3-110 | 3-110 |
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het spijt me dat ik de minister zo laat op de avond met mijn vraag moet lastig vallen. Ik zou zeker bereid zijn dergelijke vragen schriftelijk te stellen mocht er sneller een antwoord komen. Wanneer een vraag evenwel wordt omgezet in een schriftelijke vraag kan het drie maand kan duren voor ik over een officieel antwoord beschik. Daarom stel ik de vraag toch liever mondeling.
Uit RIZIV-cijfers blijkt dat in 2003 33,32% van de kinesitherapeuten minder dan 1.000 prestaties per jaar verstrekte. Dat betekent een gemiddelde van 4 patiënten per dag.
Meer dan 57% van de kinesitherapeuten heeft jaarlijks minder dan 2.000 prestaties, of gemiddeld 8 patiënten per dag.
Die vaststelling doet vragen rijzen met betrekking tot de kwaliteit van de zorgverlening. Het is evident dat men een minimum aantal patiënten moet behandelen, wil men een zeker kwaliteitsniveau kunnen bereiken. Die vaststelling doet ook vragen rijzen met betrekking tot de gehanteerde cijfers inzake de contingentering.
Een deel van de kinesitherapeuten kiest wellicht voor een beperkt aantal prestaties omdat ze bijvoorbeeld halftijds in dienstverband werken. Over de kinesitherapeuten die in de K-nomenclatuur werken in rust- en verzorgingstehuizen of andere instellingen onder toezicht van fysiotherapeuten, zijn er evenmin cijfers. In deze sector zouden ook schijnzelfstandigen actief zijn. Het gaat om mensen aan wie gevraagd wordt een nomenclatuurnummer aan te vragen en onder dat nummer prestaties te leveren in de instellingen.
Nochtans is bij de beslissing over de contingentering van de kinesitherapeuten die in aanmerking komen voor een nomenclatuurnummer, gewezen op de mogelijkheid voor afgestudeerden die niet door de selectie geraken, om in ziekenhuizen of rusthuizen aan de slag te gaan.
We beschikken over te weinig gegevens om de toestand in kaart te brengen.
Beschikt de minister over gegevens die verklaren waarom meer dan 57% van de kinesitherapeuten slechts 2.000 prestaties per jaar heeft? Hebben die kinesitherapeuten nog andere activiteiten? Werken ze deeltijds of als schijnzelfstandige? Is hun activiteitsniveau beperkt omdat ze zich gespecialiseerd hebben in één bepaald type van verstrekkingen? Wordt op die manier de kwaliteit van de zorgen steeds gegarandeerd?
In welke mate heeft de planningscommissie rekening gehouden met de activiteitsgraad van kinesitherapeuten en de eventuele evolutie naar meer deeltijdse praktijken en met schijnzelfstandigheid?
In welke mate bestaat het risico van verschuiving van activiteiten van de M- naar de K-nomenclatuur?
Is het niet aangewezen een kadaster van kinesitherapeuten en hun activiteiten aan te leggen?
Gisteren debatteerden we in de commissie over een wetsvoorstel dat mijn collega's Vankrunkelsven en Germeaux en ikzelf hebben ingediend om het verstrekkingenregister af te schaffen dat veel administratieve rompslomp met zich meebrengt voor de verstrekkers. Dat register kan misschien een belangrijke bron van informatie zijn, maar wordt niet gebruikt. Waar kan die informatie best gecentraliseerd worden zonder dat de administratieve belasting te groot wordt, zodat we die gegevens kunnen gebruiken in de dossiers die ik hier heb aangehaald?
De voorzitter. - In verband met uw opmerking over de schriftelijke vragen onderzoeken de diensten of ze het antwoord hierop, zodra het beschikbaar is, onmiddellijk op de website van de Senaat kunnen brengen. De Senaat zal de regering ook vragen het antwoord elektronisch te verschaffen.
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De verlaging van de activiteitsgraad van de kinesitherapeuten is geen nieuw fenomeen. Het vormde de basis voor de vrij radicale maatregelen van mijn voorganger. Iedereen is het erover eens dat er in ons land te veel kinesitherapeuten zijn. De contingentering via een examen is dan ook een noodzakelijke en dringende maatregel.
Ik ben het eens met mevrouw Van de Casteele dat de negatieve weerslag van de maatregel op de kwaliteit van de zorg moet worden erkend. Ik wil die vaststelling niettemin nuanceren. Het aantal verstrekkingen per dag van een kinesitherapeut is niet de enige indicator om zijn praktijk te evalueren. De duur en de types van verstrekkingen lopen sterk uiteen. We moeten de cijfers verfijnen en ze combineren met andere indicatoren zoals de verstrekkingsplaats, de verstrekkingen buiten de nomenclatuur, de gemiddelde duur van de sessies enzovoort.
De evoluties van dit beroep, vervrouwelijking, toename van deeltijds werk, worden niet onmiddellijk door de planningscommissie in rekening genomen. De aanpak is globaler.
Daarom doet het Federaal Kenniscentrum momenteel een studie naar de nomenclatuur M. De hervorming daarvan is sinds jaren een terugkerend onderwerp. Het klopt inderdaad dat er in 2004 een nieuwe nomenclatuur K voor de fysiotherapie werd ingevoerd. Het is zeker te vroeg om te spreken van transfers van de ene naar de andere nomenclatuur, maar het spreekt voor zich dat verontrustende fenomenen moeten worden onderzocht. Ons zorgaanbod op dit terrein is een van de meest complete van Europa. Weinig landen hebben de complementariteit van de twee disciplines in overweging genomen. Situaties van duidelijk misbruik, waarbij een bepaalde verzorging aan de patiënt wordt voorgesteld omdat ze valt onder een nomenclatuur die financieel voordeliger is dan een andere, moeten echter worden vermeden. Het spreekt voor zich dat de multidisciplinaire aanpak van fysiotherapie weerspiegeld moet worden in de waardering van de verstrekkingen, maar de kinesitherapeut mag niet het arme broertje van de revalidatie worden.
Ik reken dus op de resultaten van de studie van het Kenniscentrum die eind dit jaar beschikbaar moeten zijn, om de nomenclatuur van de kinesitherapeuten te evalueren. Vervolgens zal ik met hun vertegenwoordigers een constructieve dialoog voeren over de toekomst van de discipline. In die context is het niet onmogelijk dat ik ter ondersteuning van deze studie een precies kadaster van de activiteiten van kinesitherapeuten vraag.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Allereerst wil ik de diensten danken, omdat ze willen onderzoeken of er niet korter op de bal kan worden gespeeld bij het behandelen van schriftelijke vragen, zodat de absurde situaties die we vandaag kennen, vermeden kunnen worden.
In het eerste punt van zijn antwoord verwees de minister naar de soms toch wel drastische ingrepen van zijn voorganger in de sector kinesitherapie. Ik wil er nog eens op wijzen dat met de kinesisten afspraken werden gemaakt over herinvestering van besparingen die in de sector werden gerealiseerd. Die afspraken zijn nog altijd niet volledig nagekomen en ik dring er nog eens op aan dit wel te doen.
Gegevens zijn in dit dossier zeer belangrijk. Toen ik hoorde dat bij wijze van spreken de helft van de kinesisten maar halftijds werken, vroeg ik me af of daarmee wel rekening is gehouden in de contingentering en of het aantal nomenclatuurnummers dat zal worden toegekend wel zal volstaan. De minister heeft zelf gezegd dat zelfs geen rekening werd gehouden met de vervrouwelijking van het beroep, wat in vele gevallen ook een lagere activiteitsgraad met zich meebrengt. Ik dring er dus op aan om ook de Planningscommissie te vragen of ze voldoende rekening heeft gehouden met deze gegevens.
Aan kinesisten die geen nomenclatuurnummer kunnen krijgen omdat ze in de selectie niet slagen of niet goed gerangschikt staan, werd de instellingensector als uitweg voorgesteld. Ik zou niet graag hebben dat we over een paar jaar met een enorme verschuiving van de activiteiten naar die sector zitten en dus met een uitgavenpiek in de K-nomenclatuur. We moeten dat zeker in de gaten houden, vooral omdat de concurrentie tussen K en M voor de kinesitherapeuten al een zeer gevoelig punt is. Ik wil dan ook vermijden dat de contingentering op termijn perverse effecten heeft.
Tot slot stel ik voor om met de minister verder de mogelijkheden te onderzoeken om een kadaster aan te leggen om te zien waar we het best de meest pertinente gegevens kunnen bijhouden.