3-1297/2

3-1297/2

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

13 JUILLET 2005


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW ZRIHEN


I. INLEIDING

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp (stuk Kamer, nr. 51-1822/1) werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk samen ingediend met het optioneel bicameraal ontwerp houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap (stuk Kamer, nr. 51-1821/1). Gezien dit laatste ontwerp niet geëvoceerd werd, kon het, zondere verdere stemming, worden overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter bekrachtiging door de Koning.

Het verplichte bicamerale ontwerp daarentegen werd in de commissie besproken tijdens haar vergadering van 13 juli 2005 in aanwezigheid van de minister van Werk en Consumentenzaken, nadat het op 7 juli 2005 eenparig werd aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 11 juli 2005 werd overgezonden aan de Senaat.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN WERK EN CONSUMENTENZAKEN

Alhoewel slechts één van beide wetsontwerpen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap ter bespreking voorligt in Commissie, stelt de minister voor om beide ontwerpen samen te bespreken aangezien een afzonderlijke behandeling de verstaanbaarheid niet ten goede zou komen.

Elke vennootschap valt onder een nationale rechtsorde, die haar rechtspersoonlijkheid heeft verleend. Dat is ook het geval wanneer de vennootschap actief is in meerdere Staten. In het kader van de integratie van de Europese markt werd het begrip « Europese vennootschap » in het leven geroepen, om in te spelen op de nieuwe economische realiteit. Het betreft hier dus een begrip uit het handelsrecht en niet uit het sociaal recht.

Eén specifiek aspect van de regeling met betrekking tot de Europese vennootschap ressorteert evenwel onder wat in België als sociaal recht wordt beschouwd. De regeling van de Europese vennootschap omvat met name procedures ter informatie en raadpleging van het personeel, alsook een vertegenwoordiging van de werknemers in de vennootschapsorganen (dat laatste aspect is geïnspireerd op het Duitse recht).

De meeste van de normen zijn vervat in richtlijn 2001/86/EG en werden via een collectieve arbeidsovereenkomst omgezet in het Belgisch recht. Een collectieve arbeidsovereenkomst is evenwel ontoereikend om sommige bepalingen van die richtlijn om te zetten. Daarom is het noodzakelijk om ook wettelijke bepalingen die daartoe strekken aan te nemen.

Deze wettelijke bepalingen bekrachtigen volgende principes :

— Iedere Europese vennootschap waarvan de zetel in België is gevestigd, is onderworpen aan de Belgische rechtsregels wat de structuur en de werking van haar organen betreft;

— Het persoonlijke statuut van de vertegenwoordigers van de werknemers die zitting hebben in de verschillende organen van de vennootschap wordt geregeld door het nationaal recht dat van toepassing is op hun werkgever. Het omgekeerde geldt ook voor de Belgische werknemers die zitting hebben in de organen van Europese vennootschappen waarvan de zetel in een andere lidstaat is gelegen;

— Wat de vertrouwelijke informatie betreft, zijn er twee niveaus. In een eerste niveau mag de vertrouwelijke informatie die ter kennis wordt gebracht van de vertegenwoordigers van de werknemers niet worden doorgegeven aan derden. Op het tweede niveau heeft de directie het recht, mits de voorzitter van de arbeidsrechtbank controle kan uitoefenen, niet over te gaan tot de verspreiding van informatie waarvan de onthulling de onderneming ernstige schade zou kunnen berokkenen;

— Voor de vertegenwoordigers van de werknemers geldt dezelfde bescherming tegen ontslag als voor hun collega's in de vennootschappen naar Belgisch recht;

— De representatieve werknemersorganisaties hebben het recht om in rechte op te treden voor de inachtneming van bepalingen inzake de rechten van de werknemers. Terzake zijn de arbeidsrechtbanken bevoegd.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Cornil verheugt zich over de ontwikkeling van de sociale dimensie van Europa. Wat betreft de geldende wetgeving wil het lid graag verduidelijkt zien of de wettelijke bepalingen van de nationaliteit van de werknemer van toepassing zijn of is het recht van de lidstaat waar de werknemer zijn professionele activiteiten ontwikkeld van toepassing.

Kan de minister vervolgens bevestigen dat de voorliggende bepalingen enkel van toepassing zijn op de privé-sector ?

Mevrouw Zrihen vraagt meer specifiek hoe het niveau van vertrouwelijkheid in verband met de vertrouwelijke informatie zal worden bepaald ? Hoe zullen de geschillen hierover tussen organisaties die de rechten van de werknemers vertegenwoordigen en de directie worden beslecht ?

Mevrouw De Schamphelaere wenst te vernemen hoeveel Europese vennootschappen er op dit moment reeds zijn opgericht. Hoeveel Belgische werknemers zijn er nu reeds werkzaam bij zo'n Europese vennootschap.

Verder merkt de spreekster op dat dankzij de alertheid en betrokkenheid van de sociale partners de roadmap van de betrokken bepalingen voor de Europese vennootschap werd uitgetekend. Gezien echter de evolutie van het ondernemingslandschap en de verschillende vormen van Publiek Private samenwerking, vraagt het lid zich af hoe lang kan worden volgehouden dat voorliggende bepalingen niet van toepassing zijn op overheidsbedrijven.

De heer Beke vraagt waarom de omzetting van de betrokken richtlijn naar Belgisch recht vier jaar heeft in beslag genomen.

Gezien de steeds verder evoluerende mondialisering vraagt de spreker naar het belang van de Europese vennootschap in wereldperspectief. Zijn er bovendien ideeën om deze vorm nog op een meer geaggregeerd niveau te brengen ?

De minister herinnert eraan dat, wat de toepassing van de richtlijn betreft, de Europese Raad van ministers erop had aangedrongen om, onder leiding van de Europese Commissie, een Europese werkgroep van experten samen te stellen. Gelet op de toenmalige nakende uitbreiding van de Europese Unie en andere problemen, heeft het meer dan twee jaar geduurd alvorens deze werkgroep haar verslag uitbracht. Deze periode heeft evenwel als gevolg had dat men een betere kennis van zaken had.

De werkzaamheden in de Nationale Arbeidsraad hebben einde 2004 geleid tot het sluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst. De NAR heeft bovendien nog een advies uitgebracht over de wetgevende maatregelen die nog moesten worden genomen; dit advies heeft er dan ook toe geleid dat in 2005 een wetsontwerp door de regering werd goedgekeurd. Dit alles, inclusief het advies van de Raad van State, neemt vanzelfsprekend enige tijd in beslag.

De minister benadrukt dat de vraag in verband met de duurtijd reeds in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd gesteld; zij heeft er toen op gewezen dat de procedure werd opgestart nadat zijzelf aan de Nationale Arbeidsraad een advies heeft gevraagd.

Wat het begrip « toepasselijk recht » betreft, verwijst de minister naar hoofdstuk III van het wetsontwerp nr. 3-1296 (zie stuk Kamer, nr. 51-1821/001, blz. 36) dat het toepasselijke recht regelt in verband met de regels betreffende de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, de regels betreffende de instelling en de werking van het vertegenwoordigingsorgaan, de regels betreffende de berekening van het aantal tewerkgestelde werknemers, het begrip werknemers en de wijze van de verkiezing van de werknemersvertegenwoordigers en het recht dat de regels betreffende het statuut van de werknemersvertegenwoordigers beheerst. Wat dit laatste betreft, is het uitgangspunt dat het recht van de lidstaat waar hun werkgever gevestigd is, van toepassing is, vermits dit mandaat slechts een accessorium is van hun basisactiviteit. Een Belgische werknemer die in Parijs in een raad van bestuur zetelt blijft onderworpen aan het Belgisch recht wat zijn mandaat van werknemersvertegenwoordiger betreft.

Dit probleem moet echter worden onderscheiden van de ter beschikkingstelling van een werknemer van een zetel van een Europese vennootschap naar een andere zetel van een Europese vennootschap. Dit aspect wordt geregeld door de bestaande Europese richtlijn inzake de ter beschikkingstelling van werknemers en valt buiten voorliggend wetsontwerp.

Met betrekking tot de toepassing van voorliggende bepalingen op de private en de openbare sector, wijst de minister erop dat het wetsontwerp eerder moet worden beschouwd als het verlengstuk van de collectieve arbeidsovereenkomst die in de Nationale Arbeidsraad werd gesloten en dat bijgevolg het toepassingsveld wordt geregeld door de wet van 1968 betreffende de CAO's en de paritaire comités. Bijgevolg is onderhavig wetsontwerp van toepassing op de private sector, in de ruime betekenis van het woord. De minister veronderstelt dat, wanneer een Belgisch overheidsbedrijf wenst te participeren in een Europese vennootschap, dit wellicht pas zal gebeuren nadat een deel van dit overheidsbedrijf werd geprivatiseerd. Het probleem van toepasselijkheid op de openbare sector zal zich in die zin dan ook wellicht niet stellen. Het betreft hier evenwel een aangelegenheid waarvoor de minister niet bevoegd is vermits het eerder een handelsrechtelijk aspect dan een publiekrechtelijk aspect is.

Er zijn twee soorten van vertrouwelijke gegevens : enerzijds die gegevens die enkel aan de werknemersvertegenwoordigers worden ter beschikking gesteld en niet verder mogen worden verdeeld, en anderzijds die gegevens die zelfs helemaal niet ter beschikking gesteld worden en die het voorwerp zijn van een meer verregaande controle. In beide gevallen is er steeds een controle die door de gerechtelijke instanties wordt uitgeoefend. Wanneer een werkgever informatie verstrekt aan werknemersvertegenwoordigers met de vraag deze niet verder te verspreiden, kan er steeds aan de rechtbank van eerste aanleg worden gevraagd om deze beslissing van de werkgever teniet te doen en de toelating te krijgen om de gegevens wel verder te verspreiden. Wat de andere categorie betreft — het betreft hier slechts een beperkte groep van gegevens die om strategische redenen zelfs niet aan de werknemersvertegenwoordigers kunnen worden meegedeeld — vertrouwt men de controle toe aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank, die oordeelt over de al dan niet verspreiding ervan, desgevallend zelfs in een gesloten zitting. Deze techniek is overigens niet nieuw, want ze werd reeds gebruikt naar aanleiding van de wetgeving over de Europese ondernemingsraden.

Op dit ogenblik zijn er nog geen Europese vennootschappen opgericht. Wie hiervoor interesse heeft, is wellicht de zeer ingewikkelde regelgeving hieromtrent aan het bestuderen. Wellicht zal het nog enkele jaren duren alvorens een eerste, grote Europese vennootschap daadwerkelijk zal worden opgericht. Dit neemt niet weg dat het probleem zich kan stellen in beide richtingen. Wellicht zal men een klein aantal Europese vennootschappen krijgen in ons land, ofwel omdat het gaat om vennootschappen met hun hoofdactiviteit in België, ofwel omdat men ervoor opteert om zich dicht bij Brussel te vestigen. De meerderheid van de gevallen zal echter waarschijnlijk Belgische werknemers betreffen die zullen vertegenwoordigd zijn in een Europese vennootschap die in een ander land zullen gevestigd zijn.

Een Europese vennootschap wordt dus inderdaad geregeld door één enkel handelsrechtstatuut. Het sociaal statuut van de werknemers zal nog altijd meestal worden geregeld door de wetgeving van het land waar de werknemers hun activiteiten normaal uitvoeren.

In verband met de laatste vraag van de heer Beke, geeft de minister nog aan dat het voordeel van de Europese vennootschap zich situeert in het feit dat Europese verordeningen kunnen worden aangenomen die dan van toepassing zijn in 28 betrokken landen. Daardoor is er dus één systeem van toepassing in al die landen op het commerciële vlak en ook op het sociale niveau.

Op wereldniveau is dit geheel veel moeilijker te realiseren en kan er enkel worden gewerkt via conventies.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 tot 7, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de dertien aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Olga ZRIHEN Annemie VAN de CASTEELE.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 1822/3)