(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
De tekst van deze vraag is dezelfde als die van vraag nr. 3-3700 aan de vice-eerste minister en minister van Justitie, die hiervoor werd gepubliceerd.
Antwoord : De leeftijdsgrens voor ambtenaren, dat wil zeggen de leeftijd waarop ze niet langer in dienst kunnen blijven en dus oprustgesteld worden, is 65 jaar. De ambtenaar mag echter zijn opruststelling reeds vragen vanaf de leeftijd van 60 jaar op voorwaarde dat hij ten minste 5 dienstjaren telt en in aanmerking komende diensten of periodes van na 31 december 1976 kan laten gelden.
Wat mijn diensten betreft is er slechts één afwijkend arbeidsstelsel van toepassing dat specifiek toelaat vóór de leeftijd van 65 halftijds te gaan werken en waarbij op dat ogenblik de datum van opruststelling wordt vastgelegd. Dit halftijds stelsel, of meer bepaald de halftijds vervroegde uittreding, wordt geregeld door de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector en is enkel van toepassing op statutaire personeelsleden. De ambtenaar kan van dit stelsel gebruikmaken vanaf 55 jaar en dit maximum voor vijf jaar. Hij heeft recht op een wedde voor zijn halftijdse prestaties aangevuld met een premie van 295,99 euro.
Als we het personeelsbestand van de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie bekijken dan stellen we vast dat de gemiddelde leeftijd 46 jaar is op 1 januari 2005. Bij de vaststelling van deze gemiddelde leeftijd werd enkel rekening gehouden met de statutaire personeelsleden.
Als we telkens op 1 januari een stand van zaken maken van de ambtenaren die op dat ogenblik werken volgens het stelsel van de halftijds vervroegde uittreding, dan komen we tot volgende resultaten :
2004 : 5;
2003 : 3;
2002 : 3;
2001 : 2;
2000 : 1.
Als we voor deze vijf jaren eens bekijken wat de gemiddelde leeftijd is van de ambtenaren die in een welbepaald jaar met pensioen gegaan zijn, dan komen we tot dit resultaat :
2004 : 61,4;
2003 : 61,8;
2002 : 60,3;
2001 : 62,2;
2000 : 61,4.
Het becijferen van het vervangingspercentage van ambtenaren die ofwel gebruikmaken van de halftijds vervroegde uittreding, ofwel op pensioen gaan, is zeer moeilijk geworden ten gevolge van het invoeren van het systeem van de personeelsenveloppen. Om de aanwervingen te waarborgen proberen de diensten echter zoveel mogelijk de budgettaire marge te benutten. Bovendien wil ik het Geachte Lid erop wijzen dat de verplichting om twee ambtenaren die in dezelfde overheidsdienst gebruik maken van het recht op halftijds vervroegde uittreding te vervangen door een bijkomende statutair personeelslid, voorzien in artikel 5 van de wet van 10 april 1995, omgezet werd in een vervangingsmogelijkheid met ingang van 1 januari 2002 (Programmawet 30 december 2001). Bijgevolg is dit moeilijk na te gaan.