(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
Momenteel genieten 4,3 miljoen Belgen een hospitalisatieverzekering, ofwel via een individueel contract, ofwel via een contract dat werd afgesloten door de werkgever. In de meeste gevallen zijn ook de familieleden gedekt door de verzekering.
Deze verzekeringen nemen een deel van de medische kosten voor zich die niet door de mutualiteiten worden gedekt.
In 2003 waren er 1,05 miljoen individuele contracten gesloten, goed voor premie-inkomsten van 203 miljoen euro. Daarnaast waren 3,25 miljoen Belgen verzekerd via het werk en werden er 290 miljoen euro aan premies betaald.
De premies voor de hospitalisatieverzekeringen zijn bij heel wat verzekeraars een flink stuk duurder geworden. Voor sommige contracten wordt er in één klap 30 % extra gevraagd. Luidens Assubel hebben deze prijsstijgingen alles te maken met :
— de explosie van de medische kosten; en
— het terugschroeven van de terugbetaling van de mutualiteiten, waardoor die kosten ten laste van de aanvullende verzekering worden verhaald.
Assubel is reeds enige tijd pleitbezorger voor een index van de medische kosten, die de aanpassing van de premie bepaalt. Dit zou de brutale premiestijgingen moeten tegengaan. De al te forse prijsstijgingen worden afgevlakt en we krijgen een meer geleidelijke aanpassing.
Ik had dan ook graag de volgende vragen gesteld aan de geachte minister :
1. Hoe staat hij ten opzichte van dergelijke index van de medische kosten, die als basis zal dienen voor de aanpassing van de premie en kan hij dit uitvoerig toelichten ?
2. Is er reeds overleg geweest tussen de minister en de betrokken sector omtrent het instellen van een index van de medische kosten ? Zo ja, wat waren de diverse voorstellen ? Zo neen,wanneer zal er overleg komen omtrent deze suggestie van de sector ?
3. Ziet hij andere mogelijkheden om hoge premieaanpassingen van hospitalisatieverzekeringen af te vlakken en kan hij deze toelichten ?
Antwoord : In antwoord op uw vraag lijkt het mij eerst nuttig uw aandacht te vestigen op het feit dat de ziekenfondsen op twee manieren kunnen tussenkomen in de ziekenhuiskosten : hetzij in het kader van de verplichte verzekering, hetzij in het kader van de aanvullende verzekering, die bovendien facultatief of verplicht kan zijn voor de leden van een ziekenfondsinstelling. De eigenschappen van de aanvullende verzekering van elk ziekenfonds (bijdragebedragen, omvang van de dekking, voorwaarden van de tussenkomsten, enz.) staan, overeenkomstig de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen, in de statuten die de algemene vergadering van de ziekenfonds bepaalt. Ziekenfondsen nagaan behoort dus wel tot mijn bevoegdheden, maar het is niet mijn bevoegdheid de eigenschappen van hun diensten, en inzonderheid het niveau van de bijdragen te regelen.
Naast de verplichte verzekering en de ziekenfondsdiensten, bestaan er ook contracten voor hospitalisatieverzekering die verzekeringsinstellingen aanbieden aan elk geïnteresseerd persoon of een werkgever (groepsverzekering). Ik ben me ervan bewust dat bij die contracten gestoten wordt op problemen in rentabiliteit, met beduidende gevolgen op het vlak van de gevraagde premies aan de contractanten.
Deze problematiek betreft echter strikt handelspraktijken en niet de sociale zekerheid, en valt dus bijgevolg niet onder mijn bevoegdheid, maar wel die van de minister van Economie.
Ik wil niettemin opmerken dat het bestaan van hospitalisatie-verzekeringscontracten, die zo goed als alle kosten dekken, met inbegrip van die inzake comfort, en na toepassing van een franchise of niet, in grote mate heeft bijgedragen tot de explosie van de supplementen ten laste van de patiënt. We kunnen ons dus wel afvragen of de verzekeringsinstellingen zelf geen moeilijkheden van rentabiliteitbehoud op termijn van hun product gecreëerd hebben.
In dit opzicht lijkt het me ook van belang te wijzen op een onjuistheid in uw vraag. De stelling dat de terugbetaling door de ziekenfondsen met de tijd vermindert, is onjuist. Uit een recente studie van de socialistische ziekenfondsen (1) blijkt dat de gemiddelde kosten van een ziekenhuisverblijf ten laste van de patiënt, tussen 1998 en 2003 met 26 % gestegen zijn, en gingen van 334 euro naar 420 euro. Zo een 80 % van die groei is te wijten aan de verhoging van de supplementen (hoofdzakelijk voor uitrusting en honoraria). Het valt verder wel op dat de gemiddelde jaarlijkse groei van het remgeld voor diezelfde periode 2,46 % bedraagt, ofwel een percentage dat lager ligt dan de jaarlijkse evolutie van de verplichte verzekering (+ 6,39 %). We kunnen het dus geenszins hebben over het terugschroeven van de dekking van de verplichte verzekering.
De vaststelling dat de kosten die ten laste van de patiënten vallen in geval van hospitalisatie beduidend verhogen, krijgt uiteraard wel mijn aandacht. Ik heb in het verleden en zal dat in de toekomst verder doen, in het kader van de verplichte verzekering, alle nuttige maatregelen genomen om dit fenomeen af te remmen : vermindering van de onderfinanciering van de ziekenhuizen, moratorium op de heffing op de honoraria van ziekenhuisartsen, verbetering van de bescherming van de patiënt tegen de honoraria- en uitrustingsupplementen, verduidelijking van de regels inzake terugbetaling van implantaten, enz.
(1) Coûts hospitaliers — Nature, ampleur et évolution des frais à charge du patient hospitalisé en hôpital général, par T. Di Zinno, J. Huchon et J-M. Laasman — Mai 2005.