Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-52

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 3-3040 van mevrouw Van de Casteele d.d. 15 juli 2005 (N.) :
Dringende geneeskundige hulpverlening. — Mogelijke bevoegdheidsoverheveling van Binnenlandse Zaken naar Volksgezondheid. — Overleg inzake het koninklijk besluit over de rampenplannen.

Sinds de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening valt deze hulpverlening onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.

Volgens de voorzitter van het « Belgian College of Emergency Physicians » (Becep) heeft amper 5 % van de oproepen inzake de dringende hulpverlening echt betrekking op levensbedreigende aandoeningen.

De dringende medische hulpverlening is sinds 1964 enorm geëvolueerd en de performantie ligt veel hoger.

Zo zou de minister van Binnenlandse Zaken een koninklijk besluit op de rampenplannen voorbereiden waarin hij ook beschrijft hoe urgentiegeneeskunde daarin tussenkomt.

Indien urgentiegeneeskunde onder Volksgezondheid valt, zou volgens Becep de hulpverlening breder en coherenter kunnen worden ingekaderd. Daarom vragen de spoedartsen een overheveling van de dringende medische hulpverlening.

1. Welk is het standpunt van de geachte minister terzake ?

2. Zijn er vandaag nog voldoende argumenten om de dringende geneeskundige hulpverlening te laten organiseren door de minister van Binnenlandse Zaken ?

3. Zou deze bevoegdheid niet beter worden overgeheveld naar de minister van Volksgezondheid, mits er een goede samenwerking en overleg plaatsvinden met andere hulpdiensten ?

4. Wordt er inzake het koninklijk besluit over de rampenplannen overleg gepleegd tussen Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid ?

Antwoord : Het geachte lid kan hieronder het antwoord vinden op zijn vragen.

1. De wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening en het erop gebaseerde koninklijk besluit van 2 april 1965 houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van de gemeenten als centra van het eenvormig oproepstelsel bepalen dat de minister van Binnenlandse Zaken instaat voor de organisatie van het eenvormig oproepstelsel.

Bovendien heeft de wetgever in artikel 2bis, 3º, van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming uitdrukkelijk bevestigd dat de dringende medische hulpverlening tot de opdrachten van de diensten van de civiele veiligheid behoort.

Bijgevolg maakt de organisatie van de dringende medische hulpverlening deel uit van mijn bevoegdheden. Deze bevoegdheid behelst de organisatie van het eenvormig oproepstelsel en het vervoer van de personen, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 8 juli 1964, tot aankomst bij het hospitaal of tot aankomst van de urgentiearts.

2. Niettegenstaande de evolutie van de dringende medische hulpverlening, stel ik vast dat 61 % van de ziekenwagendiensten verzekerd wordt door de brandweerdiensten, terwijl ziekenhuizen en privé-diensten slechts 27 % voor hun rekening nemen, en het Rode Kruis en andere diensten voor de resterende 12 % van de ziekenwagendiensten instaan.

Ik stel ook vast dat sedert enkele jaren de FOD Volksgezondheid geen ambulances meer ter beschikking van de openbare hulpdiensten stelt die instaan voor het dringend vervoer van de patiënten.

Zodoende is het aangewezen de bepalingen van de wet van 8 juli 1964 en van de wet van 31 december 1963 onverkort van toepassing te laten.

Daarnaast wordt trouwens in een permanent overleg voorzien met de minister van Volksgezondheid wat betreft de kwaliteitseisen die gesteld worden aan de deelnemers binnen de dringende geneeskundige hulpverlening.

3. De goede samenwerking en het overleg met andere hulpdiensten kan beter gegarandeerd worden wanneer de dringende medische hulpverlening een bevoegdheid van Binnenlandse Zaken blijft. Ik heb immers ook de andere belangrijke hulpdiensten (civiele bescherming en politie) onder mijn bevoegdheid.

4. Het ontwerp van het koninklijk besluit over de rampenplanning is besproken geweest met Volksgezondheid, zoals dat ook gebeurde met de andere disciplines. Het koninklijk besluit dat zich eerder beperkt tot het scheppen van een algemene omkadering en geenszins de medische discipline in detail behandelt, wordt mede-ondertekend door de minister van Volksgezondheid.