Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-49

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid

Vraag nr. 3-3073 van mevrouw Van de Casteele d.d. 20 juli 2005 (N.) :
Apotheken. — Openings- en sluitingsuren. — Mogelijke inbreuk op de vrije concurrentieregels. — Positie van de Raad voor de Mededinging.

De Raad voor de Mededinging zou recentelijk een aantal klachten hebben ontvangen over het feit dat de openings- en sluitingsuren van apotheken een inbreuk zouden betekenen op de vrije concurrentieregels.

Nochtans is een apotheek geen gewone handelszaak en zijn geneesmiddelen geen gewone koopwaar, zeker niet als het voorschriftplichtige geneesmiddelen betreft. De wetgever heeft immers in het belang van de volksgezondheid, onder meer door de wet op de spreiding van officina's, geopteerd voor de verdeling van geneesmiddelen door een evenwichtig uitgebouwd net van deskundige en hooggeschoolde apothekers. De regering heeft vorig jaar trouwens ook beslist dat apothekers eerder moeten vergoed worden in de vorm van een farmaceutisch honorarium, dan via een winstmarge op de geneesmiddelen.

In tegenstelling tot andere handelszaken moeten apothekers samenwerken om de wachtdienst te verzekeren, om op die manier de dienstverlening aan de patiënt te verzekeren. Vrije openings- en sluitingsuren zouden bijvoorbeeld kunnen betekenen dat in een bepaalde regio alle apotheken tezelfdertijd zouden gesloten zijn. Anderzijds is het moeilijk een wachtdienst te organiseren en met name apothekers op te leggen een hele week permanent aanwezig te zijn als andere apothekers in de buurt zich niet aan de sluitingsuren houden.

1. Wat is het standpunt van de geachte minister ter zake ?

2. Houdt de Raad voor de Mededinging voldoende rekening met het specifieke karakter van een apotheek ?

3. Hoe moeten een aantal regels specifiek voor deze beroepsgroep worden afgewogen tegen de vrije concurrentieregels en het feit dat apothekers volgens de rechtspraak ondernemers zijn in de zin van de wet van 1 juli 1999 op de bescherming van de economische mededinging ?

Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid hierbij het volgende mee te delen.

1 en 2. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 7 mei 1999 gesteld dat apothekers, ook al zijn zij geen kooplieden in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel en ook al hebben zij een maatschappelijke functie, een activiteit uitoefenen die gericht is op de uitwisseling van goederen of diensten; dat zij op duurzame wijze een economisch doel nastreven en aldus in de regel ondernemingen zijn in de zin van artikel 1 van de wet tot bescherming van de economische mededinging van 5 augustus 1991, nu de gecoördineerde wet van 1 juli 1999. Het lijdt aldus geen twijfel dat apothekers onder de toepassing van de wet tot bescherming van de economische mededinging vallen.

Gezien het feit dat de Raad voor de Mededinging eerlang zal geroepen worden om uitspraak te doen in een aantal klachtendossiers omtrent de apothekers en een aantal praktijken in verband met de organisatie van hun beroep, lijkt het mij niet opportuun dat ikzelf of de Raad op dit ogenblik daarover verdere uitspraken doen.

3. Zonder afbreuk te willen doen aan het prerogatief van de Raad voor de Mededinging, die als enige ingesteld is om uitspraken te doen over de individuele klachtendossiers die nu ter behandeling zijn bij het Korps verslaggevers en de Dienst voor de Mededinging, lijkt er mij niets aan in de weg te staan dat de apothekers op lokaal vlak afspraken maken teneinde deze verplichte wachtdienst te organiseren. Deze afspraken dienen zich dan echter ook te beperken tot het louter organiseren van deze wachtdiensten.