3-1398/1 | 3-1398/1 |
19 OKTOBER 2005
De ministeriële Conferentie van Cancún is plots geëindigd in september 2003 met als enig officieel resultaat dat de verantwoordelijken voor handel de opdracht kregen om « verder te werken aan de voorliggende kwesties ».
De voornaamste redenen voor dit fiasco waren een overvolle agenda en het gebrek aan eensgezindheid bij de leden over te veel cruciale kwesties. De onderhandelingen in de WHO zijn uiteindelijk opnieuw gestart in maart 2004 en hebben geleid tot de goedkeuring van het Besluit van de Algemene Raad van 1 augustus 2004 (WT/L/597). In dat Besluit staan instructies voor de onderhandelaars over de werkzaamheden die voltooid moesten zijn hetzij vóór de eerstvolgende ministeriële conferentie, hetzij binnen een kortere termijn.
Dit Besluit van de Algemene Raad staat informeel bekend als het Julipakket, dat de Doha-ronde opnieuw opstart.
De werkzaamheden zijn nu aan de gang en hebben tot doel de consensus voldoende dichtbij te brengen opdat de ministeriële Conferentie van Hongkong (van 13 tot 18 december) de voorwaarden kan goedkeuren voor de onderhandelingen over de landbouw en de markttoegang voor niet-landbouwproducten (tariefverminderingen voor industriële producten), alsook de geboekte vooruitgang op een aantal andere domeinen kan onderzoeken.
Momenteel wordt niet op alle vlakken evenveel vooruitgang geboekt. In de kadertekst van juli over de landbouwvoorwaarden wordt veel ruimte gelaten voor de specifieke aard van de technische kwesties, maar dat geldt minder voor andere belangrijke domeinen zoals de douanerechten inzake industrie en diensten.
| Olga ZRIHEN. |
De Senaat,
A. Overwegende dat de 148 leden van de WHO in het Besluit dat op 1 augustus 2004 in de Algemene Raad is goedgekeurd, een kader hebben vastgesteld voor de voortzetting van de onderhandelingen over het Doha-ontwikkelingsprogramma en dit in een geest van samenwerking teneinde de Doha-ronde met succes af te sluiten;
B. Overwegende dat op alle vlakken evenveel vooruitgang moet worden geboekt en dat de bedoeling van Doha is om ontwikkeling tot de kern van de onderhandelingen te maken;
C. Overwegende dat België en de Europese Unie voorstander zijn van een ruim programma dat moet leiden tot een begeleide liberalisering van de handel, het uitroeien van alle vormen van dumping en concurrentievervalsing, de uitbreiding van de speciale en gedifferentieerde behandeling en van de mechanismen ter bescherming van de voedselveiligheid, teneinde voorrang te verlenen aan de sociale rechtvaardigheid en aan de ontwikkeling, en de ontwikkelingslanden beter te integreren in de wereldeconomie;
D. Overwegende dat een positief resultaat van de Doha-ronde moet bijdragen tot de economische groei op wereldniveau en tot de bestrijding van armoede en dat de problemen in verband met ondervoeding, honger en gezondheid een belangrijke plaats moeten innemen in de onderhandelingen overeenkomstig de Verklaring inzake de millenniumdoelstellingen van de VN;
E. Overwegende dat de belangrijkste doelstellingen van de handelspolitiek van België en van de Europese Unie steeds de ontwikkeling van de regelgeving in het kader van het multilaterale handelssysteem, de optimale integratie van de ontwikkelingslanden in het mondiale handelssysteem en een betere werking van de wereldhandelsorganisatie zijn geweest;
F. Overwegende dat de uiterste datum voor het afronden van de Doha-ronde, die in de eindverklaring van Doha was vastgesteld op 1 januari 2005, sine die is uitgesteld en dat in december 2005 een zesde ministeriële conferentie zal plaatsvinden in Hongkong;
G. Overwegende dat het Doha-ontwikkelingsprogramma de preferenties zou kunnen uithollen die de Europese Unie verleent aan de ACP-landen in het kader van het akkoord van Cotonou en aan de ontwikkelingslanden in het kader van de algemene preferenties en de andere systemen van handelspreferenties;
H. Overwegende dat tot nog toe niet veel vooruitgang is geboekt in de onderhandelingen over de toegang tot de markt voor niet-landbouwproducten;
I. Gelet op het groeiende economische belang van de diensten, die een centrale plaats innemen in de Doha-onderhandelingen, en het gebrek aan vooruitgang op dat vlak;
J. Overwegende dat openbare diensten die onontbeerlijk zijn voor de bevrediging van fundamentele behoeften, absoluut van de liberalisering moeten worden uitgesloten;
K. Overwegende dat de parlementaire instellingen binnen de wereldhandelsorganisatie een belangrijke instrument kunnen zijn om een band te scheppen met de burgers en zo de democratische verantwoordelijkheid en de doorzichtigheid van de organisatie te verhogen;
Vraagt de regering om in het kader van de onderhandelingen op Europees niveau met het oog op de zesde ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie :
1. haar steun aan een gereglementeerd en billijk multilateraal handelssysteem te bevestigen om de handel te promoten en bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling en het efficiënt beheer van de globalisering ten voordele van eenieder alsook de voordelen voor de ontwikkelingslanden te benadrukken van een multilateraal handelsbeleid, waar nodig gesteund door bilaterale akkoorden;
2. te blijven hameren op snelle vooruitgang op alle vlakken die vallen onder het Besluit teneinde in Hongkong een evenwichtig en ambitieus voorstel te kunnen voorleggen dat de geprivilegieerde plaats van ontwikkeling bevestigt;
3. zich ervan te vergewissen dat de komende onderhandelingen leiden tot resultaten op alle gebieden van het Doha-ontwikkelingsprogramma voor ontwikkeling en dat het concept van speciale en gedifferentieerde behandeling wordt toegepast teneinde de integratie van de ontwikkelingslanden werkelijk te steunen en daarbij rekening te houden met hun bekommernissen en vooral met de specifieke problemen van de minst ontwikkelde landen;
4. erop toe te zien dat het resultaat van de onderhandelingen van de Doha-ronde bijdraagt tot de verwezenlijking van de ontwikkelingsdoelstellingen uit de Verklaring inzake de millenniumdoelstellingen en tot de bevordering van de mondiale economische groei;
5. haar tevredenheid te herbevestigen met betrekking tot de hogere organisatiegraad van de ontwikkelingslanden (G20, G33, G90, enz.) die het sluiten van akkoorden vergemakkelijkt en betere vooruitzichten biedt op een billijkere herstructurering van het multilaterale handelssysteem;
6. eraan te herinneren dat een gerichte technische bijstand nodig is alsook een verhoging van de capaciteiten om de ontwikkelingslanden toe te staan om efficiënt te onderhandelen, de regels van de Wereldhandelsorganisatie makkelijker toe te passen en hun economie aan te passen en te diversifiëren;
7. de Zuid-zuidhandel te stimuleren vanwege de ontwikkelingsmogelijkheden die dit biedt aan de ontwikkelingslanden door de belemmeringen voor de handel tussen deze landen weg te werken door middel van een speciale en gedifferentieerde behandeling die de bevoorradingscapaciteit van de minst ontwikkelde landen versterkt en hun vrije toegang tot de markt van de groeilanden te bevorderen;
8. verder werk te maken van de geplande hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en daarbij te benadrukken dat de gemeenschappelijke acties uit de Groene Doos moeten worden vastgesteld, met inbegrip van de losgekoppelde steun, zodat de multifunctionele aard van de landbouwactiviteit bewaard blijft en de rurale levenswijze en tewerkstelling worden gesteund;
9. bij de markttoegang een rechtvaardig en billijk evenwicht te behouden tussen de eisen van de ontwikkelingslanden en de stabiliteit en leefbaarheid van de markten;
10. verdere vooruitgang te boeken in het streven naar een ambitieuze oplossing voor de katoenproblematiek;
11. de onderhandelingen over de toegang tot de markt voor niet-landbouwproducten op te drijven en een geschikte formule te kiezen voor de vermindering van de hoge tarieven;
12. de liberalisering van diensten van algemeen belang te verwerpen, te vragen dat voor diensten in verband met gezondheid, onderwijs en de audiovisuele sector blijvend een uitzondering wordt gemaakt, alsook voor diensten die verband houden met de basisbehoeften van de burgers, zoals water, energie, enz.;
13. op een volgehouden en pragmatische wijze vooruitgang te boeken op de gebieden die niet onder het Besluit vallen, bijvoorbeeld anti-dumping- en subsidiëringsregels, de sociale en milieudimensies van de internationale handel, enz.;
14. meer aandacht te besteden aan de bescherming en de inachtneming van de intellectuele eigendomsrechten — vele WHO-leden tonen zich weinig doortastend in de strijd tegen de handel in namaak- en piraatproducten —, en daarbij rekening te houden met bepaalde specifieke problemen zoals die van de generische geneesmiddelen die verwoestende pandemieën kunnen bestrijden;
15. te benadrukken dat er nood is aan een diepgaande hervorming van de WHO om tot een meer efficiënte, open, democratische en doorzichtige organisatie te komen en het politiek engagement in de onderhandelingen te versterken;
16. nieuwe institutionele hervormingen te vragen die de rol van de instellingen van de WHO uitbreiden en die het besluitvormingsproces, het geschillenregelingsmechanisme en de dialoog met het middenveld verbeteren;
17. de WHO aan te moedigen om met het middenveld te debatteren over zijn beginselen en over de maatregelen die hij neemt, om te voorkomen dat het globaliseringsproces en de rol van de WHO slecht worden geïnterpreteerd;
18. er opnieuw aan te herinneren — zoals ook in de Verklaring inzake de millenniumdoelstellingen is gebeurd —, dat er nauwere banden moeten worden aangeknoopt tussen de WHO en de andere internationale organisaties als een noodzakelijke stap naar een ander en duurzamer globaliseringsmodel dat ten dienste staat van gemeenschappelijke doelstellingen en van de toepassing van perfect gecoördineerde criteria inzake de ontwikkelingsproblemen; er in dat verband op aan te dringen dat de regels van de Internationale Arbeidsorganisatie door alle WHO-lidstaten worden nageleefd;
19. ernaar te streven dat de parlementen als instituten van de WHO gaan fungeren teneinde de democratische legitimiteit en de doorzichtigheid van de onderhandelingen van de WHO te versterken, aangezien de parlementen een belangrijke band kunnen vormen met de burgers, vooral als bron van informatie en van antwoorden op hun vragen;
20. deze resolutie te bezorgen aan onze vaste vertegenwoordiging en aan de directeur-generaal van de WHO.
15 juli 2005.
| Olga ZRIHEN. |