3-1144/2

3-1144/2

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

28 JUNI 2005


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER NOREILDE


I. INLEIDING

Dit bicameraal wetsvoorstel werd op 25 april 2005 ingediend in de Senaat door mevrouw Anne-Marie Lizin. Het werd op 28 april in overweging genomen en overgezonden naar de Commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administrative Aangelegenheden. De commissie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergadering van 28 juni 2005.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER JEAN-MARIE HAPPART

Dit wetsvoorstel beoogt het mandaat van de leden van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie zes maanden na de vernieuwing van de gemeenschapsparlementen te laten verstrijken.

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 16 juli 1973, waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt, bepaalt nu dat het mandaat van de leden van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie drie maanden na de vernieuwing van de Wetgevende Kamers verstrijkt.

Dat is een probleem omdat de leden benoemd worden door de gemeenschapsparlementen, waarvan de vernieuwing, in de huidige stand van de wetgeving, niet noodzakelijk samenvalt met de vernieuwing van de Wetgevende Kamers.

Daardoor kan het gebeuren dat de politieke samenstelling van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie niet evenredig is met de politieke samenstelling van de gemeenschapsparlementen.

De indiener stelt voor de looptijd van het mandaat van de leden van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie van de huidige vier jaar op te trekken naar vijf jaar.

Tevens bepaalt de tekst dat de mandaten zullen verstrijken zes maanden na de algehele vernieuwing van de gemeenschapsparlementen, niet langer drie maanden na de vernieuwing van de federale Wetgevende Kamers.

Met de woorden « de algehele vernieuwing » worden, zoals gebruikelijk, de verkiezingen bedoeld. In de huidige stand van zaken vindt de algehele vernieuwing van de gemeenschapsparlementen immers steeds begin juni plaats, waardoor de mandaten begin september zouden verstrijken, wat geen gunstige periode is om de gemeenschapsparlementen nieuwe leden te laten verkiezen of aanwijzen. Door de termijn te verlengen tot zes maanden, zullen de mandaten veelal in december verstrijken.

De laatste bepaling is een overgangsmaatregel. Het is de bedoeling dat het mandaat van de huidige leden van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie pas zes maanden na de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenschapsparlementen verstrijkt. Dit moet uitdrukkelijk worden bepaald, want het mandaat van de huidige leden zal daardoor langer duren dan de wettelijke termijn van vijf jaar.

III. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Talhoui vraagt wat de betekenis en de rol is van de Vaste Nationale Cultuutpactcommissie anno 2005.

De heer Happart antwoordt dat de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie op plaatselijk niveau vast en zeker een rol speelt : ze moet er zorgen voor een evenredige vertegenwoordiging van de diverse politieke en filosofische strekkingen in de raden van bestuur van openbare instellingen.

De heer Moureaux schetst de historische context van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie. Zodra er gesproken werd over de overdracht van culturele bevoegdheden naar andere organen dan de nationale staat, ontstond er onrust. In Wallonië vreesde de christen-democratische wereld te worden uitgesloten van de culturele aangelegenheden indien ze buiten het nationale niveau om beheerd werd en in Vlaanderen ontstond dezelfde vrees bij de socialistische beweging.

Er werd dus een compromis gesloten : hoewel de cultuurbevoegdheden aan de Gemeenschappen werden overgedragen, waarborgde een nationale wet de evenredige vertegenwoordiging van alle strekkingen in de bestuurs- en beheersorganen. De Vaste Nationale Cultuurpactcommissie is dus het resultaat van dit compromis over de culturele autonomie en spreker meent dat ze nog steeds haar plaats in ons politiek stelsel heeft.

De heer Collas stelt tot zijn tevredenheid vast dat de Duitstalige Gemeenschap door twee leden in de Vaste Cultuurpactcommissie vertegenwoordigd wordt (wet van 16 juli 1973 die de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen waarborgt).

De heer Van Peel onderschrijft volledig de historische duiding van de heer Moureaux. Reeds tien jaar geleden heeft hij wel voorgesteld om de manier waarop het Cultuurpact in Vlaanderen wordt toegepast volledig te veranderen omdat het vaak verworden is tot een instrument van politisering van een aantal bestuursorganen. Daardoor is de oorspronkelijke nobele intentie, het respect voor de ideologische en filosofische minderheden, verwaterd en heeft het in Vlaanderen geleid tot een aantal perverse neveneffecten. Dit belet niet dat het wetsvoorstel van mevrouw Lizin logisch is en dat hij het volledig steunt.

De heer Delpérée herinnert eraan dat de wet van 16 juli 1973 tot stand is gekomen op basis van artikel 11 van de Grondwet, dat bepaalt dat de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden waarborgen. Het cultuurpact van 1973 is een federale waarborg voor de culturele autonomie van de gemeenschappen.

De heer Buysse verwijst naar de toespraak van de heer De Batselier van enkele jaren geleden waarin hij heeft gepleit voor de oprichting van drie gemeenschapskamers in de Cultuurpactcomissie. Tot nog toe is dit niet mogelijk ingevolge artikel 131 van de Grondwet dat bepaalt dat de wet de regelen vastlegt ter voorkoming van elke discriminatie om ideologische en filosofische redenenen. Het Vlaams parlement heeft echter wel een resolutie in die zin gestemd.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMING

De artikelen 1 tot en met 4 worden telkens eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

V. STEMMING OVER HET GEHEEL VAN HET WETSVOORSTEL

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt eveneens eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Stefaan NOREILDE. Ludwig VANDENHOVE.