3-116 | 3-116 |
Mme la présidente. - Mme Freya Van den Bossche, ministre de l'Emploi, répondra au nom de M. Bruno Tobback, ministre de l'Environnement et ministre des Pensions.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Ik verwijs naar het koninklijk besluit van 3 november 1969 houdende vaststelling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, van de bijzondere regelen betreffende het ingaan van het pensioenrecht en van de bijzondere toepassingsmodaliteiten van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 december 1969, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 12 augustus 2000, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 september 2000.
Dit KB, dat van toepassing is tot en met 30 juni 2005, bepaalt dat de overheid van ons land een bepaald percentage van de pensioenbijdrage voor het vliegend personeel voor haar rekening neemt. Die maatregel werd in 1969 geïntroduceerd en blijft behouden om de concurrentiepositie van nationale luchtvaartmaatschappijen in de competitieve markt waarin ze opereren, te ondersteunen. Met dit KB werden de pensioenrechten van piloten en cabinepersoneel tijdens de afgelopen decennia gegarandeerd zonder dat het personeel bijkomende persoonlijke- of werknemersbijdragen diende te betalen.
Het huidige KB verloopt echter op het einde van de maand. Voor onze nationale luchtvaartmaatschappijen is het echter nog altijd even noodzakelijk als in 1969. Het handelsklimaat voor luchtvaartmaatschappijen is momenteel, meer dan ooit tevoren concurrentiegericht. Ook de concurrentiestrijd met buitenlandse luchtvaartmaatschappijen op het vlak van lage tarieven woedt in alle hevigheid.
Als dat KB niet verlengd wordt, zullen de Belgische luchtvaartmaatschappijen zich genoodzaakt zien om zelf in te staan voor de volledige financiering van de pensioenbijdragen voor het luchtvaartpersoneel.
Niet enkel voor de ondernemingen zelf, maar ook voor de vele werknemers betekent dat een zware bijkomende belasting op hun inkomsten. Piloten en cabinepersoneel betalen momenteel reeds een bijdrage van 4,38% van hun loon voor de opbouw van hun pensioenrechten. Als het bestaande KB niet word hernieuwd, zal dat bijdragepercentage oplopen tot 14,12%. Dat is bijna een verviervoudiging van hun individuele bijdrage. Er zullen dan ook werkgeversbijdragen verschuldigd zijn op beide loongrenzen. Die zijn nu vrijgesteld.
Zal de minister het voormelde KB verlengen? Zo ja, wanneer zal dat gebeuren? Zal dat voor 30 juni 2005 zijn?
Indien het onlangs gebeurd zou zijn, waarom heeft die verlenging dan zo lang op zich laten wachten?
Indien het niet zal gebeuren, waarom niet?
Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Het koninklijk besluit van 3 november 1969 bepaalt dat de ondernemingen voor luchtverkeer tegenover de Rijksdienst voor pensioenen schuldenaar zijn van een aantal bijdragen die supplementair worden geheven bovenop de door iedere werknemer en werkgever verschuldigde bijdrage van 7,5 en 8,86%. Deze supplementaire bijdragen worden deels door de werkgever en deels door de werknemer gedragen, en de percentages - respectievelijk 4,38 en 14,12% ten laste van de werknemer en 6,12 en 10,38% ten laste van de werkgever - zijn afhankelijk van het al dan niet overschrijden van een bepaalde loongrens.
Als steun aan de luchtvaart besliste de toenmalige regering om gedurende vijf jaar de maatschappijen vrij te stellen van het doorstorten van de bijzondere bijdragen aan de Rijksdienst voor pensioenen, met uitzondering van 4,38% ten laste van de werknemer. Dat betekent dat het percentage van 14,12 op de tweede loongrens door de werkgever wel dient te worden afgehouden van het loon, maar niet dient te worden doorgestort aan de Rijksdienst. De werkgevers van hun kant werden volledig vrijgesteld van de door hen verschuldigde supplementaire bijdragen van 6,12 en 10,38%.
Het koninklijk besluit van 14 juli 2000 dat de vrijstelling invoerde, voorzag in een éénmalige verlenging van de maatregel met vijf jaar.
In principe worden dus voormelde bijdragen opnieuw volledig eisbaar vanaf 2005. In gesprekken met mijn diensten heeft BATA, de Belgian Air Transport Association, enkele maanden geleden aangedrongen op bijkomende steun voor de luchtvaart. Ze riepen daarvoor onder andere de dure brandstof en de zeer hoge loonkosten in, maar ook de faillissementen die het gevolg waren van 11 september.
Een tweede verlenging zou mijns inziens hoe dan ook niet opportuun zijn en indruisen tegen de letter en de geest van de twee bovengenoemde besluiten. Ik ga evenwel akkoord met een stapsgewijze invoering van de bijzondere bijdragen over een periode van twee jaar. Het onmiddellijk eisbaar maken van de bijdragen op 1 juli 2005 zou immers leiden tot een verlies van arbeidsplaatsen. Het beheerscomité van de Rijksdienst voor pensioenen heeft ook een gunstig advies uitgebracht over het ontwerp van koninklijk besluit dat in die zin werd opgesteld. Momenteel wachten we op het advies van het paritair comité voor de handelsluchtvaart. Als er ruimte is op de begroting, kan de maatregel worden uitgevoerd. Daarover zal zo vlug als mogelijk uitsluitsel worden gegeven.
Indien het koninklijk besluit niet kan worden gepubliceerd vóór 30 juni 2005, zal de sector de vereiste tijdelijke instructies voor de betaling van de bijzondere bijdragen ontvangen.