3-867/5

3-867/5

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

29 MEI 2006


De eerlijke handel


AMENDEMENTEN


Nr. 40 VAN DE DAMES ZRIHEN EN DE ROECK

(Subamendement op hun amendement nr. 39)

De tekst van amendement nr. 39 aanvullen als volgt :

Begripsbepalingen

Over de begripsbepaling van « eerlijke handel » is altijd al gedebatteerd. Ook vandaag nog zijn er verschillende definities van. De eerste spelers die voor de bevordering van dergelijke handel werkten, hadden het zelf wat moeilijk om te bepalen wat eerlijke handel is.

Aangezien eerlijke handel zich van andere initiatieven ten voordele van ontwikkelingshulp onderscheidt, blijkt het nuttig en noodzakelijk ze allemaal te proberen beschrijven, om het debat zo veel mogelijk op te helderen.

1. Globaal kader

De grote kapstok die men kan hanteren om over ethische handel, eerlijke handel, Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) en Corporate Social Responsability (CSR) te praten, is het concept van Duurzame Ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling biedt een algemeen transversaal beleidskader, waarbij de integratie van maatregelen op ecologisch, economisch en sociaal vlak in een samenhangende strategie gebeurt, over de verschillende beleidsdomeinen. Het uitgangspunt hierbij is de verklaring van Rio betreffende Milieu en Ontwikkeling uit 1992 (1) , en hernomen op de Top van Johannesburg over Duurzame Ontwikkeling in 2002.

1.1. Eerlijke Handel en Eerlijke Productie

De kleinschalige handelsinitiatieven uit de jaren '60 en '70 tussen producenten uit het Zuiden en afnemers uit het Noorden zijn uitgegroeid tot volwaardige dragers van een eerlijk handelsideaal. Dat ideaal (No aid, but trade) stelde dat armoedebestrijding in de derde wereld het best verliep door op een gelijkwaardige en eerlijke manier handel met deze landen te drijven. Sommige van deze initiatieven groeiden uit tot grote organisaties die in hun filialen producten verkopen die (voornamelijk) in dat bepaald kader geproduceerd worden. Dat kader wordt verderop uitgewerkt onder de term Eerlijke Handel. In se gaat het om het feit dat de handelsrelatie tussen producent en afnemer anders en beter is. Dit soort handel is gekomen als reactie op de sterk benadeelde positie van boeren in het Zuiden op de grondstoffenmarkt. De koffiecrisis heeft ondermeer bijgedragen tot een correctie van die handelswijze door NGO's, omdat zij als eersten zagen dat deze boeren nood hadden aan een minimumprijs en een degelijke toegang tot de wereldmarkten, als structurele oplossing voor hun benadeelde marktpositie.

Naast de eerlijke handel, die zich richt op het veranderen van handelsrelaties, zijn er nog andere begrippen. Deze begrippen zijn CSR, MVO en ethische handel. Zij richten zich specifiek naar het bedrijfsleven. Deze termen hebben dan ook betrekking op de interne organisatie van bedrijven en hun positie in de maatschappij, zowel op lokaal, nationaal als internationaal vlak. Deze termen hebben betrekking op de productie, en niet zozeer op de handelsrelatie. Deze laatste vormt een onderdeel van het totaalpakket aan MVO of CSR. In het geval van eerlijke handel zijn deze handelsrelaties tussen de producent uit het Zuiden en de afnemers net de essentie van de werking.

1.2. Ethische Handel

Daar waar Eerlijke Handel (of Fair Trade) zich richt op een gelijkwaardige handelspositie tussen producent en afnemer, dekt de term ethische handel een veel bredere lading. Ethische handel kan men het best definiëren als de verhandeling van producten die gemaakt worden onder de minimale voorwaarden zoals ze bepaald worden door de instellingen van de internationale gemeenschap. Deze instellingen zijn de VN, maar ook de Internationale Arbeidsorganisatie of de OESO.

De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) is een agentschap dat verbonden is aan de VN. Ze heeft een eigen basiscode met minimale arbeidsvoorwaarden, uitgewerkt in 8 conventies, waaraan VN-lidstaten moeten voldoen. Helaas kunnen deze arbeidsvoorwaarden niet juridisch worden afgedwongen door de VN, omdat de staten geen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de bedrijven die deze voorwaarden schenden. Niettemin gaan van deze regels veel gezag uit, omdat ze worden ondersteund door 178 landen (2) .

De Verenigde Naties (VN), waarvan 191 staten deel van uitmaken, vertegenwoordigen het best de internationale gemeenschap. Binnen de Commissie Mensenrechten worden momenteel een aantal basisrichtlijnen uitgewerkt voor grote ondernemingen. Deze richtlijnen moeten nog een hele weg afleggen, maar het is een kwestie van tijd, eer ze geïmplementeerd zullen worden. Het voordeel van deze VN-normen is drieledig :

1. een bredere impact want ze gelden voor alle lidstaten;

2. beter gedragen, omdat ze onderhandeld worden door de VN-lidstaten;

3. na goedkeuring in de Algmene Vergadering worden ze wettelijk afdwingbaar.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (3) is het meest bekende referentiepunt voor MVO. De UVRM vormt samen met het Internationaal Handvest over Economische, Sociale en Culturele Rechten (3 januari 1976), het Internationaal Handvest over Burgerlijke en Politieke Rechten (23 maart 1976) en het Optioneel Protocol bij het Internationaal Handvest over Burgerlijke en Politieke Rechten (23 maart 1976), de International Bill of Human Rights van de VN. De UVRM is een moreel referentiekader, dat niet juridisch afdwingbaar is, maar deel uitmaakt van het internationale gewoonterecht. De andere handvesten, alsook het optioneel protocol zijn getekend en aangenomen in de algemene Vergadering van de VN, en zodoende wettelijk bindend.

Er bestaan verder nog tal van normen en richtlijnen inzake milieu, consumentenzorg, corruptie, gezondheid en dies meer. Enkele voorbeelden zijn :

— de Verklaring van Rio (1992) betreffende Milieu en Ontwikkeling;

— het Biodiversiteitsverdrag van 1992 (4) ;

— het Protocol van Kyoto van 1997 (5) ;

— de UN Guidelines for Consumer Protection (6) .

Deze verdragen hebben allen een, zij het beperkte, draagkracht. Zij zijn slechts bindend voor de lidstaten die ze ondertekenen. Het bindend karakter van de verdragen is afhankelijk van het legistieke kader (VN-document, protocol) waarin de onderhandelingen van de normen, en de uiteindelijke ondertekening gebeurt.

1.3. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) of Corporate Social Responsability (CSR)

MVO is de vertaling van het begrip CSR. Op dit vlak heeft de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO) een referentiekader uitgewerkt, en goedgekeurd. De Belgische regering zal de bedrijven aansporen om MVO-initiatieven te ontwikkelen op basis van dit referentiekader (7) . De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad brachten al een positief en gezamenlijk advies over dit referentiekader uit (8) .

De essentie van MVO (of CSR) valt samen te vatten als volgt :

« Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen is een proces waarbij ondernemingen vrijwillig streven naar verbetering op bedrijfs- en maatschappelijk vlak door op een systematische wijze economische, milieu- en sociale overwegingen op een geïntegreerde en coherente manier in de gehele bedrijfsvoering op te nemen, waarbij het overleg met de stakeholders, of belanghebbenden van de onderneming deel uitmaakt van dit proces. »

Ongeveer dezelfde stelling wordt geponeerd in het Groenboek van de Europese Commissie over « de bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid voor bedrijven » (9) en de OESO-Richtlijnen voor multinationale ondernemingen (10) . Deze richtlijnen zijn van toepassing in een brede maatschappelijke context. Ze sporen bedrijven aan om het nationaal recht van de landen waar zij gevestigd zijn, te respecteren. De richtlijnen stellen dat bedrijven daarbovenop een positieve bijdrage moeten leveren aan de duurzame ontwikkeling in en rondom hun vestigingen.

De Europese Commissie heeft eind maart een nieuwe communicatie (11) uitgebracht, die het begrip CSR herdefinieert. In dit document houden we vast aan de meest complete omschrijving, in casu deze van de ICDO.

2. Labels

Labels dienen als voorlichtingsinstrument voor de consument, als een bewijs dat het bewuste product werkelijk voldoet aan de kwalificaties waar het aanspraak op maakt. Het Europese Ecolabel bijvoorbeeld is een bewijs dat het product voldoet aan de productievoorwaarden, inherent aan dat label. Er zijn tal van sociale en ecologische labels, gedragscodes en managementsnormen die op verschillende niveaus worden afgesloten tussen diverse actoren. De meest betrouwbare zijn de institutionele labels (zoals het Sociaal Label van de Belgische Overheid) of labels die door een onafhankelijk certificeringsorgaan worden gecontroleerd (vb door Max Havelaar (12) en FLO (13) ).

Andere voorbeelden zijn het 4C-initiatief, waarbij de vertegenwoordigers van de koffiesector, de producenten, de NGO's, de certificeringsinstellingen en de vakbonden samenwerken om het marktaandeel van gecertificeerde koffie te vergroten. Labels zoals Utz Kapeh, het Efico-label of Colibri (Colruyt-label voor ethisch geproduceerde koffie) kaderen dan ook in de beweging van de ethische handel, die vanuit een eigen engagement een meerwaarde bieden aan het aangeboden product of dienst, en garanderen dat dit conform bestaande sociale en ecologische richtlijnen gebeurt.

3. Conclusie

Al die handelsvormen of vormen van handelspraktijk beantwoorden aan een verschillende logica en aan verschillende criteria. Al die initiatieven zijn complementair, zijn een weldaad voor de producenten van het Zuiden en moeten worden aangemoedigd. Ze mogen evenwel niet met elkaar worden verward. Daarom en tevens omdat de hoorzittingen tot de eerlijke handel beperkt bleven, zullen deze aanbevelingen zich tot de eerlijke handel beperken.

Olga ZRIHEN.
Jacinta DE ROECK.

(1) Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling, « De verklaring van Rio de Janeiro inzake Milieu en Ontwikkeling, juni 1992.

(2) ILO Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work, 1998.

(3) Universal Declaration of Human Rights, G.A., res. 217A (III), U.N. Doc A/810 at 71 (1948).

(4) http://www.biodiv.org/convention/default.shtml

(5) Kyoto Protocol to the United Nations Framework Convention on Climate Change, 1997.

(6) Economische en Sociale Raad van de VN, resolutie 1999/7.

(7) Referentiekader « Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in België ». aangenomen tekst ICDO 29 maart 2006.

(8) Advies CRB 2006-100 DEF CCR 10 van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en Advies nr. 1 544 van de Nationale Arbeidsraad.

(9) Groenboek « De bevordering van De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven », 18 juli 2001, Brussel, COMM 2001 (366) definitief.

(10) De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen uit 1976 (herzien in 1999 en 2000) zijn een onderdeel van de OESO-Verklaring inzake Internationale Investeringen en Multinationale Ondernemingen. (DAFFE/IME(2000)20).

(11) Communicatie 136 van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Raad, 2006.

(12) www.maxhavelaar.nl

(13) www.fairtrade.net