Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-63

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Financiën

Vraag nr. 3-4179 van mevrouw Anseeuw d.d. 20 januari 2006 (N.) :
Notionele renteaftrek. — Gevolgen voor de coördinatiecentra.

De helft van de ruim 200 actieve Belgische coördinatiecentra moet eind 2005 beslissen of ze hun activiteiten hier handhaven of delokaliseren. De afschaffing van de coördinatiecentra is een gevolg van zware Europese druk, waarbij werd gesteld dat het fiscale stelsel ongeoorloofde overheidsteun inhield en aldus leidde tot oneerlijke concurrentie. De betrokken groepen (veelal multinationals) wisten dat hun vergunning in 2006 zou aflopen en stelden bijgevolg reeds uitvoerige plannen op om hun zetel over te hevelen naar andere landen (Nederland, Ierland en Zwitserland).

De coördinatiecentra werden belast tegen een normaal tarief, maar hun belastbare basis was kleiner, namelijk de bedrijfskosten, exclusief loon- en financiële kosten. Vele multinationals vestigden zich bijgevolg in België. Hun aanwezigheid is cruciaal voor onze dienstensector en in het bijzonder voor de horeca doordat vele internationale congressen en seminaries in België plaatsvinden.

De geachte vice-eerste minister en de regering boden een alternatief aan dat de Europese test doorstaat en fiscaal economisch zeker evenwaardig is, namelijk de notionele renteaftrek (de fiscale bonus voor eigen kapitaalinbreng). Dit biedt bedrijven de mogelijkheid om een forfaitaire rente van 3,4 % op het netto eigen vermogen af te trekken van de belastbare winst.

Deze maatregel kwam volgens de secretaris-generaal van coördinatiecentra forum 187 te laat voor vele coördinatiecentra. Zij anticipeerden immers reeds in 2004 op de afschaffing van het stelsel en zochten al in dat jaar naar alternatieve locaties. Tot december 2005 heerste er immers twijfel omtrent de exacte strekking van de notionele intrest en dan in het bijzonder de vraag of het belastingvoordeel al of niet verplicht moest worden gereserveerd gedurende drie jaar.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Hoeveel coördinatiecentra hebben tot op heden hun activiteiten gedelokaliseerd en welke waren de landen waar zij zich vestigden ?

2. Hoeveel multinationals hebben tot op heden aangegeven hun financiële en/of de maatschappelijke zetel te zullen verplaatsen naar België ?

3. Kan de geachte vice-eerste minister uitvoerig toelichten of hij het eens is met de stelling als zou de notionele intrest regeling te laat komen voor vele coördinatiecentra ?

4. Is er doorlopend overleg geweest met de coördinatiecentra, aangezien een groot deel reeds in 2004 plannen klaarstoomde om eventueel uit te wijken naar andere landen binnen de Europese Unie (EU) ? Zo ja, op welke tijdstippen vond het overleg plaats en met welke centra ? Zo neen, waarom niet ?

5. Welke inspanningen levert de regering om meer bekendheid te geven aan de notionale intrestregeling (buitenlandse promotie, reclamespots) en welk budget wordt hiervoor uitgetrokken ?

Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te willen vinden op de door haar gestelde vragen.

1. De administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF) beschikt over geen gegevens wat betreft de delocalisatie van erkende coördiantiecentra naar het buitenland. Dienaangaande wordt de aandacht er op gevestigd dat erkende coördinatiecentra geen meldingsplicht hebben wanneer ze wensen te verzaken aan de voordelen zoals voorzien in de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (koninklijk besluit nr. 187). Volledigheidshalve moet hieraan nog worden toegevoegd dat de voormelde verzaking nog niet betekent dat de bedoelde coördinatiecentra in se de intentie hebben om hun activiteiten naar het buitenland te delokalisren. Er kunnen andere redenen zijn — zoals de invoering van de notionele interest-aftrek die aan de grondslag liggen van dergelijke verzaking.

2. De AOIF beschikt niet over dergelijke informatie.

3. De stelling van het geachte lid kan niet worden bijgetreden.

Immers, in het antwoord op de mondelinge parlementaire vragen nr. 5852 van 15 maart 2005 gesteld door mevrouw de volksvertegenwoordiger Pieters en nr. 5911 van 15 maart 2005 gesteld door de heer volksvertegenwoordiger Devlies werd reeds de mogelijkheid aangehaald van de notionele interestaf-trek als alternatief voor het fiscaal voordeel regime voor de coördinatiecentra dat reeds vóór de kerstvakantie van 2004 werd gelanceerd door de eerste minister. Dit werd trouwens bevestigd in de persmededeling van 23 december 2004 van de Ministerraad waarin wordt meegedeeld dat de Ministerraad een akkoord heeft bereikt over het principe van de invoering van een systeem van notionele interestaftrek.

Reeds begin 2005 werd een presentatie gedaan van het bedoelde systeem voor alle vertegenwoordigers van alle coördinatiecentra in België waarbij de reactie van de betrokkenen zeer positief was.

Uiteindelijk heeft de Ministerraad op 4 maart 2005 een akkoord bereikt over een juridische tekst houdende invoering van een systeem van notionele interestaftrek. Terzake kan worden verwezen naar het antwoord op de voormelde mondelinge parlementaire vragen in het Integraal Verslag van de Kamer, 3º zitting van de 51º zittingsperiode, 2004-2005, CRIV 51 COM 532 van 15 maart 2005.

De voormelde notionele interestaftrek werd ingevoerd door de wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal en is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2007. De coördinatiecentra waarvan de datum van hun erkennings- of hernieuwingsbesluit afloopt op 31 december 2005 kunnen dus in principe in aanmerking komen voor de toepassing van de bedoelde wetsbepaling. Bovendien zullen de coördinatiecentra, die thans nog actief zijn, uiteraard in de toekomst kunnen opteren voor het voormelde nieuwe systeem.