenu au remboursement immédiat des montants reçus :

— lorsqu'il ne respecte pas les conditions de la présente convention;

— lorsqu'il n'utilise pas les subventions pour les objectifs pour lesquels elles ont été octroyées (en cas d'abus de la subvention, celle-ci sera recouvrée pour la partie de l'abus);

— lorsque les justificatifs demandés ne sont pas introduits dans les délais prescrits ou s'il est fait obstacle au contrôle de ces pièces;

— lorsque les frais déposés sont déjà couverts par d'autres ressources ou font de quelque façon que ce soit l'objet d'un double subventionnement;

— lorsque le décompte final montre que la part de « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » dans le total des cofinancements dépasse la part exprimée en pourcentage prévue dans le budget;

— le cas échéant, lorsque les frais introduits par le promoteur sont refusés par une autorité supralocale et sont réclamés auprès de « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » (dans ce cas, « l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes » les réclamera à son tour au promoteur).

Avenant à la convention entre l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, ci-après dénommé l'Institut, dont le siège administratif est situé à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blerot 1, représenté par Marianne Vergeyle, présidente du Conseil d'administration de l'Institut et Michel Pasteel, vice-président, et l'Asbl Conseil des Femmes Francophones de Belgique dont le siège est à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, ci-après dénommé le CFFB, représenté par Magdeleine Willame-Boonen, présidente.

Modalité générale

Cet avenant apporte une modification à la convention entre l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, ci-après dénommé l'Institut, dont le siège administratif est situé à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blerot 1, représenté par Marianne Vergeyle, présidente du Conseil d'administration de l'Institut et Michel Pasteel, vice-président, et l'Asbl Conseil des Femmes Francophones de Belgique dont le siège est à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, ci-après dénommé le CFFB, représenté par Magdeleine Willame-Boonen, présidente, établi en 2005, notamment à l'article 4.

À l'exception de la présente modification, toutes les autres dispositions initiales restent en vigueur.

Article 4 : Financement

Cette disposition remplace l'article 4 initial comme suit :

« La contribution financière de l'Institut consiste à financer les missions structurelles et les activités susmentionnées.

Les activités et missions structurelles susmentionnées sont approuvées pour une période de 3 ans prenant cours le 1er janvier 2006 et expirant le 31 décembre 2008.

Le budget total pour les activités et missions structurelles susmentionnées est fixé sur une base annuelle de 30 000 euros.

La somme de 30 000 euros sera indexée chaque année pour autant que la dotation de l'Institut soit également indexée et à concurrence du même pourcentage d'indexation que la dotation de l'Institut pour la même année.

Ce montant comprend tous les frais afférents au projet, taxes et charges comprises. Il comporte la participation d'une délégation de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes aux activités organisées par l'association.

Pour autant que toutes les dispositions contractuelles de la présente convention et les annexes soient strictement respectées par le promoteur, l'Institut versera la somme totale comme mentionnée ci-dessus, sur le compte 310-1660827-79 du CFFB avec la communication « Subvention Institut » et ce selon les modalités de paiement ci-dessous.

1) Le Conseil des Femmes Francophones de Belgique introduit un budget pour les activités et missions structurelles susmentionnées au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de la convention (soit au plus tard au 1er décembre 2005, pour l'année 2006). Dans ce budget, les coûts pour les activités et missions structurelles subventionnées sont ventilés par poste (par exemple, frais du personnel, frais de fonctionnement directs, frais de fonctionnements indirects).

2) 80 % du financement demandé sera versé directement après l'approbation des missions structurelles susmentionnées et du budget et au plus tard 2 mois après l'introduction du budget (soit au plus tard le 31 janvier 2006, pour l'année 2006).

Les 20 % restants seront versés après évaluation positive d'un rapport final financier et de fond, introduit au plus tard fin mars 2007 par le CFFB. Ce rapport montrera que les résultats/indicateurs proposés ont été réalisés. Des indicateurs ou des résultats seront indiqués dans la description des missions structurelles susmentionnées et dans l'établissement du budget. Le rapport financier et le rapport de fond seront déposés par le CFFB au plus tard un mois après le terme de chaque exercice (soit au plus tard pour la fin janvier 2007, pour l'année 2006). Le CFFB s'engage dans son rapport financier à présenter toutes les pièces justificatives originales. L'Institut a le droit de réclamer tous les moyens pour lesquels aucune pièce justificative originale ne peut être présentée.

Fait à Bruxelles le ...

ANNEXE / BIJLAGE 3.2

Overeenkomst tussen het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, met administratieve zetel te 1070 Brussel, Ernest Blerotstraat 1, hierna genoemd het Instituut, vertegenwoordigd door Marianne Vergeyle, voorzitster van de Raad van Bestuur van het Instituut en de heer Michel Pasteel, ondervoorzitter, en de VZW Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) met zetel te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 10, hierna genoemd de NVR, vertegenwoordigd door Francy Van der Wildt, voorzitster.

Komen overeen wat volgt :

1. Achtergrond van de Overeenkomst

Overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 december 2002 heeft het Instituut de taak om :

Art. 3, § 2 : Het Instituut oefent zijn taak uit in een geest van dialoog en medewerking met de verenigingen, instellingen, organen en diensten die, geheel of gedeeltelijk, een opdracht vervullen, of die onmiddellijk betrokken zijn bij de vervulling van deze opdracht.

Art. 4, 4º : Het Instituut is bevoegd om ondersteuning en bijstand te organiseren aan de verenigingen die actief zijn op het vlak van gelijkheid van vrouwen en mannen, of voor projecten tot bevordering van gelijkheid van vrouwen en mannen.

Art. 4, 10º een netwerkstructuur uit te werken met de verschillende actoren op het vlak van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Daarnaast is er in het strategisch plan van het Instituut 2005-2007 in de visiebepaling naar voor gebracht dat het Instituut een draaischijf bij uitstek wil zijn voor overleg en uitwisseling, oa. met de vrouwenorganisaties en met de koepelorganisaties in het bijzonder.

Het is de bedoeling dat deze overeenkomst zekerheid en duidelijkheid geeft over de inzet van subsidies en voor het Instituut duidelijkheid geeft over wat het Instituut van de NVR mag verwachten.

Concreet kan dit gebeuren door het opstellen van een meerjarenplan door de NVR op basis waarvan kan onderhandeld worden over de objectieven waarvoor de volgende jaren subsidies worden toegekend.

Naast de structurele opdrachten die het voorwerp uitmaken van deze overeenkomst, blijven er projectsubsidies mogelijk ter ondersteuning van de specifieke kosten die voortvloeien uit een activiteit of een project dat de NVR opzet op vraag van het Instituut of op eigen initiatief en dat complementair is aan de structurele opdrachten van de VZW.

2. Beleidskader

2.1. Het Instituut

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen werd als parastatale B opgericht in december 2002 (wet van 16 december 2002) en heeft als taak de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen en elke vorm van discriminatie en ongelijkheid op basis van het geslacht te bestrijden. Het Instituut heeft bij de ontwikkeling van haar strategisch plan 5 doelstellingen geformuleerd :

— het toezien op de naleving van de gelijkheid van vrouwen en mannen en het bestrijden van elke vorm van discriminatie en ongelijkheid op basis van geslacht;

— het ontwikkelen en promoten, in overleg met alle betrokken actoren, van instrumenten, middelen en netwerken die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming;

— het voorbereiden en uitvoeren van de regeringsbeslissingen en de opvolging van het internationaal en europees beleid, onder het gezag van de voogdijminister;

— het verrichten, ontwikkelen, ondersteunen en coördineren van de expertise op het vlak van de klassieke en nieuwe thema's in het domein van de gelijkheid van vrouwen en mannen;

— het uitbouwen van een adequate organisatie, met inbegrip van de ondersteunende diensten die noodzakelijk zijn voor de goede werking van een onafhankelijke instelling.

In het kader van haar wettelijke opdracht beslist de RVB van het Instituut een overeenkomst af te sluiten voor een periode van 3 jaar, beginnende op 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2008.

Het Instituut oefent controle uit op het beleid en de werking van de VZW die worden gefinancierd met de middelen die door het Instituut worden toegekend. Deze controle houdt in :

— toezicht en controle op de uitvoering van de convenant

— toezicht en controle op de besteding van de overheidsmiddelen.

2.2. De NVR

Overeenkomstig haar statutaire bepalingen, bestaat het statutaire doel van de NVR uit volgende bepalingen :

— een platform aanbieden voor overleg en debat met als doel standpunten en adviezen te formuleren

— informeren en sensibiliseren

— druk uitoefenen voor gelijke kansen

— de leden de volgende diensten aanbieden : belangenbehartiging, goed voorbereide dossiers, logistieke ondersteuning, een forum via het tijdschrift en de website.

3. De opdrachten

3.1. Structurele opdrachten

De NVR ontvangt een toelage voor de volgende structurele opdrachten, die kaderen binnen het statutaire doel van de NVR en eveneens aansluiten bij de wettelijke opdrachten en de strategische doelstellingen van het Instituut :

— initiëren en coördineren van projecten met betrekking tot effectieve implementatie van het Peking actieplatform;

— meewerken aan de uitwisseling tussen de vrouwenorganisaties en het Instituut.

Concreet vertaald wil dit zeggen :

— Deelname aan werkgroepen, stuurgroepen en andere comités op initiatief van het IGVM. De NVR verbindt er zich toe telkens een experte af te vaardigen.

— Toetsen van max. 3 beleidsadviezen van het IGVM aan de bevindingen van het middenveld, m.b., de leden van de Vrouwenraad

— Actieve participatie aan de Commissie vrouwen en ontwikkeling in het kader van de opvolging en implementatie van het Peking Actieplatform, de Millenium Ontwikkelingsdoelen (en creatie van synergiëen met het federale gelijke kansenbeleid indien relevant)

— Participatie aan federale beleids- en/of regeringsinitiatieven gelijke kansen m/v in het kader van het gendermainstreaming en transversaal beleid

— Informeren over activiteiten, publicaties, ... van het IGVM via tijdschrift Vrouwenraad, website en andere kanalen. Het IGVM is verantwoordelijk voor het tijdig doorsturen van de informatie.

— Opvolgen en evalueren van de federale Pekingrapportage

— Aan door de Vrouwenraad georganiseerde studiedagen mag telkens 1 persoon van het IGVM gratis deelnemen.

4. Financiering

De financiële bijdrage vanuit het Instituut heeft betrekking op de financiering van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten.

De hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten worden goedgekeurd voor een periode van 3 jaar beginnend op 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2008.

De totale begroting voor de hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten wordt jaarlijks bepaald op 30 000 euro.

Dit bedrag omvat alle kosten van het project, inbegrepen alle taksen en belastingen.

Het Instituut zal, onder voorbehoud dat alle contractuele bepalingen van de voorliggende overeenkomst en de bijlagen door de promotor strikt worden nageleefd, 30 000 euro overmaken op rekening 001-0692256-43.van de Nederlandstalige Vrouwenraad met de vermelding « Toelage Instituut — NVR » en dit volgens onderstaande betalingsmodaliteiten :

1) De VZW NVR dient een begroting in voor de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten ten laatste 1 maand voor de inwerkingtreding van de overeenkomst (in concreto voor 2006 : ten laatste op 1 december 2005). In deze begroting zijn de kosten voor de betoelaagde hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten uitgesplitst per post (vb. personeelskosten, directe werkingskosten, indirecte werkingskosten). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de structurele opdrachten en het project per jaar dat wordt gerealiseerd.

2) 80 % van de gevraagde financiering wordt onmiddellijk overgemaakt na goedkeuring van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de begroting en ten laatste 2 maanden na het indienen van de begroting (in concreto voor 2006 : ten laatste op 31 januari 2006).

3) 20 % of het resterende saldo zal gestort worden na positieve evaluatie van een door NVR VZW ingediend inhoudelijk en financieel eindverslag waaruit blijkt dat de vooropgestelde indicatoren/resultaten werden behaald. Bij de beschrijving van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en het jaarlijks project en de opmaak van de begroting zullen indicatoren of resultaatgebieden worden aangegeven. Het inhoudelijk en financieel verslag zal door de VZW NVR worden ingediend, uiterlijk 1 maand na het einde van elk werkjaar (in concreto voor 2006 : uiterlijk tegen eind januari 2007). De VZW NVR verbindt er zich toe in haar financieel verslag alle originele verantwoordingsstukken voor te leggen. Het Instituut heeft het recht alle middelen terug te vorderen waarvoor geen originele verantwoordingsstukken kunnen worden voorgelegd.

4. Verslaggeving en rapportage

De VZW NVR is gehouden jaarlijks een financieel en inhoudelijk verslag uit te brengen met betrekking tot de gevoerde activiteiten.

Deze verslagen moeten steeds alle activiteiten en financiële transacties van de structurele opdrachten en het project vermelden.

Het Instituut behoudt zich het recht voor te beoordelen of het ingediende inhoudelijke verslag voldoende gedetailleerd is om de behaalde resultaten van de opdrachten te kunnen evalueren en/of de aangeleverde gegevens werden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst. Zij kan derhalve te allen tijde alle door haar gewenste bijkomende inlichtingen opvragen.

De VZW NVR voert een administratieve organisatie die in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de Wet op de VZW's en de uitvoeringsbesluiten in verband met de boekhouding.

De VZW NVR schakelt elk jaar een revisor in voor de controle van de jaarrekeningen en de balans. De NVR dient tegemoet te komen aan de aanpassingen en aanbevelingen die door het Instituut geformuleerd worden naar aanleiding van een controle of een audit. (In concreto gaat het om de aanbevelingen die zijn overgemaakt door de bedrijfsrevisoren Nielandt en co, in bijlage bij dit ontwerp van overeenkomst gevoegd.)

Ondertekende verklaring

De verantwoordelijke van de promotor dient bij elke eindafrekening een ondertekende verklaring te voegen waarin wordt bevestigd :

— dat de hiervoor genoemde structurele opdrachten en het project werden uitgevoerd, en dat de bijgevoegde afrekening de eindafrekening is die alle kosten en inkomsten van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten bevat, inbegrepen alle taksen en belastingen (waaronder de belasting over de toegevoegde waarde);

— dat alle ingediende uitgaven effectief werden gedragen in het kader van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en het project;

— dat noch de directe noch de indirecte uitgaven, behoudens de voorziene cofinancieringen, door een andere vorm van inkomsten werden gefinancierd, en dat deze bijgevolg op geen enkele wijze dubbel worden gesubsidieerd;

— dat alle originele administratieve en boekhoudkundige bewijsstukken ter beschikking zullen worden gehouden teneinde, gedurende een termijn van 10 jaar te rekenen vanaf de voorliggende schuldvordering, eventuele bijkomende controles door de diensten van Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen mogelijk te maken.

Tevens dienen minstens de volgende bijlagen te worden toegevoegd :

— een overzicht van de inkomsten en uitgaven van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en het project, inbegrepen een overzicht van alle geboekte posten (uitdraai grootboekrekeningen structurele opdrachten en de activiteiten);

— bij het opstellen van de inkomsten- en uitgavenstaat dient een vergelijking te worden gemaakt met het initieel ingediende budget, en de procentuele afwijking per begrotingspost. Deze inkomsten- en uitgavenstaat wordt aangeleverd volgens bijgevoegd standaardmodel (addendum 2);

— afschriften van alle facturen en debetnota's, en de bewijzen met betrekking tot de personeelskosten;

— een beknopte motivatie van de aanvraag met betrekking tot de uitbetaling van het saldo (cf. Financieringsovereenkomst).

Controle, evaluatie en rapportering

De voorschriften in bijlage (Addendum 1) met betrekking tot de inhoudelijke en financiële verslaggeving en de financiële criteria maken integraal deel uit van de voorliggende overeenkomst, en worden door de promotor zonder enig voorbehoud aanvaard.

De promotor verbindt er zich toe om de ontwikkelingen van het project en de stand van zaken op regelmatige tijdstippen mede te delen en te bespreken met de verantwoordelijken van « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » en de vooropgestelde termijnen van verslaggeving — zoals bepaald onder art. 3 hiervoor — na te leven. Elke wijziging in de uitvoering van het project wordt door de promotor onmiddellijk gemeld en besproken met de verantwoordelijken van « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ».

Indien de resultaten/indicatoren niet behaald worden en dit niet via objectieve argumenten te verantwoorden valt, kan « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » sanctionerend optreden en eventueel tot terugvordering van de reeds betaalde voorschotten overgaan of de uitbetaling van de resterende saldi tegenhouden.

De promotor zal tijdens en na de uitvoering van de structurele opdrachten en het project alle controle toelaten nodig voor de beoordeling van de effectiviteit van de uitvoering en « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » behoudt zich het recht voor ter plaatse in de kantoren van de promotor een financiële audit uit te voeren met betrekking tot de aanwending van de toegekende toelage.

« Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » heeft het recht alle middelen terug te vorderen waarvoor geen originele verantwoordingstukken worden voorgelegd.

De promotor is gehouden tot onmiddellijke terugbetaling van ontvangen bedragen :

— Wanneer hij de voorwaarden van onderhavige overeenkomst niet naleeft;

— Wanneer hij de betoelaging niet aanwendt voor de doeleinden waarvoor ze toegekend werd (bij oneigenlijk gebruik van de toelage wordt deze teruggevorderd voor het gedeelte van het oneigenlijk gebruik);

— Wanneer de gevraagde bewijsstukken niet binnen de vooropgestelde termijn worden voorgelegd, of indien de controle ervan wordt verhinderd;

— Wanneer de ingebrachte kosten reeds werden gedekt door andere inkomsten,, of op enigerlei wijze deel uitmaken van een dubbele subsidiëring;

— Wanneer uit de eindafrekening blijkt dat het aandeel van « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » in het totaal van de cofinancieringen het in de begroting voorziene procentueel aandeel overtreft;

— In voorkomend geval, wanneer de door de promotor ingediende kosten door een bovenlokale overheid worden verworpen en van « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » worden teruggevorderd (in dit geval zal « Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen » op haar beurt terugvorderen van de promotor).

Opgemaakt te Brussel, ...

Aanhangsel bij de overeenkomst tussen het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, met administratieve zetel te 1070 Brussel, Ernest Blerotstraat 1, hierna genoemd het Instituut, vertegenwoordigd door Marianne Vergeyle, voorzitster van de Raad van Bestuur van het Instituut en de heer Michel Pasteel, ondervoorzitter, en de VZW Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) met zetel te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 10, hierna genoemd de NVR, vertegenwoordigd door Francy Van der Wildt, voorzitster.

Algemeen beginsel

Onderhavige aanhangsel betreft een aanvulling van de overeenkomst tussen het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, met administratieve zetel te 1070 Brussel, Ernest Blerotstraat 1, hierna genoemd het Instituut, vertegenwoordigd door Marianne Vergeyle, voorzitster van de Raad van Bestuur van het Instituut en de heer Michel Pasteel, ondervoorzitter, en de VZW Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) met zetel te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 10, hierna genoemd de NVR, vertegenwoordigd door Francy Van der Wildt, voorzitster, afgesloten in 2005, inzonderheid van artikel 4.

Behoudens de bepalingen vermeld in onderhavig aanhangsel, blijven alle bepalingen van de initiële overeenkomst geldig.

Artikel 4 : Financiering

Dit artikel wijzigt het initiële artikel 4 als volgt :

De financiële bijdrage vanuit het Instituut heeft betrekking op de financiering van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten.

De hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten worden goedgekeurd voor een periode van 3 jaar beginnend op 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2008.

De totale begroting voor de hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten wordt jaarlijks bepaald op 30 000 euro.

Het bedrag van 30 000 euro wordt jaarlijks gekoppeld aan de indexering indien ook de dotatie van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen op het vermelde jaar geïndexeerd wordt en dit dan met hetzelfde percentage als voor de dotatie van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen voor dat desbetreffende jaar.

Dit bedrag omvat alle kosten van het project, inbegrepen alle taksen en belastingen.

Het Instituut zal, onder voorbehoud dat alle contractuele bepalingen van de voorliggende overeenkomst en de bijlagen door de promotor strikt worden nageleefd, de globale som zoals hierboven vermeld, overmaken op rekening 001-0692256-43 van de Nederlandstalige Vrouwenraad met de vermelding « Toelage Instituut — NVR » en dit volgens onderstaande betalingsmodaliteiten :

1) De NVR dient een begroting in voor de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten ten laatste 1 maand voor de inwerkingtreding van de overeenkomst (in concreto voor 2006 : ten laatste op 1 december 2005). In deze begroting zijn de kosten voor de betoelaagde hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten uitgesplitst per post (vb. personeelskosten, directe werkingskosten, indirecte werkingskosten). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de structurele opdrachten en het project per jaar dat wordt gerealiseerd.

2) 80 % van de gevraagde financiering wordt onmiddellijk overgemaakt na goedkeuring van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de begroting en ten laatste 2 maanden na het indienen van de begroting (in concreto voor 2006 : ten laatste op 31 januari 2006).

3) 20 % of het resterende saldo zal gestort worden na positieve evaluatie van een door de NVR ingediend inhoudelijk en financieel eindverslag waaruit blijkt dat de vooropgestelde indicatoren/resultaten werden behaald. Bij de beschrijving van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en het jaarlijks project en de opmaak van de begroting zullen indicatoren of resultaatgebieden worden aangegeven. Het inhoudelijk en financieel verslag zal door de NVR worden ingediend, uiterlijk 1 maand na het einde van elk werkjaar (in concreto voor 2006 : uiterlijk tegen eind januari 2007). De NVR verbindt er zich toe in haar financieel verslag alle originele verantwoordingsstukken voor te leggen. Het Instituut heeft het recht alle middelen terug te vorderen waarvoor geen originele verantwoordingsstukken kunnen worden voorgelegd.

Opgemaakt te Brussel, ...

ANNEXE / BIJLAGE 3.3

CONVENTION DE COLLABORATION

Entre,

d'une part, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ci-après dénommé l'Institut, dont le siège administratif situé à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blérot 1, représenté par Madame Marianne VERGEYLE, présidente du Conseil d'Administration, et Michel Pasteel, vice-président, ci-après dénommé l'Institut,

et,

d'autre part SOPHIA ASBL, dont le siège est situé à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, représenté par Nadine PLATEAU, Présidente du Conseil d'administration ci-après dénommée SOPHIA,

il est convenu ce qui suit :

1. Cadre de la convention

Conformément aux dispositions de la loi du 16 décembre 2002, l'Institut a notamment les missions suivantes :

Art. 3, § 2 : Dans l'accomplissement de sa mission, l'Institut dialogue et collabore avec les associations, institutions, organes et services dont l'action se situe, exclusivement ou en partie, en ce même domaine ou qui sont immédiatement associés à l'accomplissement de la dite mission.

Art. 4, 4º : L'Institut est habilité à organiser le soutien aux associations actives en matière d'égalité des femmes et des hommes ou les projets ayant pour finalité la réalisation de l'égalité des femmes et des hommes.

Art. 4, 10º : L'Institut est habilité à élaborer une structure de réseau avec les différents acteurs dans le domaine de l'égalité des femmes et des hommes.

Par ailleurs, dans son plan stratégique 2005-2007, l'Institut a inscrit l'objectif de devenir « le carrefour privilégié de concertation et d'échange », notamment avec les associations de femmes.

L'objectif principal de cette convention est d'apporter une garantie et une transparence quant à l'utilisation des subsides que l'Institut accorde à SOPHIA et de préciser les relations qui s'établissent entre les parties signataires afin de déterminer leurs obligations et droits respectifs.

Cet objectif sera réalisé concrètement de la façon suivante : SOPHIA élaborera un plan d'action pluriannuel qui servira de base à la négociation des objectifs à mettre en œuvre dans les plans annuels pour lesquels les subventions des prochaines années lui seront allouées par l'Institut.

Outre les missions structurelles qui font l'objet de la présente convention, l'octroi par l'Institut à SOPHIA d'autres subventions reste possible pour soutenir les coûts spécifiques liés à une activité ou à un projet, mis en œuvre par SOPHIA soit à la demande de l'Institut soit à sa propre initiative et qui complète les missions structurelles de SOPHIA.

2. Cadre stratégique

2.1. L'Institut

Créé en décembre 2002 sous la forme d'un parastatal de type B, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes a pour mission de promouvoir l'égalité des femmes et des hommes et de combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur le sexe. Dans le cadre de son plan stratégique, l'Institut a formulé 5 objectifs :

— veiller au respect de l'égalité des femmes et des hommes et combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur le sexe;

— développer et promouvoir, en concertation avec les acteurs concernés, des outils, instruments, réseaux nécessaires pour mettre en œuvre le gender mainstreaming;

— préparer et exécuter les décisions du gouvernement, et assurer le suivi des politiques européennes et internationales, sous l'autorité du/de la ministre de tutelle;

— faire, soutenir, développer et coordonner l'expertise sur les thématiques classiques et émergentes de l'égalité des femmes et des hommes;

— mettre en place une organisation adéquate, y compris les services de soutien indispensables au fonctionnement adéquat d'une institution autonome.

Dans le cadre de sa mission légale, le Conseil d'administration de l'Institut décide de conclure avec SOPHIA une convention pour une période de 3 ans, qui prendra cours le 1er janvier 2006 et se terminera le 31 décembre 2008.

L'Institut exerce un contrôle sur la politique et le fonctionnement des ASBL qui sont financées à l'aide de subsides qu'il leur octroie. Ce contrôle implique :

— une surveillance et un contrôle de l'exécution de la convention établie;

— une surveillance et un contrôle de l'utilisation des subventions qu'il octroie.

2.2. Sophia

Conformément à ses dispositions statutaires, l'objet de SOPHIA est le suivant :

« promouvoir l'égalité entre femmes et hommes en diffusant de l'information sur les études, recherches et enseignements féministes, sur les femmes et de genre en Belgique et en faisant progresser la réflexion et le débat, et ce par tous les moyens qu'elle jugera nécessaires ».

Cet objet se concrétise dans des actions destinées à la promotion du développement de la recherche et de l'enseignement dans le domaine des études féministes et de genre, à la reconnaissance de l'importance qu'ont ces études dans le cadre de la recherche scientifique et à démontrer qu'elles sont indispensables à l'élaboration de politiques publiques favorables aux femmes.

3. La mission

3.1. Mission structurelle

SOPHIA reçoit une subvention pour la mission structurelle suivante qui s'inscrit dans son objet statutaire et se situe dans le cadre des missions légales et des objectifs stratégiques de l'Institut : la promotion des études féministes et de genre en Belgique.

Pour accomplir sa mission structurelle SOPHIA a défini les objectifs stratégiques suivants :

1. Jeter des ponts entre chercheuses/chercheurs travaillant dans les différentes universités du pays, favoriser le développement de réseaux et la création de synergies.

2. Créer et développer des liens entre le mouvement des femmes et le monde académique.

3. Rapprocher les chercheuses/chercheurs/enseignant-e-s et associations concernées par les études féministes et les études de genre dans les deux communautés linguistiques.

Dans la poursuite de ses trois objectifs stratégiques SOPHIA mettra en œuvre les moyens suivants :

— SOPHIA informera sur les activités, les publications et évènements réalisés ou en voie de réalisation dans le domaine des études féministes et des études de genre. Cette information aura un caractère récurrent et sera fournie principalement par le site web de SOPHIA mais également par d'autres canaux.

— SOPHIA diffusera par son site Internet et son bulletin électronique les initiatives de l'Institut dans le domaine des études féministes/études de genre.

— SOPHIA réalisera chaque année une présentation publique ou une publication en rapport avec sa mission structurelle et ses objectifs stratégiques.

— SOPHIA accueillera favorablement, dans la mesure de ses moyens et possibilités, les demandes de collaboration de l'Institut relatives à la participation à des activités qu'il organise telles : groupes de travail, groupes de pilotage et autres comités, en y déléguant un/une expert-e compétent-e dans le domaine concerné.

4. Financement

La contribution financière de l'Institut couvre le financement des activités et initiatives prévues dans les plans de travail annuels, établis chaque année en concertation avec l'Institut, en exécution de la mission structurelle susmentionnée.

La mission structurelle susmentionnée est approuvée pour une période de trois ans qui prendra cours le 1er janvier 2006 et se terminera le 31 décembre 2008.

Le budget total alloué à la mission structurelle et aux activités en découlant est fixé pour chaque année à 65 000 euros.

Ce montant englobe tous les coûts de la mission structurelle et des activités pré-citées taxes et charges comprises.

À condition que toutes les clauses contractuelles de la présente convention soient strictement respectées par SOPHIÀ l'Institut versera 65 000 euros sur le compte de SOPHIA ASBL : 068-2105188-24 avec la communication « Subvention Institut-ASBL SOPHIA », et ce conformément aux modalités de paiement ci-dessous :

1) L'ASBL SOPHIA élabore et présente à l'Institut un budget pour sa mission structurelle et les activités qui en découlent au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de la convention (concrètement, pour 2006, au plus tard le 1er décembre 2005). Dans ce budget les coûts afférents aux activités subventionnées sont ventilées par poste (par exemple, coûts de personnel, frais de fonctionnement, frais d'exploitation, etc.);

2) un montant équivalent à 80 % du financement annuel sera versé directement après approbation de la mission structurelle, des activités ci-dessus mentionnées, du budget annuel. Ce versement sera effectué au plus tard 2 mois après la présentation du budget (concrètement pour 2006, au plus tard le 31 janvier 2006);

3) une tranche correspondant à 15 % du budget sera ensuite versée au plus tard 10 mois après l'introduction du budget auprès de l'Institut (soit pour 2006, au plus tard le 30 septembre). Ce versement sera effectué après évaluation positive de l'avancement des travaux effectués au cours du premier semestre de l'année et approbation d'un état des dépenses correspondant à la même période;

4) le solde du budget soit 5 % sera versé à l'issue d'une évaluation positive d'un rapport d'activités et d'un rapport financier élaborés par SOPHIA lesquels révèlent que les indicateurs/résultats prédéfinis ont été atteints.

Dans la description de la mission structurelle, des objectifs stratégiques et activités susmentionnés, ainsi que lors de l'élaboration du budget, SOPHIA doit prévoir des indicateurs permettant l'évaluation des résultats.

L'Institut et SOPHIA devront établir un accord concernant la définition de ces indicateurs et des domaines de résultat.

Le rapport d'activités et le rapport financier seront présentés par SOPHIA au plus tard 3 mois après la fin de chaque année de travail (concrètement pour 2006 : au plus tard le 31 mars 2007).

SOPHIA s'engage à présenter dans son rapport financier copie de toutes les pièces justificatives originales. L'Institut a le droit de réclamer la restitution de tous les moyens pour lesquels aucune pièce justificative originale n'existe.

5. Rapports

L'ASBL SOPHIA est tenue de produire chaque année un rapport financier et un rapport concernant les activités menées.

Ces rapports doivent toujours mentionner toutes les activités et toutes les transactions financières relatives à la mission structurelle et aux activités.

L'Institut se réserve le droit d'apprécier si le rapport d'activités présenté est suffisamment détaillé pour pouvoir évaluer les résultats obtenus des missions et/ou si les données fournies ont été collectées en vertu des dispositions de la convention. Par conséquent, il peut à tout moment demander les informations complémentaires qu'il juge utiles.

SOPHIA assure une organisation administrative qui est conforme aux dispositions légales en vigueur dans le cadre de la Loi sur les ASBL et aux arrêtés d'exécution en matière de comptabilité.

Chaque année SOPHIA fait appel à un réviseur pour le contrôle des comptes annuels et du bilan.

SOPHIA doit tenir compte des adaptations et des recommandations formulées par l'Institut lors d'un contrôle ou d'un audit (concrètement, il s'agit des recommandations transmises par les réviseurs d'entreprise Nielandt & Co).

6. Déclaration signée

À l'heure de tout règlement de compte final, le responsable représentant SOPHIA doit pour chaque décompte final joindre une déclaration signée confirmant :

— que la mission structurelle susmentionnée a été accomplie et que le décompte annexé est le décompte final qui contient tous les coûts et toutes les dépenses et rentrées de la mission structurelle et des activités, toutes les taxes et impôts inclus (dont la taxe sur la valeur ajoutée, le cas échéant);

— que toutes les dépenses présentées ont effectivement été effectuées dans le cadre de la mission structurelle susmentionnée et des activités réalisées;

— que ni les dépenses directes ni les dépenses indirectes, sauf le cofinancement prévu, ont été financés par une autre forme de ressources et que celles-ci ne sont par conséquent pas doublement subventionnées;

— que tous les originaux des justificatifs comptables et administratifs sont tenus à disposition afin de permettre aux services de l'Institut d'effectuer d'éventuels contrôles complémentaires et ce pendant un délai de 10 ans à compter de la première créance.

En outre, il convient au moins de joindre les annexes suivantes :

— un récapitulatif des recettes et dépenses relatives à la mission structurelle susmentionnée et aux activités y compris un relevé de tous les postes budgétaires (listing des comptes du grand-livre de la mission structurelle et des activités);

— lors de l'établissement de l'état des rentrées et des dépenses, une comparaison doit être faite entre le budget présenté au départ et le budget final en mentionnant le pourcentage d'écart par poste du budget;

— copies de toutes les factures et notes de débit et les preuves afférentes aux frais de personnel;

— une motivation sommaire de la demande de paiement du solde.

7. Contrôle, évaluation et rapport

SOPHIA s'engage à répondre à toute demande de l'Institut relative à l'avancement de la mission structurelle subsidiée, à échanger avec les représentants de l'Institut toute information relative à la situation du projet et à respecter les délais de rapport prescrits dans la convention. De même SOPHIA communiquera immédiatement à l'Institut toute modification relative à l'exécution du projet.

L'évaluation des résultats selon les indicateurs prédéterminés s'effectue en concertation entre l'Institut et SOPHIA.

Si les résultats/indicateurs ne sont pas atteints et si ces manquements ne sont pas justifiés par des arguments objectifs l'Institut peut prendre des sanctions et procéder éventuellement à une demande de restitution des acomptes déjà versés ou empêcher le versement des soldes restants. Ceci n'est pas d'application dans le cas où les résultats (évaluation par indicateurs) ne sont pas atteints à cause de circonstances indépendantes de la volonté de SOPHIA).

Pendant et après la réalisation du projet SOPHIA autorisera tout contrôle qui s'avère nécessaire à l'évaluation de l'efficacité de la réalisation et l'Institut se réserve le droit d'effectuer un audit financier, dans les bureaux de SOPHIA, en ce qui concerne l'utilisation de la subvention accordée.

L'Institut a le droit de demander la restitution de tous les moyens pour lesquels aucune pièce justificative n'est présentée. Il peut, en permanence, consulter les pièces justificatives au siège de l'association.

SOPHIA est tenue de rembourser immédiatement les montants perçus :

— si les conditions de la présente convention ne sont pas respectées;

— si le subside n'est pas utilisé pour les fins auxquelles il a été alloué. En cas d'usage impropre de la subvention le remboursement de la partie affectée à cet usage sera réclamé;

— si les pièces justificatives demandées ne sont pas présentées dans le délai fixé ou si l'ASBL empêche l'Institut de les contrôler;

— lorsque les coûts présentés ont été couverts par d'autres rentrées ou font partie de quelque façon que ce soit d'un double subventionnement;

— lorsque le décompte final montre que la part de cofinancement de l'Institut dépasse la part prévue en pourcentage dans le budget total;

— le cas échéant, lorsque les frais introduits par les responsables du projet sont refusés par une autorité supralocale et un remboursement est réclamé auprès de l'Institut. Dans ce cas, l'Institut les réclamera à son tour au promoteur.

8. Dispositions finales

La présente convention est soumise à la législation belge. Le tribunal de Première instance de Bruxelles est compétent pour régler tout litige éventuel lié à la présente convention

Fait à Bruxelles le 7 décembre 2005 en trois exemplaires.

Avenant à la convention de collaboration entre, d'une part, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, ci-après dénommé l'Institut, dont le siège administratif est situé à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blerot 1, représenté par Mme Marianne Vergeyle, présidente du Conseil d'administration et Michel Pasteel, vice-président, et, d'autre part, Sophia ASBL, dont le siège est situé à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, représenté par Nadine Plateau, Présidente, ci-après dénommée Sophia.

Modalité générale

Cet avenant apporte une modification à la convention de collaboration entre, d'une part, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, ci-après dénommé l'Institut, dont le siège administratif est situé à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blerot 1, représenté par Mme Marianne Vergeyle, présidente du Conseil d'administration et Michel Pasteel, vice-président, et, d'autre part, SOPHIA ASBL, dont le siège est situé à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, représenté par Nadine Plateau, Présidente, établi en 2005, notamment à l'article 4.

À l'exception de la présente modification, toutes les autres dispositions initiales restent en vigueur.

Article 4 : Financement

Cette disposition remplace l'article 4 de la convention initiale comme suit :

La contribution financière de l'Institut consiste à financer les missions structurelles et les activités susmentionnées.

Les activités et missions structurelles susmentionnées sont approuvées pour une période de 3 ans prenant cours le 1er janvier 2006 et expirant le 31 décembre 2008.

Le budget total pour les activités et missions structurelles susmentionnées est fixé sur une base annuelle de 65 000 euros.

La somme de 65 000 euros sera indexée chaque année pour autant que la dotation de l'Institut soit également indexée et à concurrence du même pourcentage d'indexation que la dotation de l'Institut pour la même année.

Ce montant comprend tous les frais afférents au projet, taxes et charges comprises.

Pour autant que toutes les dispositions contractuelles de la présente convention et les annexes soient strictement respectées par le promoteur, l'Institut versera la somme totale mentionnée ci-dessus sur le compte 068-2105188-24 de Sophia avec la communication « Subvention Institut — ASBL Sophia » et ce selon les modalités de paiement ci-dessous.

1)  Sophia introduit un budget pour les activités et missions structurelles susmentionnées au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de la convention (soit au plus tard au 1er décembre 2005, pour l'année 2006). Dans ce budget, les coûts pour les activités et missions structurelles subventionnées sont ventilés par poste (par exemple, frais du personnel, frais de fonctionnement directs, frais de fonctionnement indirects);

2) 80 % du financement demandé sera versé directement après l'approbation des missions structurelles susmentionnées, du projet et du budget et au plus tard 2 mois après l'introduction du budget (soit au plus tard le 31 janvier 2006, pour l'année 2006);

3) 15 % au plus tard 10 mois après l'introduction du budget;

4) 5 % du solde restant sera versé après évaluation positive d'un rapport final financier et de fond introduit par Sophia lequel montrera que les résultats/indicateurs proposés ont été réalisés. Des indicateurs ou des résultats seront indiqués dans la description des missions structurelles susmentionnées et dans l'établissement du budget. Le rapport financier et de fond sera déposé par Sophia au plus tard un mois après le terme de chaque exercice (soit au plus tard pour la fin janvier 2007, pour l'année 2006). Sophia s'engage dans son rapport financier à présenter toutes les pièces justificatives originales. L'Institut a le droit de réclamer tous les moyens pour lesquels aucune pièce justificative originale ne peut être présentée.

Fait à Bruxelles le, ...

ANNEXE / BIJLAGE 3.4

Convention entre l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, dont le siège administratif est établi à 1070 Bruxelles, rue Ernest Blerot 1, ci-après dénommé l'Institut, représenté par Marianne Vergeyle, présidente du Conseil d'administration de l'Institut et Michel Pasteel, vice-président et l'ASBL Amazone, dont le siège est établi à 1210 Bruxelles, rue du Méridien 10, ci-après dénommée Amazone, représentée par Monique Chalude, présidente.

Entre les parties, il est convenu ce qui suit :

1. Cadre de la convention

Conformément aux dispositions de la loi du 16 décembre 2002, l'Institut a les missions suivantes :

Art. 3, § 2 : Dans l'accomplissement de sa mission, l'Institut dialogue et collabore avec les associations, institutions, organes et services dont l'action se situe, exclusivement ou en partie, en ce même domaine ou qui sont immédiatement associés à l'accomplissement de ladite mission.

Art. 4, 4º: L'Institut est habilité à organiser le soutien aux associations actives en matière d'égalité des femmes et des hommes ou les projets ayant pour finalité la réalisation de l'égalité des femmes et des hommes.

Art. 4, 10º: Elaborer une structure de réseau avec les différents acteurs dans le domaine de l'égalité des femmes et des hommes.

Par ailleurs, le plan de développement 2005-2007 de l'Institut présente la vision selon laquelle l'Institut se veut être le carrefour privilégié de concertation et d'échange, notamment avec des associations de femmes. L'Institut a établi un plan de développement pour les prochaines années qui fera autorité pour la mise en œuvre des moyens. Selon une décision du Conseil d'administration de l'Institut, l'Institut ne peut accorder des subsides que si les objectifs pour lesquels ils sont attribués sont conformes au plan de développement.

L'objectif de cette convention est d'apporter une garantie et une transparence quant à l'utilisation des subsides et d'expliquer clairement à l'Institut ce qu'il peut attendre d'Amazone.

Concrètement, cet objectif est réalisé par l'élaboration, par Amazone, d'un plan pluriannuel qui permettra de discuter des objectifs pour lesquels les subsides des prochaines années sont alloués.

Outre les missions structurelles qui font l'objet de la présente convention, des subventions de projets restent possibles pour soutenir les coûts spécifiques liés à une activité ou à un projet mis en place par Amazone à la demande de l'Institut ou sur sa propre initiative et qui complète les missions structurelles de l'ASBL.

2. Cadre politique

2.1. L'Institut

Créé en décembre 2002 sous la forme d'un parastatal de type B, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes a pour mission de favoriser l'égalité des femmes et des hommes et de combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur le sexe. Dans le cadre de son plan de développement, l'Institut a formulé 5 objectifs :

— veiller au respect de l'égalité des femmes et des hommes et combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur le sexe;

— développer et promouvoir, en concertation avec les acteurs concernés, des outils, instruments, réseaux nécessaires pour mettre en œuvre le gender mainstreaming;

— préparer et exécuter les décisions du gouvernement et assurer le suivi des politiques européennes et internationales, sous l'autorité du/de la ministre de tutelle;

— faire, soutenir, développer et coordonner l'expertise sur les thématiques classiques et émergentes de l'égalité des femmes et des hommes;

— mettre en place une organisation adéquate, y compris les services de soutien indispensables au fonctionnement adéquat d'une institution autonome.

Dans le cadre de sa mission légale, le Conseil d'administration de l'Institut décide de conclure une convention pour une période de 3 ans, qui prendra cours le 1er janvier 2006 et se terminera le 31 décembre 2008.

L'Institut exerce un contrôle sur la politique et le fonctionnement des ASBL qui sont financées à l'aide de subsides octroyés par l'Institut. Ce contrôle implique :

— une surveillance et un contrôle de l'exécution du contrat consensuel;

— une surveillance et un contrôle de l'emploi des subsides de l'État.

2.2. Amazone ASBL

L'ASBL Amazone est une structure pluraliste indépendante.

Conformément à ses dispositions statutaires, l'objet statutaire d'Amazone s'articule autour des missions suivantes :

— le soutien aux organisations actives sur le terrain de l'égalité entre femmes et hommes (logement, infrastructure de congrès et de réunion, collaboration dans les travaux de recherche et de lobby, soutien à la gestion des organisations);

— la mise à disposition au profit de ces organisations de l'information et de la documentation utiles à leur action (d'une part, le centre de documentation s'oriente vers l'actualité politique en matière d'égalité et de l'autre, le Centre d'Archives pour l'Histoire des Femmes rassemble les documents relatifs à l'histoire des femmes);

— la stimulation de synergies et d'échanges (collaboration à des activités et des projets).

3. Les missions

Amazone reçoit une subvention pour les missions structurelles suivantes, qui s'inscrivent dans l'objet statutaire d'Amazone et qui sont complémentaires aux missions légales et aux objectifs stratégiques de l'Institut :

— le soutien aux organisations de femmes dans leurs activités et projets (mission 1);

— le soutien logistique aux associations de femmes en mettant des locaux à leur disposition (salles de réunion, bureaux) (mission 2);

— le fonctionnement du centre de documentation et de connaissance ainsi que, durant l'année civile 2006, le fonctionnement du Centre d'Archives pour l'Histoire des Femmes (mission 3);

— le soutien logistique aux organisations de femmes par le développement d'un réseau TIC (mission 4);

— l'entretien du bâtiment (mission 5);

Pendant la durée de la convention, l'Institut mettra tout en œuvre et fournira les efforts nécessaires afin d'assurer la mise à disposition, pour Amazone et les associations qu'elle héberge, du bâtiment situé rue du Méridien 10 à 1210 Bruxelles.

Pour atteindre ces missions structurelles, l'ASBL Amazone a défini 5 objectifs stratégiques :

1. En collaboration étroite avec les associations de femmes, sensibiliser le grand public au thème de l'égalité entre femmes et hommes

Dans ce cadre, en lien avec les associations de femmes, l'ASBL Amazone mettra essentiellement l'accent sur le développement d'une méthodologie pour faire accepter le thème de l'égalité par le grand public et pour valoriser les acquis du féminisme.

Cet objectif doit s'inscrire dans la mission 1.

2. Accroître la capacité d'intervention des associations de femmes

L'ASBL Amazone souhaite faciliter les contacts entre les associations de femmes, d'une part, et les acteurs de la société civile, d'autre part, afin que l'expertise des associations de femmes relative à la dimension de genre puisse être transposée dans les diverses activités menées par les acteurs de la société civile. Cet objectif doit s'inscrire dans la mission 1.

3. Accroître la force administrative et les moyens financiers des associations de femmes

L'ASBL Amazone souhaite organiser des formations spécifiques pour les associations de femmes désireuses d'accroître leur force administrative et développer un service d'assistance pour faciliter l'obtention de subsides. Cet objectif doit s'inscrire dans la mission 2.

4. Élargir et approfondir les connaissances sur la théorie et la pratique du GM sur le terrain

L'ASBL Amazone s'attachera à développer des instruments utiles au champ d'action des acteurs de la société civile. Pour éviter tout chevauchement, l'Institut sera invité à la concertation organisée par Amazone en ce qui concerne l'élaboration d'instruments et de banques de données. L'Institut invitera Amazone à la concertation qu'il organise dans le cadre du développement d'instruments. Cet objectif doit s'inscrire dans les missions 3 et 4.

5. Dispenser des informations sur le développement, les progrès et l'application de l'égalité des femmes et des hommes en Belgique, en Europe et au niveau international.

Amazone se charge d'informer, en collaboration avec d'autres partenaires, les acteurs de la société civile. Cet objectif doit s'inscrire dans les missions 3 et 4.

Tous les six mois, une réunion de concertation sera organisée entre l'Institut, Amazone et les associations de femmes qui ont signé une convention avec l'Institut pour vérifier les agendas et plans respectifs pour des initiatives et actions concrètes à développer au cours des prochains six mois.

L'Institut et ses collaborateurs/collaboratrices peuvent participer gratuitement aux activités organisées par l'ASBL Amazone avec les moyens issus des subsides.

Dans certains cas exceptionnels, l'Institut peut utiliser gratuitement les salles de réunion d'Amazone. La mise à disposition gratuite n'est toutefois pas valable pour ce qui concerne les consommations et les repas.

La détermination du volume et de l'affectation des enveloppes pour chacune des missions repose sur un plan pluriannuel qui définit tant les objectifs en matière d'activité que les objectifs financiers, ainsi que les indicateurs de résultat.

Un plan de travail annuel décrit les actions concrètes et détermine les moyens mis en œuvre pour rendre ces missions opérationnelles.

Les objectifs opérationnels et les initiatives et activités pour la période 2006-2008 sont définis dans le plan pluriannuel fourni en annexe.

Ceux-ci sont concrétisés annuellement dans un plan de travail pour l'année en cours.

4. Financement

La contribution financière de l'Institut couvre le financement des activités et initiatives prévues dans le plan pluriannuel en exécution des missions structurelles susmentionnées.

Les missions structurelles et les activités susmentionnées sont approuvées pour une période de 3 ans qui prendra cours le 1er janvier 2006 et se terminera le 31 décembre 2008.

Le budget total alloué aux missions structurelles et aux activités est fixé chaque année à 590 000 euros.

Ce montant englobe tous les coûts des missions structurelles et des activités précitées, taxes et impôts inclus.

À condition que toutes les clauses contractuelles de la présente convention soient strictement respectées par le promoteur, l'Institut virera 590 000 euros sur le compte 523-0801035-84 de l'ASBL Amazone avec la communication « Subvention Institut — Amazone », et ce conformément aux modalités de paiement ci-dessous :

1) L'ASBL Amazone présente un budget pour les missions structurelles et les activités susmentionnées au plus tard 1 mois avant l'entrée en vigueur de la convention (concrètement pour 2006 : au plus tard le 1er décembre 2005). Dans ce budget, les coûts des missions structurelles et des activités subsidiées sont ventilés par poste (par exemple, coûts de personnel, frais d'exploitation, amortissements pour biens durables).

2) 85 % du financement demandé est immédiatement transmis après approbation des missions structurelles et des activités ci-dessus mentionnées et approbation du budget, et ce au plus tard 2 mois après la présentation du budget (concrètement pour 2006 : au plus tard le 31 janvier 2006).

3) 15 % ou le solde restant sera versé à l'issue d'une évaluation positive d'un rapport final moral et financier par Amazone, lequel révèle que les indicateurs/résultats prédéfinis ont été atteints. Lors de la description des missions structurelles et des activités susmentionnées et lors de l'élaboration du budget, des indicateurs ou des domaines de résultat seront présentés. L'Institut et Amazone doivent se mettre d'accord en ce qui concerne la définition des indicateurs et des domaines de résultat. Le rapport moral et financier sera présenté par Amazone au plus tard 3 mois après la fin de chaque année de travail (concrètement pour 2006 : au plus tard pour le 31 mars 2007). Amazone s'engage à présenter, dans son rapport financier, copie de toutes les pièces justificatives originales. L'Institut a le droit de réclamer la restitution de tous les moyens pour lesquels aucune pièce justificative originale ne peut être présentée.

5. Rapport et compte-rendu

L'ASBL Amazone est tenue de produire, chaque année, un rapport financier et un rapport moral concernant les activités menées.

Ces rapports doivent toujours mentionner toutes les activités et transactions financières des missions structurelles et activités.

L'Institut se réserve le droit de juger si le rapport d'activité présenté est suffisamment détaillé pour pouvoir évaluer les résultats obtenus des missions et/ou si les données fournies l'ont été conformément aux dispositions de la convention. Par conséquent, il peut, à tout moment, demander tous les renseignements complémentaires qu'il souhaite obtenir.

Amazone assure une organisation administrative qui est conforme aux dispositions légales en vigueur sur les ASBL et aux arrêtés d'exécution en matière de comptabilité.

Chaque année, Amazone fait appel à un-e réviseur-e pour le contrôle des comptes annuels et du bilan.

Amazone doit tenir compte des adaptations et des recommandations formulées par l'Institut lors d'un contrôle ou d'un audit. (Concrètement, il s'agit des recommandations transmises par les réviseurs d'entreprise Nielandt & Co). Les recommandations de l'audit de Nielandt & Co relatives au Centre d'Archives pour l'Histoire des Femmes ne devront être appliquées qu'au début de l'année 2007.

Déclaration signée

À l'heure de tout règlement de compte final, le responsable du promoteur doit joindre une déclaration signée qui confirme :

— que les missions structurelles et les activités susmentionnées ont été accomplies et que le règlement annexé est le règlement de compte final qui comprend tous les coûts et toutes les recettes des missions structurelles et des activités, toutes taxes et impôts inclus (dont la taxe sur la valeur ajoutée);

— que toutes les dépenses présentées ont effectivement été réalisées dans le cadre des missions structurelles et des activités susmentionnées;

— que ni les dépenses directes, ni les dépenses indirectes, sauf les cofinancements prévus, n'ont été financées par une autre forme de revenus, et que, par conséquent, ces dernières n'ont en aucun cas été subventionnées deux fois;

— que toutes les pièces justificatives administratives et comptables originales seront mises à disposition afin de permettre d'éventuels contrôles complémentaires par les services de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, et ce pendant une période de 10 ans à dater de la présente créance.

En outre, les annexes suivantes doivent au minimum y être jointes :

— un récapitulatif des recettes et des dépenses des missions structurelles et des activités susmentionnées, y compris un aperçu de tous les postes comptabilisés (édition des comptes généraux des missions structurelles et des activités);

— lors de l'établissement de l'état des rentrées et des dépenses, une comparaison doit être établie avec le budget présenté au départ, et le pourcentage d'écart par poste du budget;

— copies de toutes les factures et notes de débit, ainsi que les preuves relatives aux coûts de personnel;

— une motivation sommaire de la demande de paiement du solde.

Contrôle, évaluation et rapportage

Amazone s'engage à inviter l'Institut aux réunions du groupe de travail « gestion financière » et à la réunion du conseil d'administration ayant à l'agenda le rapport relatif à l'exécution du plan de travail et à l'exécution du budget pendant les premiers six mois de l'année.

L'évaluation des résultats/indicateurs s'effectue en concertation entre l'Institut et Amazone. Si les résultats/indicateurs ne sont pas atteints, l'Institut peut prendre des sanctions et procéder éventuellement à une demande de restitution des acomptes déjà versés ou empêcher le versement des soldes restants. Ceci n'est pas valable dans les cas où les résultats/indicateurs ne sont pas atteints à cause de circonstances ne dépendant pas de la volonté d'Amazone.

Pendant et après la réalisation du projet, Amazone autorisera tous les contrôles nécessaires à l'évaluation de l'efficacité de la réalisation et l'Institut se réserve le droit de réaliser un audit financier dans les bureaux du promoteur en ce qui concerne l'utilisation du subside alloué.

L'Institut a le droit de demander la restitution de tous les moyens pour lesquels aucune pièce justificative n'est présentée. Il peut, en permanence, consulter les pièces justificatives au siège de l'association.

Amazone est tenue de rembourser immédiatement les montants perçus :

— si les conditions de la présente convention ne sont pas respectées;

— si le subside pour les fins desquelles il a été alloué n'est pas utilisé (en cas d'usage impropre de la subvention, celle-ci sera réclamée pour la partie concernant l'usage impropre);

— si les pièces justificatives demandées ne sont pas présentées dans le délai fixé, ou si leur contrôle est empêché;

— si les coûts présentés ont déjà été couverts par d'autres rentrées ou font partie, de quelque façon, d'un double subventionnement.

Aanhangsel bij de overeenkomst tussen het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, met administratieve zetel te 1070 Brussel, Ernest Blerostraat 1, hierna genoemd het Instituut, vertegenwoordigd door Marianne Vergeyle, voorzitster van de Raad van Bestuur van het Instituut en Michel Pasteel, ondervoorzitter en de VZW Amazone met zetel te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 10, hierna genoemd Amazone, vertegenwoordigd door Monique Chalude, voorzitster.

Algemeen beginsel

Onderhavige aanhangsel brengt een wijziging aan de overeenkomst tussen het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, met administratieve zetel te 1070 Brussel, Ernest Blerostraat 1, hierna genoemd het Instituut, vertegenwoordigd door Marianne Vergeyle, voorzitster van de Raad van Bestuur van het Instituut en Michel Pasteel, ondervoorzitter en de VZW Amazone met zetel te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 10, hierna genoemd Amazone, vertegenwoordigd door Monique Chalude, voorzitster; afgesloten in 2005, inzonderheid van artikel 4.

Behoudens de bepalingen vermeld in onderhavig aanhangsel, blijven alle bepalingen van de initiële overeenkomst geldig.

Artikel 4 : Financiering

Dit artikel wijzigt het initiële artikel 4 als volgt :

De financiële bijdrage vanuit het Instituut heeft betrekking op de financiering van de activiteiten en initiatieven die zijn voorzien in het meerjarenplan ter uitvoering van de hiervoor genoemde structurele opdrachten..

De hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten worden goedgekeurd voor een periode van 3 jaar beginnend op 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2008.

De totale begroting voor de hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten wordt jaarlijks bepaald op 590 000 euro.

Het bedrag van 590 000 euro wordt jaarlijks gekoppeld aan de indexering indien ook de dotatie van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen op het vermelde jaar geïndexeerd wordt en dit dan met hetzelfde percentage als voor de dotatie van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen voor dat desbetreffende jaar.

Dit bedrag omvat alle kosten van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten inbegrepen alle taksen en belastingen.

Het Instituut zal, onder voorbehoud dat alle contractuele bepalingen van de voorliggende overeenkomst en de bijlagen door de promotor strikt worden nageleefd, de globale som zoals vermeld in voorgaande alinea, overmaken op rekening 523-0801035-84 van VZW Amazone met de vermelding « Toelage Instituut — Amazone » en dit volgens onderstaande betalingsmodaliteiten :

— Amazone dient een begroting in voor de hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten ten laatste 1 maand voor de inwerkingtreding van de overeenkomst (in concreto voor 2006 : ten laatste op 1 december 2005). In deze begroting zijn de kosten voor de betoelaagde hiervoor genoemde structurele opdrachten en de activiteiten uitgesplitst per post (vb. personeelskosten, werkingskosten, afschrijvingen voor duurzame goederen).

— 85 % van de gevraagde financiering wordt onmiddellijk overgemaakt na goedkeuring van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten en de begroting en ten laatste 2 maanden na het indienen van de begroting (in concreto voor 2006 : ten laatste op 31 januari 2006).

— 15 % of het resterende saldo zal gestort worden na positieve evaluatie van een door Amazone ingediend inhoudelijk en financieel eindverslag waaruit blijkt dat de vooropgestelde indicatoren/resultaten werden behaald. Bij de beschrijving van de hiervoor genoemde structurele opdrachten en activiteiten en de opmaak van de begroting zullen indicatoren of resultaatgebieden worden aangegeven. Er dient overeenstemming te zijn tussen het Instituut en Amazone wat betreft de bepaling van de indicatoren en de resultaatgebieden. Het inhoudelijk en financieel verslag zal door Amazone worden ingediend, uiterlijk 3 maanden na het einde van elk werkjaar (in concreto voor 2006 : uiterlijk tegen 31 maart 2007). Amazone verbindt er zich toe bij haar financieel verslag kopie van alle originele verantwoordingsstukken voor te leggen. Het Instituut heeft het recht alle middelen terug te vorderen waarvoor geen verantwoordingsstukken kunnen worden voorgelegd.

Opgemaakt te Brussel, ...

ANNEXE / BIJLAGE 4


(1) Bovendien kunnen het activiteitenrapport 2004-2005 en het Strategisch plan 2005-2007 van het Instituut op zijn website (www.iefh.fgov.be) worden gevonden.

(2) Stuk Kamer 51-2546/001.