3-1368/2

3-1368/2

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

29 NOVEMBER 2005


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de regering van Nieuw-Zeeland inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, ondertekend te Brussel op 23 april 2003


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW VAN de CASTEELE


I. INLEIDING

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 8 en 29 november 2005.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Deze overeenkomst moet gezien worden in de context van de Verdragen van Wenen inzake diplomatiek en consulair verkeer van 1961 en 1963.

De voorliggende overeenkomst regelt de situaties waarin de echtgeno(o)t(e) van een diplomaat een professionele activiteit wil uitoefenen. Het gaat dus om een wederkerige regeling van het verrichten van betaalde werkzaamheden, als loontrekkende of als zelfstandige, door de echtgeno(o)t(e) en andere gezinsleden van het huishouden van in België aangestelde ambtenaren en andere personeelsleden van Nieuw-Zeelandse diplomatieke posten en consulaire zendingen en van in Nieuw-Zeeland aangestelde ambtenaren en andere personeelsleden van Belgische diplomatieke posten en consulaire zendingen.

De overeenkomst voorziet in de mogelijkheid afstand te doen van de civiele en administratiefrechtelijke immuniteit van rechtsmacht en van de immuniteit van tenuitvoerlegging van de vonnissen ten aanzien van handelingen die voortvloeien uit het verrichten van betaalde werkzaamheden.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Roelants du Vivier zou graag vernemen of er andere overeenkomsten van dit type zijn met andere landen. Is dit de eerste overeenkomst in zijn soort ? Zijn er al andere afgesloten ?

Volgens de heer Galand is het duidelijk dat dit een voorsmaakje is van vele overeenkomsten van hetzelfde soort. Men moet dus zeer oplettend zijn, al valt Nieuw-Zeeland wel te vertrouwen.

In het kader van het gelijkekansenbeleid is besloten een aantal landen bilaterale wederkerigheidsovereenkomsten ter onderhandeling voor te leggen teneinde met name de echtgeno(o)te van diplomatieke en consulaire ambtenaren de kans te bieden bezoldigde arbeid te verrichten. Dit verdient aanmoediging.

De heer Galand vraagt zich echter af hoe men gaat onderhandelen met landen uit het Middellandse-Zeegebied en van het Arabisch schiereiland.

Spelen deze overeenkomsten niet alleen in het voordeel van mannen ? Welke regels gaan wij invoeren om ervoor te zorgen dat deze akkoorden een positieve invloed hebben op de gendergelijkheid ?

Volgens mevrouw Van de Casteele zal deze overeenkomst eerder ten goede komen aan vrouwen omdat het veelal vrouwen die hun echtgenoot-diplomaat vergezellen naar het buitenland.

Wat de vrouwelijke diplomaten betreft, is het een feit dat zij meestal een echtgenoot hebben die eveneens diplomaat is, wat hun situatie nog verder bemoeilijkt, zeker als ze niet op dezelfde post te werk gesteld zijn als hun echtgenoot.

De heer Roelants du Vivier herinnert eraan dat men in de diplomatieke loopbaan ook om toestemming moet vragen om te huwen. De echtgenoot of echtgenote van een diplomaat moet ook de toestemming vragen om een mogelijke baan aan te nemen.

De heer Galand denkt aan een aspect dat te maken heeft met het personeel dat commerciële arbeid zou verrichten, voor transnationale bedrijven bijvoorbeeld. Spreker vraagt zich af hoe men dan de eventuele belangenconflicten met België kan oplossen.

De heer Roelants du Vivier voegt daaraan toe dat men ook zeer goed moet opletten dat er geen belangenconflicten ontstaan tussen de beroepsbezigheden van een echtgenoot of echtgenote en de diplomatieke activiteiten van de andere echtgenoot of echtgenote.

Mevrouw Van de Casteele bevestigt dat de voorliggende overeenkomst effectief niet veel concrete problemen met zich zal meebrengen. Er is geen Belgisch diplomatiek personeel in Nieuw-Zeeland aanwezig; er is alleen een consul voor België die zelfs niet over een secretariaat beschikt. De diplomatieke betrekkingen worden vanuit Australië waargenomen. In casu zal het dus alleen gaan over inwoners van Nieuw- Zeeland die in Brussel aanwezig zijn.

Het commissielid is vooral bezorgd over de gevolgen van de goedkeuring van deze overeenkomst voor grote ambassades of grote vertegenwoordigingen van andere landen in België en in Brussel, vooral indien « familie » en « arbeid » zeer ruim zou geïnterpreteerd worden.

De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken legt uit dat wat betreft de familiebanden, het toepassingsgebied vrij beperkt is. Voor de diplomatieke agenten en de consulaire ambtenaren blijft de overeenkomst beperkt tot de echtgenoten en de kinderen jonger dan 18 jaar. Wat het andere personeel op de zending of de consulaire post betreft, geldt de overeenkomst enkel voor de echtgenoten.

Mevrouw Van de Casteele wenst te weten hoeveel mensen potentieel in aanmerking kunnen komen voor een doorsnee consulaat of ambassade.

De vertegenwoordiger van de minister antwoordt dat wat betreft de echtgenoten, alle personeelsleden in aanmerking komen, dus zowel de personeelsleden van het hoge niveau als van het lagere niveau. Wat betreft de kinderen, blijft de overeenkomst beperkt tot de kinderen van de diplomaten en de consulaire ambtenaren.

In Brussel hebben veel landen een vertegenwoordiging; zij zullen uiteraard ook onder het toepassingsgebied van een dergelijke overeenkomst vallen. Over het algemeen gezien, zullen er dus in België meer begunstigden zijn dan Belgen in het buitenland.

Het is moeilijk om een precies cijfer mede te delen, want de overeenkomst biedt alleen de mogelijkheid aan de gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel om werkzaamheden uit te oefenen; het is uiteraard geen verplichting. Hoeveel echtgenoten echt interesse zullen hebben voor deze mogelijkheid, is moeilijk in te schatten.

De vertegenwoordiger van de minister wijst verder op een belangrijk « neveneffect » van dergelijke overeenkomst voor het samenstellen van het diplomatiek korps — ook al is term « neveneffect » misschien niet op zijn plaats; het zou zelfs een belangrijk effect kunnen zijn. Tijdens de diplomatieke dagen in september 2005 is nog maar eens gebleken hoe weinig vrouwelijke diplomaten er zijn. In de huidige omstandigheden is het voor een vrouw nog altijd makkelijker om haar echtgenoot naar het buitenland te volgen, zonder enige kans op carrière. Echtgenoten van vrouwelijke diplomaten volgen hun vrouw niet zo gemakkelijk als zij weten dat zij in het buitenland geen beroep kunnen uitoefenen. Indien zij wel beroepswerkzaamheden zouden kunnen uitoefenen, kan dit een stimulans zijn om hun echtgenotes te volgen en een verschuiving betekenen in het huidige, niet echt representatieve, beeld van de vrouwelijke diplomaten.

Mevrouw Van de Casteele peilt naar de impact van deze overeenkomst op de Belgische arbeidsmarkt en welke risico's verbonden zijn aan de opheffing van het diplomatieke statuut. Zijn de personen in kwestie verplicht om afstand te doen van hun immuniteit ?

Volgens de vertegenwoordiger van de minister zullen de familieleden die betaalde werkzaamheden willen uitoefenen, inderdaad verplicht hun immuniteit moeten opgeven.

Mevrouw Van de Casteele wenst verder nog te weten of gezinsleden van het diplomatiek of consulair corps die gedurende een aantal jaren een arbeidsvergunning in België hadden, nadien die arbeidsvergunning kunnen gebruiken om een verblijfsvergunning aan te vragen.

De vertegenwoordiger van de minister verklaart dat voor gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel een speciaal type arbeidskaart wordt gecreëerd, zijnde de arbeidskaart C. In tegenstelling tot de arbeidskaart A, die de mogelijkheid geeft om een verblijfstitel te bekomen, kan dit niet voor de arbeidskaart C. Het verkrijgen van een arbeidskaart C geeft ook geen recht op het verkrijgen van een arbeidskaart A en kan dus niet de basis zijn voor een verblijf in België.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2, alsmede het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van het verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Annemie VAN de CASTEELE. François ROELANTS du VIVIER.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (stuk Senaat, nr. 3-1368/1 - 2004/2005)