3-109 | 3-109 |
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD), corapporteur. - De geringe aanwezigheid in het halfrond getuigt van een gebrek aan respect voor al wie aan de weg heeft getimmerd.
Het wetsontwerp werd in de Senaat ingediend op 15 maart 2005.
De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en het Federaal Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden hebben het geagendeerd op hun gemeenschappelijke vergaderingen van 24 maart, 12 en 13 april 2005.
Ik zal de inleidende uiteenzetting van de eerste minister kort samenvatten.
De eerste minister verheugt zich over de bereidheid van de commissie om over te gaan tot een snelle ratificatie van de Europese grondwet en dankt de Senaat voor die aanpak. Met voldoening heeft hij kunnen vaststellen dat de parlementsleden dit werk ernstig nemen, onder meer door de Europese dagen die de Senaat organiseerde.
Aan de basis van het Verdrag liggen het verdrag van Nice en de Verklaring van Laken die geleid hebben tot dit nieuwe constitutionele stuk. De sterke Belgische inbreng heeft opnieuw een beslissende bijdrage geleverd tot het Europese bouwwerk.
De premier heeft volgende belangrijke kenmerken van het Verdrag beklemtoond.
Ten eerste, de democratische legitieme totstandkoming en het vooruitzicht om dezelfde stijl aan te houden; de conventie was immers samengesteld uit politici van alle landen en parlementen en heeft geluisterd naar het brede middenveld.
Ten tweede, de grondwet staat voor cruciale principes en waarden in Europa; er is onder meer sprake van duurzame ontwikkeling, van een gecorrigeerde markteconomie, van fundamentele rechten en niet-discriminatie, van de strijd tegen armoede. De ambities van de Unie betreffen een vrije, rechtvaardige, solidaire en tolerante samenleving, een economie gericht op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, respect voor de diverse talen en culturen, respect voor de stem van de burger, strijd tegen de clandestiene immigratie, het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit, de roeping om de armoede in de wereld te verhelpen.
Ten derde, de Europese Unie wordt door deze Europese grondwet democratischer.
Het recht van burgerinitiatief op grond van 1 miljoen handtekeningen wordt ingevoerd. De unanimiteitsregel wordt voor heel wat aangelegenheden opgeheven; zo zal er met gekwalificeerde meerderheid worden gestemd in talrijke domeinen zoals immigratie, asiel, controle aan de buitengrenzen, politiesamenwerking en gerechtelijke samenwerking, maar jammer genoeg niet voor fiscale en sociale zaken. Het Europees Parlement gaat een belangrijkere rol
spelen. Zo wordt de procedure inzake medebeslissing uitgebreid. Het subsidiariteitsbeginsel wordt verder uitgewerkt. De bevoegdheid van het Hof van Justitie van de
Unie wordt uitgebreid.
Ten vierde, door de grondwet wordt de EU transparanter.
Ten vijfde, door de Grondwet wordt de politiek krachtdadiger. Naast een ruimere toepassing van de gekwalificeerde meerderheid, dient te worden benadrukt dat de Commissie in 2014 zal worden afgeslankt en dat een nieuwe berekening van de gekwalificeerde meerderheid, 55/65, het besluitvormingsproces moet vergemakkelijken.
Wat het sociaal beleid betreft, wordt er een horizontale sociale clausule ingevoerd, een juridische basis om de noodzakelijke voorwaarden vast te leggen voor de diensten van algemeen belang.
De EU krijgt rechtspersoonlijkheid. Het buitenlands beleid van de Unie zal worden vertegenwoordigd door één persoon, die bovendien vice-voorzitter wordt van de Commissie en voorzitter van de Raad Externe Betrekkingen.
Wat de economische en monetaire unie betreft, mogen we niet vergeten dat het Verdrag de Commissie een grotere rol toekent.
De modaliteiten van de versterkte samenwerking
worden aangepast en versoepeld. In het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid blijft echter unanimiteit de regel.
Ten zesde, wat zit er in voor de Europese burger? Deze krijgt meer inspraakmogelijkheden.
e commissie heeft een reeks hoorzittingen georganiseerd. Op 12 april luisterde ze naar professor Jean-Victor Louis van het Institut d'Études européennes aan de ULB, de heer Paul Rietjens, rechtsadviseur bij de permanente vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie en de heer Xavier Demoulin, directeur generaal van het DG Europese Zaken bij de FOD Buitenlandse Zaken.
Voor het verloop van die hoorzitting verwijs ik naar het verslag. Ik blijf wel even stilstaan bij de hoorzitting van 13 april 2005 met de heer Koen Lenaerts, rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
De heer Lenaerts verklaarde dat de Europese Grondwet de inhoud van het Europees project herdefinieert. De afgelopen decennia verliep de Europese integratie volgens de methode van Robert Schuman: concrete realisaties die tot een feitelijke solidariteit tussen staten en volkeren leidden. De heer Lenaerts vindt dat die methode uiterst succesvol was. Ze droeg bij tot de realisatie van de interne markt, die dankzij de voordelen van de schaalvergroting tot een algemene toename van de welvaart heeft geleid. Om verdelend rechtvaardig te kunnen zijn, moet er in de eerste plaats iets te verdelen zijn en het verhogen van de welvaart is dan ook een constante zorg van het politieke spectrum.
Ook de eenheidsmunt en belangrijke aanzetten tot een milieu- en sociaal beleid kwamen tot stand onder de huidige verdragen. Dit alles gebeurde stapsgewijs, zodat de coherentie van het geheel, het zicht op de eigenlijke meerwaarde van het Europese beleidsniveau, verloren dreigde te gaan. De heer Lenaerts herinnerde eraan dat de Europese integratie van start ging in een context van Frans-Duitse verzoening, maar ook van koude oorlog tussen Oost- en West-Europa. Na het verdwijnen van het ijzeren gordijn kwam het erop aan Oost en West in één enkele structuur te verzoenen. De geopolitiek veranderde in de loop van de geschiedenis radicaal.
De Europese Unie moet alle landen van Europa nu helpen bij het consolideren van de democratie binnen de eigen grenzen, het eerbiedigen van de mensenrechten, het beoefenen van een sociaal en ecologisch gecorrigeerde markteconomie, pluralisme, tolerantie en solidariteit, allemaal waarden die in West-Europa de afgelopen decennia in een pluralistische en tolerante maatschappij ontwikkeld zijn.
De Verklaring van Laken die het hele constitutionaliseringsproces lanceerde, heeft voor het eerst sinds de jaren '50 de aandacht opnieuw gericht op de inhoud van het Europese integratieproces en niet langer op de technische kanten ervan. Vooral de vraag waar Europa het verschil moet maken, kwam uitdrukkelijk aan bod.
Spreker beklemtoonde het belang van deel III van het verdrag, want dat bevat het volledige takenpakket, de mission statement van de Unie. In deel III wordt de communautaire methode toegepast en ook dat is volgens de heer Lenaerts een belangrijke doorbraak. De communautaire methode legt het initiatiefrecht bij de Commissie en geeft de Raad en het Parlement medebeslissingsrecht bij het tot stand komen van een wetgeving.
In drie belangrijke domeinen zoals Landbouw in de ruime zin, het gemeenschappelijke handelsbeleid dat de verhoudingen tussen de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie bepaalt en het beleid inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en justitie, wordt de besluitvorming democratischer en efficiënter.
Het Verdrag voorziet in de mogelijkheid tot nauwere samenwerking, waardoor een derde van de lidstaten automatisch het recht krijgen om de procedure voort te zetten als de gewone wetgevende procedure inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken wordt geblokkeerd.
De coalition of the willing is een belangrijk instrument met het oog op democratie en efficiëntie.
Daarnaast is er ook de participerende democratie, waarbij de nadruk wordt gelegd op de nooit geziene bevestiging van de beginselen van transparantie, consultatie en dialoog met het maatschappelijk middenveld, en de rol van de sociale partners.
Het `comitologie-procédé', dat in het verleden zwaar op de korrel werd genomen door de nationale parlementen, die het zeer moeilijk vinden om exact te controleren wie wat doet, wordt hervormd. De Commissie wordt bevoegd om `gedelegeerde verordeningen' uit te vaardigen onder de rechtstreekse controle van de Raad en het Parlement. Dat systeem benadert nu relatief dicht het systeem van een parlementair stelsel.
Nog steeds volgens de heer Lenaerts worden de democratie, de efficiëntie van de besluitvorming en de transparantie versterkt. Subsidiariteit is een diepe expressie van democratie. Het Hof van Justitie is bevoegd om in te grijpen bij miskenning van dat beginsel.
De Commissie heeft het initiatiefrecht voor wetgeving op het niveau van de Unie. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel moet ze daarbij uitleggen waarom ze het nodig acht op het niveau van de Unie wetgeving uit te vaardigen en waarom lidstaten, hun regio's of lokale besturen, niet in staat zijn even efficiënt de doelstellingen te bereiken. Op vraag van België werden het regionale en het lokale niveau nadrukkelijk in deze afweging betrokken.
De nationale parlementen zullen zich in de toekomst moeten organiseren om binnen de vastgelegde termijnen een antwoord te formuleren op subsidiariteitsmemorandum.
Het geheel van de verdragen waarop de Unie is gebaseerd, zal door de Europese grondwet worden opgeheven en worden vervangen door één enkele, weliswaar omvangrijke tekst. Het ontwerp van grondwet is veel eenvoudiger en beter gestructureerd dan de huidige teksten. De tekst is het resultaat van een democratisch tot stand gekomen compromis: één Unie, één rechtspersoonlijkheid en één tekst.
Het Verdrag is een juridisch document houdende een grondwet, die de waarden en doelstellingen definieert. De solidariteit tussen staten en volkeren zijn daarbij essentiële waarden. Het Europese motto `Eenheid in verscheidenheid' bevestigt dat. Niemand geeft taal, cultuur of eigenheid op. De eenheid bestaat in het vinden van de waarden, doelstellingen en belangen die men samen behartigt: vrede, veiligheid, solidariteit. In de grondwet worden deze drie elementen sterk benadrukt.
Vooral de eurosceptici, zij die van mening zijn dat het huidige Europa niet goed werkt, moeten volgens de heer Lenaerts de grondwet goedkeuren omdat ze zal leiden tot meer zekerheid en meer solidariteit in Europa. Ze zal bijdragen tot een meer efficiënte positionering van Europa op sociaal vlak en zal ervoor zorgen dat Europa een rol speelt in de Noord-Zuidbetrekkingen om de wereld rechtvaardiger te maken.
We moeten erkennen dat de grondwet ons de kans biedt een grote stap voorwaarts te doen. Op sommige punten zou die stap nog groter kunnen zijn. Zo had spreker ook gewild dat de gewone wetgevingsprocedure ook voor de fiscale problemen en de sociale bescherming zou gelden. Op het ogenblik is er op dat vlak een status-quo. Op de vraag of we daarom tegen de grondwet moeten stemmen is het antwoord van de heer Lenaerts: `Neen'. De grondwet is immers een goed antwoord op de vragen van Laken. Ze is een historische kans om een kwalitatieve sprong te maken zodat Europa aan de verwachtingen van de burgers kan beantwoorden.
De heer Lenaerts is uiteraard ingegaan op de kritische vragen en opmerkingen van de leden, onder meer in verband met het gevoel dat de verscheidenheid in de eenheid zal verdwijnen, de rol van de regio's, de eventuele verwerping van de grondwet en de lacunes inzake fiscaliteit en sociale bescherming en de discussies in Frankrijk.
Tijdens het debat zullen deze onderwerpen ongetwijfeld opnieuw aan bod komen.
M. Philippe Mahoux (PS). - Je voudrais féliciter la corapporteuse pour la qualité et le caractère exhaustif de son rapport.
Cela me permet de présenter directement, en tant que chef de groupe socialiste du Sénat, le point de vue socialiste.
Notre assemblée est aujourd'hui amenée à se prononcer sur le projet de loi portant assentiment au Traité établissant une Constitution pour l'Europe et à l'Acte final faits à Rome le 29 octobre 2004. Nous avons le choix entre, d'une part, le statu quo que représente le Traité de Nice et, d'autre part, le Traité constitutionnel qui comporte des avancées dans un certain nombre de domaines mais qui déçoit aussi nombre de nos espérances.
Notre réponse devra pourtant être tranchée : elle devra se traduire par un oui ou un non.
Je voudrais commencer par revenir brièvement sur les craintes qui, au-delà du traité, inquiètent nos concitoyens. En effet, derrière le Traité constitutionnel, il y a les inquiétudes soulevées par les élargissements de l'Union, jugés par beaucoup hâtifs et mal maîtrisés.
On accuse les nouveaux entrants de profiter des règles du grand marché pour provoquer un dumping économique et social. Les mêmes craintes existaient quand l'Espagne, le Portugal ou la Grèce sont entrés dans l'Union européenne. Qui se plaint aujourd'hui qu'ils aient comblé leur retard ? Les craintes, finalement, se sont révélées non fondées. Nous avons désormais des affinités croissantes avec eux, notamment sur la dimension sociale de l'Europe. Il est vrai que ces nouveaux membres ont un niveau de vie avoisinant 30% de la moyenne européenne mais l'adhésion des pays d'Europe de l'Est et du Centre est une réconciliation historique. Rappelons-nous qu'il y a seulement 15 ans, nous nous battions contre le totalitarisme qui était en place. Aujourd'hui, nous pouvons discuter d'égal à égal dans une Union européenne démocratique sur le plan des systèmes politiques.
En outre, leur adhésion permet une intégration de l'acquis communautaire dans leur législation, ce qui nous permet, entre autres, d'assurer une certaine harmonisation économique, sociale et environnementale. Le poids que l'on donne à l'adjectif « certaine » est évidemment prépondérant dans l'analyse que l'on peut faire de la situation que nous vivons.
Dans le cadre d'une mondialisation de plus en plus poussée, nous ne pourrons préserver notre modèle de société solidaire que si nous poursuivons sur la voie de l'intégration européenne.
Quoique très insuffisant, le rôle régulateur de l'Union européenne est réel. Des directives ont été adoptées en matière de santé, de sécurité au travail, d'environnement, de santé publique, de sécurité alimentaire, sans compter les politiques de solidarité comme les fonds structurels, dont la Belgique a largement profité et pour lesquels il faut poursuivre les efforts entamés par le gouvernement, même s'il est inéluctable qu'à un moment donné, la solidarité joue sur un nombre plus étendu de pays.
La construction européenne, malgré ses imperfections, reste le meilleur rempart face à une concurrence sans limites. La solidarité est un fondement de l'Europe et doit le rester.
Venons-en à présent au Traité proprement dit. Le texte de Rome, certes n'est pas parfait, et il fallait s'y attendre.
Nous devons évidemment tenir compte du poids des résistances conservatrices et des compromis nécessaires, ainsi que des opinions divergentes au sein même des États membres. Le nouveau traité a été rédigé lors d'un processus lent et laborieux qui a pris - et c'est heureux - un caractère plus ouvert avec la Convention mais qui a été ensuite passé au crible d'un accord entre des gouvernements nationaux dont la plupart sont dirigés par des forces dont l'esprit principal est conservateur.
Pour ceux qui, comme nous, socialistes belges, sont animés d'une vision ambitieuse de l'unité européenne, il existe de réelles raisons d'être déçu par l'absence de progrès important dans le domaine socio-économique. Alors que la politique monétaire est complètement unifiée, les instruments permettant de renforcer la coordination des politiques économiques, sociales et environnementales n'ont été que très peu renforcés. Les éléments d'autonomisation de la zone euro laissent envisager à terme la création d'un gouvernement économique de l'Eurogroupe mais ces éléments sont pour l'heure clairement insuffisants pour organiser un pilotage ou une gouvernance crédible. Tout cela rend extrêmement compliqués les efforts de relance de l'économie et le développement de l'Europe sociale.
S'il nous déçoit dans certains domaines, ce traité comporte aussi des avancées non négligeables. Je pense notamment à la consécration de la Charte des droits fondamentaux qui ne remplace pas les constitutions nationales et n'empêche nullement les États membres d'aller plus loin et d'être plus ambitieux dans leur constitution. La Charte devient ainsi partie intégrante du droit européen, avec une valeur juridique contraignante, ce qui signifie que les institutions de l'Union et des États membres, lorsqu'elles appliquent le droit communautaire, sont tenues de la respecter. Bien que nous aurions aimé qu'elle aille plus loin, la Charte des droits fondamentaux reconnaît les droits politiques et civils ; elle inclut aussi et surtout une liste de droits économiques et sociaux. L'Union reconnaît pour la première fois le fait syndical, la protection contre les licenciements injustifiés, la lutte contre les discriminations, le droit aux prestations de sécurité sociale et aux services sociaux, toutes choses qui représentent des garanties non négligeables dans un contexte économique et social peu rassurant pour les salariés.
Par ailleurs, ce texte donne une existence juridique autonome aux services d'intérêt économique général qui sont également reconnus comme l'instrument incontournable de la cohésion sociale de l'Union européenne. Il faut savoir à cet égard qu'il s'agit d'un des points pour lesquels le combat est le plus important. On sait que, même s'il n'y a aucun lien entre le traité constitutionnel et la directive Bolkestein, l'irruption de cette dernière dans le débat sur le traité a perturbé l'analyse que l'on pouvait faire de ce dernier. Faut-il préciser que l'opposition des socialistes à cette directive est ferme, totale et complète ? L'abandon de la directive est donc tout à fait fondamental. Je ne citerai que le respect possible de la législation du pays d'origine. Il est évident que cette disposition, par rapport aux mesures européennes de cohésion sociale et environnementale, est totalement inacceptable. Elle va à l'encontre de l'Europe que nous souhaitons.
Le traité fournit pour la première fois une base juridique en vue de l'adoption d'une loi-cadre sur les services d'intérêt général. Il faut évidemment regretter que les spécificités de ces services, par rapport au principe de la libre concurrence, ne soient pas reconnues en tant que telles.
C'est d'ailleurs le combat que le PS mène et continuera à mener au niveau européen, comme je viens de le dire à propos de la directive Bolkestein, mais aussi pour l'avenir de l'Europe.
Le traité de Rome 2004 est une brèche dans une vision néolibérale de l'Europe. Nous soulignons simplement son existence et sa limitation. Il est très probable que, sur le plan politique, nous ayons des visions de la construction européenne divergentes malgré une convergence sur la nature fédéraliste, ou non, de cette Europe.
Le combat social et environnemental, c'est-à-dire le combat de gauche et de droite doit continuer à exister, quel que soit l'endroit où il doit se mener. Au niveau européen aussi, il continue et doit continuer à être mené.
Brèche dans le traité de Rome 2004. Pourquoi ? Parce que le traité détermine des objectifs pour l'Union qui ne s'arrêtent pas à la concurrence libre et non faussée, comme c'est le cas depuis 1957, mais qui s'étendent, par exemple, au plein emploi, à la justice sociale, avec des coopérations renforcées élargies, même si les procédures prévues restent compliquées.
Le traité sacralise le sommet annuel triparti sur la croissance et l'emploi et comporte une clause sociale qui permet d'obliger l'Union européenne à tenir compte de la dimension sociale dans toutes les politiques qu'elle mène.
Par ailleurs le traité prévoit l'extension du champ d'application de la majorité qualifiée à une vingtaine de nouveaux domaines comme la justice et les affaires intérieures, l'énergie ou l'agriculture, tous points d'appui que nous n'aurions pas sans le traité constitutionnel.
Je ne vous ferai pas l'injure de vous rappeler les articles qui correspondent aux exemples que je viens d'évoquer. Il est important d'ailleurs, au niveau de la lecture et de l'analyse du traité constitutionnel, d'avoir une vision globale.
C'est extrêmement important car il est clair qu'en isolant une partie du texte, on risquerait de donner à ce traité constitutionnel des mérites qu'il n'a pas et, en isolant une autre partie, on risquerait aussi de jeter l'opprobre sur la totalité de ce qui est proposé à notre vote.
Comme beaucoup, j'aurais trouvé préférable que la partie III qui est souvent qualifiée « d'enfer libéral » ne soit pas dans le traité. Mais les traités existent et existeront, quel que soit notre vote. (Réactions de Mme Durant).
J'ai dit, madame Durant, « qui est souvent qualifiée ». N'isolez pas une partie de phrase. En cas de vote négatif, tout ce qui contrebalance cette partie III serait rejeté.
Je ne puis pas suivre et nous ne pouvons pas suivre cette logique politique. John Monks, secrétaire général de la Confédération européenne des syndicats (CES) a bien résumé la situation en déclarant que « Le capitalisme international n'a pas besoin d'une constitution. Nous, oui ! »
Certains objecteront que ce traité est une constitution, ce qui le rend intangible et, qu'à ce titre, il faudrait le rejeter car il interdirait tout progrès ultérieur.
Je voudrais apporter quelques éléments à ce sujet. Le traité prévoit, comme tout autre traité, une procédure de révision ordinaire qui continue à requérir, comme pour toute révision, la ratification de tous les États membres. C'est la situation actuelle.
Telle est la situation qui préside à l'adoption de ce traité constitutionnel par l'ensemble des États membres, quelle que soit la procédure suivie par chacun d'entre eux.
Cependant, le rythme de révision des traités européens s'est incontestablement accéléré ces dernières années. Depuis 1986 et la signature de l'Acte unique européen, ceux-ci n'ont cessé d'être amendés. Le traité d'Amsterdam était à peine entré en vigueur le 1er mai 1999 que le Conseil européen de Cologne des 3 et 4 juin confirmait la nécessité d'organiser une nouvelle conférence intergouvernementale dans le but de modifier les traités. Deux ans à peine après la promulgation de la loi autorisant la ratification du traité d'Amsterdam, la loi autorisant la ratification du traité de Nice était en débat.
La récente révision du pacte de stabilité qui fut qualifiée de « gravure dans le marbre » devrait achever de convaincre les partisans de l'intangibilité du texte soumis à notre vote. Aucun texte ne s'applique ad vitam aeternam, ce sont les hommes et les rapports de force politiques qui font l'histoire. Ce traité n'est donc pas la fin de l'histoire européenne et sera dépassé comme tous les autres. Il n'est pour nous qu'une étape.
La feuille de route des futurs combats socialistes est claire : aller vers un traité social européen, une loi-cadre pour les services publics, un gouvernement européen économique, social et environnemental. Il est aussi question de mener chaque jour et à chaque instant la lutte pour des emplois de qualité et contre le chômage, la précarité, l'exclusion sociale et la mondialisation sauvage.
Nous, socialistes, voulons construire l'Europe sociale par une croissance économique régulée, forte et durable, qui permette de tendre vers le plein emploi de qualité ; nous voulons transformer l'espace européen en un véritable espace de cohésion sociale.
À cet égard, si, comme dans tous nos combats, nous voulons tendre vers l'idéal, nous devons faire face à la réalité et continuer à avancer à petits pas ou, parfois, simplement ne pas reculer, et ce même si la réalité est difficile à affronter parce que décevante.
Aujourd'hui, avec le traité constitutionnel, une dynamique nouvelle peut s'ouvrir dans la construction européenne car ce sont précisément l'intégration politique, l'appauvrissement démocratique et les droits sociaux qui progressent.
Certes, cette progression est lente mais, pour la première fois depuis très longtemps, nous allons vers une Europe politique, et ce avec des règles, des valeurs et des principes qui ne sont pas uniquement économiques. Comme la gauche politique et syndicale européenne, nous, socialistes, préférons engranger ces avancées.
Les partisans du « Non » brandissent le talisman de la renégociation mais ils devront s'en remettre au bon vouloir des États membres. Nous connaissons la situation de ces derniers : une bonne moitié a accepté l'actuel projet de traité de très mauvaise grâce parce qu'il va trop loin dans l'intégration sociale et politique. Le combat politique intègre aussi l'analyse des rapports de force engendrés par le texte qui nous est soumis à l'intérieur de l'Union européenne.
Par quelle opération du Saint-Esprit obtiendrions-nous davantage des États moins revendicateurs ? Ne nous trompons pas de colère par peur de voir notre modèle social se déliter !
Je ne veux pas faire croire aux personnes sceptiques que l'Europe que nous voulons va se réaliser miraculeusement. Il faudra du temps, de la constance, de la volonté, des alliés et parfois des bras de fer. C'est un chemin escarpé, plus exigeant qu'un « Non » tonitruant. Mais il est au moins la promesse d'une réalité plutôt que d'une chimère.
Notre oui n'est ni béat ni morose. C'est un oui de combat. Son ambition est de rapprocher l'Europe réelle de l'Europe souhaitée. Il est souvent de bon ton de présenter l'Union européenne sous les traits d'une machine bureaucratique, mais on souligne peu que ce traité constitutionnel redonne, même si c'est de manière limitée, la main aux politiques. La Commission sera soumise au pouvoir renforcé du Parlement européen - la codécision devient la procédure législative ordinaire - et des parlements nationaux, avec l'application du principe de subsidiarité et de proportionnalité. On peut considérer que cela permettra aux États membres et à leurs parlements d'exercer un contrôle plus important. Par ailleurs, il s'agit de la remise en avant d'une approche intergouvernementale inter États membres même si ce contrôle s'effectue non plus par les gouvernements mais par les parlements des États membres.
On dit effectivement que les pouvoirs du Parlement européen seront renforcés ; toutefois, la codécision n'est pas totale, ce que nous regrettons. Comment imaginer cependant que dans une intégration accrue, le parlement et le gouvernement ne disposeraient pas de la possibilité d'une décision commune ?
Les pouvoirs du Parlement européen sont élargis - politique agricole commune, coopération judiciaire et pénale, politique commerciale commune - et son rôle est renforcé. Il a d'ailleurs démontré, au moment de la constitution de la Commission Barroso - peut-être à la lumière des pouvoirs supplémentaires que le traité constitutionnel prévoit de lui donner - qu'il était tout autre chose qu'un organe se limitant à ratifier des décisions prises par les gouvernements. Le mouvement social pourra prendre appui sur cette Constitution pour peser de tout son poids, comme dans toute démocratie.
La démocratie participative progresse également au sein de l'Union : dialogue avec la société civile, droit d'initiative populaire, droit de pétition, dialogue social avec les syndicats. En ce qui concerne la société civile, je voudrais dire que tous les représentants de la société civile doivent avoir une place égale en tant qu'interlocuteurs sans que certains - je pense aux églises et aux représentations de la laïcité - occupent une place prédominante. Ce dialogue avec la société civile doit s'établir de manière transversale.
Il est vrai que, sur certains points, nous n'avons pas obtenu les avancées que nous aurions souhaité obtenir. Cependant, une fois les éléments mis dans la balance et le rapport de forces établi - car c'est bien de politique dont il s'agit - ce traité méritera notre soutien, même si celui-ci reste critique.
S'il nous déçoit dans un certain nombre de domaines, ce traité comporte aussi des avancées avec la consécration de la Charte des droits fondamentaux ne remplaçant pas les constitutions nationales.
Loin de parachever l'Europe libérale, ce traité nous paraît être une avancée tout à fait satisfaisante. Dans ce débat où les divergences s'expriment, où les opinions s'expriment de manière diversifiée, où des voix multiples à l'intérieur de mêmes groupes sociaux s'expriment de manière divergente, il faut soigneusement peser notre décision. Pour les raisons que je viens d'invoquer, avec les réserves nécessaires, avec la volonté de poursuivre le combat européen pour une Europe sociale qui donne aux citoyens et aux citoyennes européens leur place réelle de citoyens et de citoyennes, nous voterons « oui » à ce traité constitutionnel.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - In de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen werden boeiende hoorzittingen georganiseerd. Eminente sprekers hebben er een objectieve analyse van de Europese Grondwet gemaakt. Er werd gewezen op positieve punten en op enkele lacunes.
Ik wil enkele grote principes vermelden en enkele kritische bedenkingen maken.
De voornaamste doelstelling van de Europese Unie is de opbouw van vrede en stabiliteit in Europa. Historisch gezien liggen de wortels van de EU in de tweede wereldoorlog. De opbouw van een Europese Gemeenschap moest voorkomen dat het in Europa ooit opnieuw tot bloedvergieten komt. Daar zijn we tot nog toe in geslaagd.
Met de uitbreiding van de EU streeft de Unie naar een verdere stabilisering van het Europese grondgebied. De nieuwe grondwet biedt kansen op een stabiele uitbouw van de Unie, waarvan eenheid in verscheidenheid de grondslag vormt. Er is eenheid door het streven naar een vreedzaam en sociaal Europa waarin de lidstaten werken aan een gemeenschappelijk project. Er is verscheidenheid door het respect voor de verschillende Europese volkeren, die hun identiteit weerspiegeld zien in een soort Europese identiteit.
De Europese grondwet vormt de grondslag van de Europese Unie. Het is het belangrijkste Europese document. We moeten het echter ook kritisch benaderen.
Ik ga eerst in op de waarden van de Europese Unie. In artikel I-2 van de Grondwet staan de waarden vermeld waarop de EU berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbied voor de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren. Dit zijn de basiswaarden waarop de aloude Europese cultuur is gebaseerd. De Grondwet concretiseert deze waarden in doelstellingen, die in artikel I-3 worden omschreven, zoals inzet voor duurzame ontwikkeling, de bestrijding van sociale uitsluiting en discriminatie.
De EU handhaaft haar waarden en de doelstellingen in de Europese landen en bevordert die in de rest van de wereld. Professor Lenaerts heeft dat in een hoorzitting heel duidelijk en concreet verwoord door te verwijzen naar het IJzertestament. Hij zei `dat het IJzertestament van de Vlaamse beweging waarden van vrede en maatschappelijke solidariteit bevat. Het zijn waarden die zowel Vlaams als Belgisch en Europees zijn. Ze moeten worden veralgemeend. Die waarden vinden een weerklank in vele andere landen. Het zijn waarden die ons verbinden. Ze zijn gericht op eenheid. In een geïntegreerde maatschappij kan eenheid tot stand worden gebracht binnen de diversiteit van talen, culturen, godsdiensten, rassen en filosofische overtuigingen.' Ik citeerde pagina 63 van het verslag.
Dit zijn mooie intentieverklaringen. We scharen ons voluit achter deze basiswaarden en doelstellingen. Wat zal er echter gebeuren indien bepaalde lidstaten die basisprincipes niet respecteren? Artikel I-59 van de Grondwet vermeldt hiervoor een ingewikkelde procedure.
Ik besluit uit dit artikel dat het nagenoeg onmogelijk is een lidstaat te schorsen. Dat kan leiden tot een discrepantie tussen de wettelijkheid en de werkelijkheid. Sommige landen zijn niet zo democratisch als we zouden wensen en interpreteren de zo geprezen Europese standaarden en waarden als eens op een andere manier. De Europese Unie moet krachtdadiger kunnen optreden wanneer een ernstige en voortdurende schending van die waarden wordt vastgesteld.
We ijveren ook voor een inclusief Europa, waarbij de diverse bestuurslagen worden betrokken. We hechten veel belang aan de rol van de constitutionele regio's in de Europese Unie. Het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa geeft hiertoe een aanzet. De Europese Unie erkent immers de nationale identiteit die besloten ligt in de politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en zelfs lokaal bestuur. Op basis hiervan kan van de Europese instellingen worden verlangd dat ze de juridisch bestuurlijke consequenties aanvaarden van de Belgische staatsstructuur. België is een federale staat, samengesteld uit gemeenschappen en gewesten.
België heeft bovendien een unilaterale verklaring afgelegd, verklaring 49. Daarin wordt gewezen op de plaats van onze regionale parlementen en deelstaten. België verduidelijkt dat `zowel de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat als de parlementaire vergaderingen van de gemeenschappen en gewesten, in functie van de bevoegdheden die de Unie uitoefent, optreden als componenten van het nationale parlementaire stelsel of als kamer van het nationaal Parlement'. Deze verklaring geeft aan hoe het begrip nationaal Parlement in de Europese grondwet moet worden geïnterpreteerd in het licht van onze grondwet, namelijk de twee federale kamers en de vijf deelparlementen. De Europese bevoegdheden zijn immers verdeeld tussen het federale niveau, de gewesten en de gemeenschappen.
Ook de heer Paul Rietjens heeft in de commissie gezegd dat dit een belangrijke bepaling is. De tekst heeft immers geen tegenverklaringen uitgelokt. Dat wijst op een instemming en de erkenning door de andere lidstaten van het Belgische constitutionele stelsel.
Positief is ook de uitdrukkelijke vermelding van het subsidiariteitsbeginsel. De Europese grondwet benadrukt het principe van subsidiariteit en beperkt de nationale parlementen, voor België ook de regionale parlementen, en het Comité van de regio's bij het toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel. Alle nationale parlementen, en bij ons dus ook de deelparlementen, zullen de wetsvoorstellen opnieuw kunnen bestuderen. Als een derde van de parlementen negatief reageert, moet de Commissie haar voorstel herbekijken.
Als we die subsidiariteitstoets naar behoren willen uitvoeren, zal dat van de parlementsleden een bijkomende inspanning vragen. We pleiten er dan ook voor het Federaal Adviescomité voor de Europese aangelegenheden om te vormen tot een volwaardige commissie, zodat we voldoende middelen ter beschikking hebben om dit ter harte te nemen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is een eigenaardige vaststelling dat het subsidiariteitsbeginsel moet worden ingevuld door het Federaal Adviescomité voor Europese aangelegenheden. Het subsidiariteitsbeginsel dient juist om de nationale parlementen te betrekken bij de materies waarvoor ze bevoegd zijn. Voor het Duitse Bundesverfassungsgericht wordt nu heel de vraag van de aanvaardbaarheid van de kaderwetten onderzocht. Gaat het Federaal Adviescomité dan alle justitiezaken behandelen in de toekomst?
Het subsidiariteitsbeginsel betekent juist dat de bevoegde organen van de nationale parlementen in de materies waarvoor ze bevoegd zijn, betrokken worden en niet dat plots enkele `Europeanen' in het parlement over alles zullen beslissen. Dat is juist tegengesteld aan het subsidiariteitsbeginsel.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Dat zal moeten worden aangepast in de toekomstige werkzaamheden van de nationale parlementen. Ik wil dit vermelden omdat ik heb vastgesteld dat in onze gezamenlijke commissievergaderingen zo weinig mensen van het Federaal Adviescomité aanwezig waren.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We hebben dit probleem in het Bureau besproken. De discussie over de Europese grondwet in de Senaat mocht volgens mij niet beperkt worden tot een bespreking in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Deze aangelegenheid herleiden tot een internationaal verdrag is natuurlijk een truc. De commissies voor de Institutionele Aangelegenheden en voor de Justitie hadden bij deze discussie moeten worden betrokken, alleen al omdat het om een grondwet gaat, waarin rechten en vrijheden worden opgesomd. Het probleem is dus te weten hoe de rechten en vrijheden in onze grondwet, in het EVRM en in het EU-verdrag en in alle juridische instellingen die daarbij betrokken zijn, zich tot elkaar verhouden. Ik heb dat herhaaldelijk gezegd, maar men heeft mij daarin niet gevolgd.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - In het verdrag staat dat de Europese Unie de rijke verscheidenheid van taal en cultuur eerbiedigt en dat de EU rekening houdt met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborg van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.
Deze bepalingen zijn belangrijk voor de uitbouw van een sociaal Europa. Een sociaal Europa moet een correctie zijn op het louter economisch Europa. Europa is niet alleen de beste garantie op vrede, maar ook op sociale vooruitgang en economische welvaart in de deelstaten. De klemtoon mag echter niet te veel op concurrentie en economische liberalisering liggen. De grondwet zorgt voor vooruitgang op sociaal vlak en dat juichen we toe.
We kunnen ons ook vinden in de Europese grondwetsbepalingen die het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) efficiënter proberen te maken. Vanuit de pacifistische traditie vraagt Spirit dat bij de toepassing hiervan ruime aandacht gaat naar de niet-militaire aspecten van het veiligheidbeleid, waardoor de Europese Unie vooral als civilian power kan optreden.
Een volwaardig ambt van Europees minister van Buitenlandse Zaken vinden we een goede zaak. Hopelijk zal die minister een coherent Europees beleid kunnen voeren dat de belangenstrijd tussen de individuele lidstaten kan overstijgen.
De Europese Unie moet een sterke actor worden in de internationale politiek en streven naar een eensgezind buitenlands beleid waarmee de Amerikaanse buitenlandse politiek rekening zal moeten houden. Tijdens het jongste bezoek van onze Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen aan de Verenigde Staten hebben we dit duidelijk kunnen aanvoelen.
België moet Duitsland, Ierland, Oostenrijk en Zweden steunen, die in verklaring 44 bij de Slotakte opmerken dat het Euratom-verdrag sinds zijn inwerkingtreding inhoudelijk niet gewijzigd is. Nochtans is de wereld wetenschappelijk en politiek veel veranderd. Het Euratom-verdrag is daarom dringend aan een herziening toe.
Tot slot wil ik wijzen op het belang van de betrokkenheid van de burgers. Een grondwet voor de Europese Unie biedt uitzicht op meer transparantie, meer democratie en meer efficiëntie. Dat hebben we herhaaldelijk gehoord en gelezen. We moeten het echter ook kunnen uitleggen aan de bevolking. Onwetendheid over Europa en de Europese grondwet leidt tot pseudo-opinies. Daarom is een goede voorlichting noodzakelijk. Ik hoop dat de sensibiliseringscampagne voor de bevolking op een verstandige manier zal verlopen. De brochure met de helaas nietszeggende titel Presentatie voor de burger, die door de Europese Unie wordt uitgegeven, is een goede aanzet. Hopelijk wordt ze massaal verspreid.
Het ontwerp van grondwet dat nu voorligt, is niet volmaakt. Een aantal punten is voor verbetering vatbaar. Deze grondwet is het resultaat van intense onderhandelingen. Het is een delicaat compromis. De goedkeuring door alle lidstaten zal geen sinecure zijn. Momenteel is het nog onzeker of die Europese grondwet er wel komt. Al te vaak wordt de EU als schietschijf gebruikt voor wat nationaal misgaat. Ik hoop dan ook dat de Europese grondwet niet om de verkeerde redenen wordt weggestemd. Het is belangrijk de hoofdzaak goed voor ogen te houden. Een grondwet voor Europa legt een aantal basisprincipes vast en geeft aan waar we naartoe willen met het nieuwe Europa. Ze kan ook dienen als stok achter de deur voor verdere ontwikkelingen.
Omwille van het belang van de Europese grondwet zal de voltallige SP.A-SPIRIT-fractie het wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, en met de Slotakte, goedkeuren.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Jean Monnet, een van de grondleggers van de Europese Unie, schreef in het begin van de jaren vijftig: `Wij verbinden geen staten. Wij verenigen mensen'. Die uitspraak heeft geenszins aan actualiteitswaarde ingeboet. Na twee wereldoorlogen snakten de mensen in Europa naar vrede, vrijheid en voorspoed. Monnet en de andere grondleggers van de Unie beseften dat ze die verwachtingen van een generatie getekend door oorlogsgeweld en oorlogsleed, enkel konden realiseren door de belangen van een aantal landen te bundelen.
Generatie na generatie hebben politici die een gemeenschappelijk Europees huis wensten op te bouwen, die samenwerking verder geconcretiseerd met als orgelpunt de uitbreiding naar 25 lidstaten met 450 miljoen burgers en één ontwerp van grondwet. Hoewel de EU de afgelopen vijftig jaar een aantal domeinen die voor de burgers van groot belang zijn, zoals economie, veiligheid, rechten en vrijheden, ter harte heeft genomen, toch is men er niet in geslaagd de profetische woorden van Jean Monnet te realiseren. Niet de mensen zijn verenigd, wel de staten. Het lijkt alsof de Europese Unie, in haar drang om de idealen van vrede en economische welvaart te bewerkstelligen, de Europese burgers onderweg is kwijtgeraakt. Ze voelen zich niet meer betrokken bij het groter geheel en hebben nog moeite om de gemeenschappelijke waarden in Europa te denken. De ratificatieprocedure die vandaag in de Senaat en morgen in de Kamer wordt gevoerd, zal er niet toe bijdragen om de trend te keren.
De CD&V-fractie betreurt dat de Senaat dit essentiële wetsontwerp op een drafje afhandelt. Dit is des te jammer omdat hij vóór nieuwjaar met de Europese week een goede aanzet had gegeven om het publieke debat rond Europa op gang te brengen. We zijn dan ook zeer ontgoocheld dat die goede aanzet vandaag geen vervolg vindt in het debat over de Europese grondwet. Het ware beter geweest het ontwerp in verschillende commissies te bespreken.
M. François Roelants du Vivier (MR). - Permettez-moi de vous interrompre, madame de Bethune. L'opportunité de discuter de ce projet dans plusieurs commissions parlementaires a été tranchée, que je sache, par le Bureau.
Par ailleurs, je voudrais vous faire remarquer que, dans tous les autres parlements de l'Union européenne, la matière a été traitée par la commission chargée des relations extérieures.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ce n'est pas vrai !
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Dit wetsontwerp werd in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging besproken op een ogenblik dat in de plenaire vergadering over de Millenniumdoelstellingen werd gedebatteerd.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft dit wetsontwerp behandeld, maar mevrouw de Bethune hebben we daar niet vaak gezien!
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Dat was omdat ik het debat over de Millenniumdoelstellingen in plenaire vergadering wilde bijwonen.
Het is allesbehalve evident om een antwoord te vinden op het sluipende onbehagen bij de Europese burgers. Institutionele verdieping is één element dat kan bijdragen tot een antwoord. Er is immers nood aan instellingen die dichter bij de mensen staan en die begrijpbaar zijn.
De grondwet, waarover wij ons vandaag en de andere lidstaten zich in de komende maanden uitspreken, is een fundamentele stap in de goede richting. Ze is een nieuwe mijlpaal in het Europese eenmakingsproces en ze maakt Europa democratischer, doeltreffender en transparanter.
Democratischer omdat voortaan 90% van de Europese wetgeving gezamenlijk door de Raad van Ministers en het Europees Parlement moet worden goedgekeurd. Voor de eerste maal kunnen ook de Europese burgers rechtstreeks bijdragen aan de totstandkoming van de Europese wetten.
Doeltreffender omdat meer besluiten met een meerderheid van stemmen worden genomen en de Unie niet meer zo makkelijk kan worden verlamd door het vetorecht van de lidstaten.
Transparanter omdat dankzij nieuwe mechanismen de participerende democratie wordt bevorderd. Bovendien worden alle bestaande verdragen door één gemeenschappelijke en duidelijke tekst vervangen.
De grondwet neemt ook noodzakelijke waarden op. Vrijheid, rechtsstaat, eerbied voor menselijke waardigheid en mensenrechten, gelijkheid en democratie vormen niet alleen het bindmiddel tussen de staten, maar ook tussen de burgers. Om die reden bepaalt de grondwet uitdrukkelijk: `Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid en solidariteit'. Ik hoop dan ook dat niet alleen de politici in de verschillende lidstaten, maar vooral de mensen het belang van deze grondwet inzien en een snelle ratificatie steunen.
Hier knelt andermaal het schoentje. De communicatie met de mensen over de Europese grondwet loopt mank. De eerste opiniepeilingen in Frankrijk en Nederland tonen dat aan. Uiteraard gaat het hier enkel om peilingen en telt enkel het resultaat van het referendum zelf. Ze geven echter wel een duidelijke tendens aan. Het Ierse neen over het verdrag van Nice indachtig is het beter te voorkomen dan te genezen.
Bij de plechtige ondertekening van de Europese grondwet op 29 oktober 2004 te Rome hebben de Europese regeringsleiders gevraagd dat men zich zou inzetten om de Europese burgers te overtuigen van het belang van de grondwet. Ondanks de financiële middelen die zijn ingezet voor uitgebreide informatie bestaat bij de burgers nog steeds twijfel en zelfs afkeer, wat vooral tot uiting komt in de landen waar een referendum wordt georganiseerd. De regeringen die een referendum organiseren, hadden zich er bovendien toe verbonden alles in het werk te stellen om te voorkomen dat de debatten en campagnes rond de grondwet zouden worden overschaduwd door nationale thema's.
Wat loopt er dan mis? Ik ben ervan overtuigd dat in de communicatie over de Europese grondwet te weinig aandacht wordt besteed aan enerzijds de vrees voor het verlies van de eigen identiteit en de vrees voor de uitbreiding, en anderzijds het gebrek aan een eenvormige en appelerende boodschap en eenvormigheid in de communicatie.
De Europese burgers zien Europa nog al te vaak als een bedreiging voor de eigen nationale en culturele identiteit. Ze zien het eerder als een project van een aantal bureaucraten in Brussel, dat ver van hun dagelijkse realiteit staat en de soevereiniteit van het eigen land aan banden legt. Ze beseffen niet dat ze dankzij Europa een groot aantal voordelen genieten, zoals een degelijke infrastructuur, voedselveiligheid, de bescherming van de consument, de steun aan de landbouwbedrijven enzovoort. Met andere woorden, in elk aspect van ons leven speelt Europa een positieve rol.
Bovendien worden de Europese thema's in heel wat landen overschaduwd door de nationale politiek of politieke belangen.
Het gebrek aan coördinatie in de informatiedoorstroming naar de burgers bemoeilijkt een juiste perceptie van wat Europa in hun leven betekent. De burgers zien door de bomen het bos niet meer. Daarom moeten zowel de Europese Unie als de individuele lidstaten alsmaar meer dezelfde boodschap communiceren, vooral over de onderwerpen die de mensen aanbelangen.
De Europese Commissie heeft de boodschap nog altijd niet begrepen. Ze zal, zoals ze heeft aangekondigd, pas over enkele weken een betere communicatiestrategie met betrekking tot de grondwet ontwikkelen. Een beter begrip van Europa bij de burgers is echter vandaag al nodig zo niet dreigen een aantal landen de Europese grondwet naar de prullenmand te verwijzen.
Voorstanders van het referendum zullen aanhalen dat het referendum het meest geschikte middel is om de burgers te betrekken bij het Europees eenmakingsproces en de institutionele verdieping. Debatten en vraaggesprekken over de Europese grondwet informeren niet alleen de mensen, maar laten hen ook actief participeren.
Ondanks alle beloften en afspraken wordt een Europees referendum evenwel vaak misbruikt voor doeleinden die meer te maken hebben met de nationale politiek dan met Europa. Bovendien wordt het debat vaak verengd tot slogans en onwaarheden die ontaarden in emotionele discussies die niets meer te maken heeft met de grond van de zaak. Jean-Luc Dehaene verwoordde het ooit treffend: `Bij een referendum wordt meestal een antwoord gegeven op een vraag die niet wordt gesteld.'
De peilingen over het referendum in Frankrijk en Nederland, twee landen die mee aan de wieg van de Europese integratie stonden, zijn allesbehalve gunstig. Niemand heeft een noodscenario uitgewerkt voor het geval dat de Europese grondwet door een van de lidstaten niet zou worden geratificeerd. Men ging er blijkbaar van uit dat de grondwet zonder problemen door eenieder zou worden aanvaard.
Niemand durft hardop te zeggen dat een `njet' in Nederland en/of Frankrijk een institutionele crisis zonder voorgaande zal veroorzaken. Een tijdbom tikt onder ons gemeenschappelijk Europees huis. Maar wie zal erin slagen die te ontmijnen?
De doelstelling van de Europese grondwet is nochtans eenvoudig. Ze staat niet voor een centralistisch Europa, alleen voor een daadkrachtig Europa. De Unie moet in staat zijn in te grijpen in die domeinen waar de Europeanen gemeenschappelijk dienen te handelen. Niet iedere taak in Europa is een taak voor Europa, maar als Europa moet handelen, moet dat sterk en eendrachtig gebeuren. Dat is precies wat de grondwet vastlegt. Ze zegt wat de taak van de Unie is, van de individuele lidstaten, van de regio's en zelfs van de gemeenten. Kortom, de Europese Unie moet enkel optreden als het Europese niveau daartoe het meest geschikt is of als het om exclusieve bevoegdheden van de Unie gaat.
In het constitutioneel verdrag worden de principes van subsidiariteit, evenredigheid en recht van beroep voor alle nationale parlementaire organen gewaarborgd en worden de verschillende niveaus van de Europese Unie in balans gehouden.
Het verheugt CD&V dat het gemeentelijk zelfbestuur expliciet in de grondwet is opgenomen. Er is wel nog nood aan goede afspraken en procedures op Belgisch niveau. Dat is belangrijk aangezien de Europese regelgeving steeds meer gevolgen heeft voor de gemeenten en OCMW's. Liberalisering van de energiemarkt, overheidsopdrachten, plattelandsontwikkeling en zoveel meer, zijn beleidsdomeinen waar Europa zijn zeg in heeft, maar die tegelijkertijd effect hebben op de werking en de financiën van gemeenten en OCMW's. CD&V hoopt dan ook dat de verschillende ministers in de respectievelijke Europese ministerraden de belangen van de lokale besturen zullen verdedigen.
Zoals de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten echter heeft vastgesteld, is de doorstroming naar de lokale besturen in België geheel onduidelijk. Hier is nog een taak weggelegd voor het intermediaire niveau, de federale en gewestelijke regeringen, want we kunnen moeilijk verwachten dat de Europese Unie die taak zelf zal opnemen. Van hun kant hebben de lokale besturen ook een belangrijke rol te vervullen in het erkennen van het belang van de Europese Unie voor eenieder van ons. De gemeenten kunnen en moeten via debatten, informatie, stedenbanden en jumelages met gemeenten uit de Europese Unie, meer inzicht geven in de werking van de Unie en vooral in de impact ervan op ons dagelijks leven. Zoals gezegd, maakt Europa, meer dan velen vermoeden, deel uit van ons dagelijks leven.
Daarenboven kunnen we niet voorbijgaan aan de invloed van de Europese grondwet op ons federalistisch model. Innovatief is de nieuwe invulling van het subsidiariteitsbeginsel. Aanvankelijk was er slechts sprake van lidstaten, nu wordt rechtstreeks verwezen naar de verschillende niveaus in de lidstaten. Hiervoor werd aan de grondwet een protocol gehecht dat - in tegenstelling tot vroeger, toen er enkel een controle ex post door het Hof van Justitie was - een procedure bevat om een voorafgaande controle op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel mogelijk te maken. Hiervoor wordt alle informatie over de geplande wetgeving die op Europees niveau beschikbaar is, eveneens aan de nationale parlementen doorgegeven. Op basis van die documenten beslist elk van de betrokken parlementen zelf of de geplande wetgeving al dan niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Is dat niet het geval, dan moet het voorstel opnieuw worden overwogen. In de voorbereidende fase kunnen de lidstaten nu dus niet langer louter via regeringsleden hun mening kenbaar maken, maar krijgt de wetgevende macht voortaan een eigen spoor om haar opmerkingen in het besluitvormingsproces te laten horen. Omdat de deelgebieden in België, voor zover ze binnen hun bevoegdheden opereren, op gelijk niveau staan met het nationale parlement, is die wijziging meteen ook van toepassing op de deelstaatparlementen. Ook zij kunnen hun opmerkingen over eventuele schendingen van het subsidiariteitsbeginsel met betrekking tot hun prerogatieven rechtstreeks aan de Europese instellingen doorgeven. Daarvoor heeft België een unilaterale verklaring aan de grondwet laten hechten. In een federaal land waar de regeringen op de verschillende niveaus niet noodzakelijk eenzelfde samenstelling hebben, is het vanzelfsprekend niet zonder belang of de deelstaten zelf dan wel louter via de federale regering hun standpunt kunnen inbrengen. Het voorgaande mag echter niet de illusie wekken dat het werk er met die verklaring op zit. We moeten benadrukken dat het belang van de regio's en zelfs de inhoudelijke waarde van ons federalisme in de vernieuwde constellatie mede zal afhangen van het belang dat aan de subsidiariteitscontrole wordt gehecht en van de mate waarin inspanningen worden geleverd om die op een effectieve en efficiënte wijze uit te voeren.
Voor CD&V is het daarom zeer belangrijk dat er zo spoedig mogelijk mechanismen worden uitgewerkt die waarborgen dat de informatie rechtstreeks en in globo aan de deelstaten wordt doorgespeeld. Toestaan dat federale regering of het parlement hierin een voorafgaande schifting kunnen uitvoeren, zou aan onze eigen en aan de Europese grondwet afbreuk doen. Volgens de Raad van State is de verklaring van ons land bij de grondwet echter niet bindend voor de Europese instanties en voor de andere lidstaten.
Gelijklopend met die redenering wordt volgens de Raad van State de rol van de deelstaatparlementen in de subsidiariteitprocedure niet gevrijwaard. Hoewel in het overlegcomité afspraken werden gemaakt over het tijdschema waarbinnen de verschillende parlementen in ons land de Europese grondwet moeten goedkeuren, is inzake de concrete invulling van het subsidiariteitsbeginsel enkel de wil geuit een regeling uit te werken. Voor de CD&V is het dan ook van cruciaal belang dat binnen het overlegcomité zo spoedig mogelijk een concreet samenwerkingsakkoord wordt gesloten over de rol van de parlementen in de Europese regelgeving.
Tot slot wens ik voormalig premier Dehaene te danken voor zijn inzet. Door zijn inzet en zijn passie voor de Europese Unie kon hij als ondervoorzitter van de Conventie een cruciale rol spelen bij de totstandkoming van de grondwet. Wat ook de uitslag van de ratificatieprocedures in de verschillende lidstaten zal zijn, Jean-Luc Dehaene behoort door zijn inzet tot de founding fathers van de Europese Unie.
Ik ben ervan overtuigd dat de Europese grondwet een krachtiger en sterker Europa zal garanderen, waardoor het beter zijn plaats kan opeisen in een globaliserende wereld.
De CD&V-fractie is er zich van bewust dat de voorliggende tekst niet helemaal beantwoordt aan wat onze partij wenselijk of noodzakelijk acht. Zeker op sociaal vlak, maar ook op tal van andere domeinen hadden we meer vooruitgang gewild.
Rekening houdend met de weerstand tegen de verdere eenmaking en vooral rekening houdend met de wijze waarop decennia lang stap voor stap en vaak erg moeizaam aan Europa werd gebouwd, steunt de CD&V deze institutionele stap voorwaarts. We zullen dit ontwerp goedkeuren omdat het een mijlpaal is. De weg loopt echter verder. De grondwet geeft ons betere mogelijkheden om Europa veiliger, economisch sterker, socialer en rechtvaardiger te maken. We moeten die mogelijkheden ten volle benutten. Onze taak is alles behalve af.
M. Francis Delpérée (CDH). - C'est Jacques Delors qui a dit un jour : « On ne tombe pas amoureux d'un grand marché. » Je souhaiterais poursuivre un instant dans la même veine. Et dire : « On ne tombe pas amoureux d'une Constitution. À moins d'être constitutionnaliste - mais ça, c'est de la déformation professionnelle. »
L'explication est simple. La Constitution, c'est, pour l'essentiel, une machinerie. C'est toujours un assemblage d'institutions, de règles et de procédures. Il faut être doué pour découvrir derrière des dispositions techniques, au langage souvent ésotérique, un projet politique cohérent. Mis à part quelques experts ou quelques convaincus, qui va s'enthousiasmer pour un meccano institutionnel ?
De ce point de vue, la « Constitution pour l'Europe », comme on l'appelle, ressemble comme une soeur à d'autres Constitutions. Elle met en place les autorités de l'Union. Elle établit leurs règles de fonctionnement. Elle instaure les procédures de contrôle des actes européens.
La « Constitution pour l'Europe » tombe néanmoins dans les pièges que d'autres Constitutions avaient pu jadis éviter. La Constitution américaine de 1787, la Déclaration française de 1789 ou la Constitution belge de 1831 étaient riches mais elles étaient sobres. Elles énonçaient en termes simples des règles élémentaires de gouvernement et d'administration.
La « Constitution pour l'Europe » est manifestement plus prolixe. Il y a le texte du traité (cent quatre-vingts pages, format Moniteur). Il y a les protocoles (deux cent vingt-cinq pages, mêmes caractères). Il y a, en arrière-plan, la jurisprudence touffue de la Cour de Luxembourg. L'ensemble est vaste, complexe et d'accès difficile.
Il y a pis encore. La « Constitution pour l'Europe » brouille d'une certaine manière les pistes. D'une part, elle joue la carte de la modestie. Ce n'est pas « la » Constitution « de » l'Europe. Non, à peine « une » Constitution « pour » l'Europe... D'autre part, elle affiche ses ambitions. L'intention est d'établir une Constitution qui rivalise avec les vingt-cinq Constitutions nationales. À plus long terme, l'objectif est de construire un État qui puisse rivaliser avec les vingt-cinq États membres.
Il faut le reconnaître, sans détour, les moyens ne sont pas à la hauteur de ces préoccupations futuristes. D'aucuns, et non des moindres, se plaisent à célébrer l'émergence d'une Constitution, au sens matériel du terme. Le fond, à défaut de la forme ou de la procédure... Le contenu du flacon plutôt que l'étiquette... Ce discours procède de la méthode Coué.
Les réalités juridiques sont plus simples. Elles ne prêtent guère à discussion. C'est un traité international qui a été signé à Rome le 29 octobre dernier. C'est un traité international qui doit désormais être ratifié dans les vingt-cinq capitales européennes.
Avec cette précision qui est connue mais qui prend tout son relief à la veille du mois de mai et à proximité de l'Hexagone : si l'une des procédures n'est pas couronnée de succès, c'est l'ensemble du processus d'intégration qui est paralysé. On est loin de la rédaction ou de la révision d'une Constitution dont les dispositions s'imposeraient sans intermédiaire et sans délai au peuple européen.
Ce n'est pas qu'un problème juridique. C'est aussi un problème politique. Le parlement ici, le peuple là-bas, doit approuver ou rejeter le traité de Rome. Dans un cas comme dans l'autre, il doit se prononcer par un « oui » ou par un « non ». Il doit le faire sans réserves et sans nuances. Le « oui mais » ou le « non si » n'ont pas droit de cité. C'est à prendre ou à laisser. Ce choix binaire n'est pas de nature à susciter les enthousiasmes démocratiques - les citoyens et leurs représentants peuvent avoir le sentiment qu'on leur force gentiment la main ... Cette façon de faire ne favorise pas non plus l'émergence d'indispensables consensus.
La « Constitution pour l'Europe » n'aurait-elle que des défauts ? Certainement pas. Elle a des mérites évidents. Mais comme la plus belle fille du monde, elle ne peut donner que ce qu'elle a. Il ne faut pas demander à une Constitution, vraie ou fausse, plus que ce qu'elle ne peut procurer. Ce n'est pas l'Ode à la joie et nous ne sommes pas Ludwig van Beethoven ...
Quels sont les mérites avérés de « la Constitution pour l'Europe » ? À mon sens, ils sont au nombre de trois. Voici une Constitution qui consacre les droits de l'homme, qui rationalise le fonctionnement des institutions européennes et qui s'efforce, par petites touches, de donner plus de visibilité aux politiques de l'Union.
À ce triple point de vue, l'apport de la « Constitution » est loin d'être négligeable. Il est même irremplaçable.
En termes de libertés, la « Constitution pour l'Europe » reprend à son compte la Charte des droits du citoyen de l'Union, en ce compris les titres relatifs aux droits culturels, aux droits sociaux et aux droits politiques. Elle permet également de souscrire à la Convention européenne des droits de l'homme.
Comment ne pas se féliciter de cette double opération, même si, à l'avenir, les cours et tribunaux de notre pays devront apprendre à jouer sur plusieurs registres à la fois ? Ils devront combiner et harmoniser les dispositions de la Constitution belge, celles du Traité de Rome et celles de la Convention européenne de Strasbourg, sans même parler des pactes onusiens. L'exercice sera moins simple qu'il n'y parait.
Sans doute le Conseil d'État observe-t-il benoîtement qu'il suffit de choisir, dans chaque cas d'espèce, la disposition la plus favorable. Mais il escamote la difficulté. La plus favorable pour qui ? La plus favorable pour quoi ? Je suis de ceux qui considèrent qu'une codification de nos droits et libertés - qui serait inscrite au titre II de la Constitution - apporterait au citoyen plus de sécurité juridique, plus de garanties et, en définitive, plus d'autonomie.
En termes d'efficacité, la « Constitution pour l'Europe » entend réformer les institutions de l'Union. Elle tire parti d'une expérience de plus de cinquante ans et, en ce sens, elle ne fait pas véritablement oeuvre originale. Elle coordonne plus qu'elle n'innove. Mais, en même temps, elle tient compte des élargissements, présents et à venir. Elle redessine le cadre institutionnel de l'Union. Ce n'est pas une révolution mais c'est une réforme bienvenue.
Quelques exemples permettent de mesurer le chemin parcouru.
La « Constitution pour l'Europe » valorise le parlement européen. Elle accroît son rôle dans l'exercice de la fonction législative et budgétaire. Elle ne porte pas atteinte à ses prérogatives de contrôle politique.
Elle valorise le Conseil européen. Elle lui donne notamment un président, plus pour six mois, mais pour la moitié d'une législature, étant entendu que le mandat peut être renouvelé une fois.
La « Constitution pour l'Europe » renforce, à terme de cinq ans, la Commission européenne. La composition de la Commission pourra en effet être réduite. Après l'adhésion de la Bulgarie et de la Roumanie, soit dans une Europe des vingt-sept, la Commission ne compterait plus que dix-huit membres.
Plus important encore. La « Constitution pour l'Europe » arrête une meilleure architecture des institutions européennes. De longue date, les spécialistes ont constaté et dénoncé la confusion des pouvoirs qui prévalait au sommet de l'Europe. Désormais, une certaine séparation des pouvoirs est instaurée. Le couple Parlement-Conseil est investi de la fonction législative. La Commission européenne, de son côté, assume l'essentiel des tâches exécutives. Cette répartition des responsabilités se traduit notamment dans l'élaboration des normes européennes : la loi, d'une part, les règlements d'autre part, étant entendu que ceux-ci s'inscrivent dans la conception soit d'une fonction réglementaire dérivée, soit d'une fonction réglementaire déléguée.
En termes de visibilité, la « Constitution pour l'Europe » s'attache à corriger une impression, celle qui voudrait que l'Union européenne soit muette sur le plan international : l'Afrique, les Balkans, le Moyen-Orient... L'expérience Solana a porté ses fruits.
Deux réformes sont envisagées. D'une part, le président du Conseil européen est chargé d'assurer la représentation extérieure de l'Union pour les matières qui relèvent de la politique étrangère et la sécurité commune. D'autre part, un ministre des Affaires étrangères de l'Union est désigné. Il est vice-président de la Commission européenne. Il conduit la politique étrangère et de sécurité commune de l'Union.
Il va sans dire que des coordinations devront s'instaurer entre les actions menées par ces deux personnalités.
Liberté, efficacité, visibilité... Nous sommes sur la bonne voie. Même si certains considèrent que la route est longue, qu'elle est inutilement tortueuse et que l'équipage ne fait pas toujours preuve de l'esprit collégial, de l'énergie et même de l'enthousiasme souhaitables.
Évidemment, je ne peux manquer de constater que l'adoption par la Belgique d'une « Constitution pour l'Europe » soulève trois questions constitutionnelles, au regard, il faut être clair, des dispositions de la Constitution belge.
La première question n'a guère retenu l'attention jusqu'à présent. Les Belges sont amoureux de l'Europe et l'on sait que l'amour est aveugle. C'est la question du transfert d'attributions.
La deuxième question a trop longtemps défrayé la chronique. C'est celle de l'organisation d'une consultation populaire.
La troisième question mériterait que nous y consacrions quelques instants, aujourd'hui et demain. C'est celle de l'aménagement des procédures parlementaires.
J'en viens à la première question, celle du transfert d'attributions. La Constitution belge contient ce qu'il est convenu d'appeler une clause « Europe ». Depuis 1970, l'article 34 de la Constitution précise en effet que « des pouvoirs déterminés » peuvent être attribués à des institutions de droit international public, et chacun sait que les institutions européennes sont visées par cette expression. Dans ces conditions, tout peut paraître simple. Le Traité de Rome est un traité comme les autres. Les institutions européennes sont des institutions de droit international public. Le Traité de Rome attribue de nouvelles compétences à l'Union européenne. La clause Europe met à l'abri de discussions constitutionnelles inutiles.
Une difficulté peut néanmoins surgir. Les transferts de compétences au profit des autorités européennes ne sont-ils pas trop imprécis ? De ce fait, ne deviennent-ils pas « indéterminés » au lieu de conduire à l'attribution de pouvoirs déterminés ?
Tel n'est pas le cas en l'espèce. Et cela pour deux raisons au moins. D'abord, le Traité de Rome ne se préoccupe pas, pour l'essentiel, de définir de nouveaux champs d'intervention pour l'Union. À peu de choses près, il opère à droit constant. On n'est plus au temps de la création d'une monnaie unique ou de la communautarisation des politiques migratoires. Le traité n'ouvre pas de nouveaux champs d'action. Il se soucie plutôt de préciser la manière dont les attributions de l'Union devront être exercées. C'est le modus operandi qui se transforme, plutôt que le champ des compétences.
Ensuite, il faut observer, avec le Conseil d'État, que l'exercice des compétences par l'Union européenne est mieux encadré qu'il ne l'était auparavant. Il est désormais soumis au respect de trois principes : « les principes d'attribution, de subsidiarité et de proportionnalité ». Ce sont autant de garde-fous à l'exercice de compétences indéterminées ou illimitées.
Soyons de bon compte. La clause Europe ne pourra pas toujours suffire. Les dispositions du traité peuvent en effet s'inscrire en violation, peut-être frontale, avec les dispositions de la Constitution belge. Elles peuvent dès lors introduire une distorsion entre les engagements que la Belgique prend dans l'ordre international et ceux qu'elle prend dans l'ordre interne.
Un seul exemple. C'est celui de la fonction publique nationale, régionale et locale. La Constitution proclame, encore aujourd'hui, que seuls les Belges peuvent être titulaires d'un emploi public. Et elle n'opère aucune distinction entre les emplois de souveraineté et les emplois de gestion. Depuis 1980, la Cour de justice a considéré que la Belgique méconnaissait ses obligations communautaires en réservant des emplois de gestion à ses seuls nationaux et en ne les ouvrant pas aux citoyens de l'Union,
Il serait temps d'harmoniser les prescriptions du droit européen et celles du droit constitutionnel dans le sens d'une ouverture de la fonction publique aux citoyens de l'Union. Des propositions de révision de la Constitution ont été élaborées en ce sens. Il est urgent de modifier l'article 10 de la Constitution.
La deuxième question n'était pas compliquée. Elle a été inutilement polluée par des considérations extra juridiques, pour ne pas dire par des jeux politiques.
Comme l'a rappelé l'Assemblée générale du Conseil d'État, l'article 32 de la Constitution instaure en Belgique un régime représentatif, une monarchie constitutionnelle représentative, comme disaient les membres du Congrès national. Il confie aux représentants de la Nation le soin de s'exprimer au nom et pour le compte de la Nation. Sauf disposition en sens contraire, la Nation, elle, ne parle pas sauf à l'occasion des élections démocratiques. Cet argument massue aurait dû suffire à évacuer l'idée de la consultation populaire.
Il est un second argument. En 2003, les chambres préconstituantes ont envisagé la révision du titre III de la Constitution aux fins d'organiser une consultation au niveau régional. En clair, elles n'autorisaient pas le pouvoir constituant à organiser une consultation populaire ni au niveau communautaire ni au niveau fédéral. Cela aurait dû suffire pour clore le débat. Deuxième argument tout aussi décisif que le premier. Point n'est besoin de s'attarder plus longtemps à cette question constitutionnelle.
La troisième question est plus complexe. Jusqu'à présent, elle n'a pas fait l'objet d'un examen exhaustif. Et, pourtant, cette question conditionne largement notre avenir, je veux dire l'avenir du Sénat.
Où gît la difficulté ? Dans plusieurs de ses dispositions, la « Constitution pour l'Europe » se préoccupe d'associer ce qu'elle appelle le « Parlement national » au processus de décision européen. Mais elle n'entend pas intervenir dans l'organisation des États-membres - c'est le fameux principe d' « indifférence ». Elle ne précise donc pas ce qu'il faut entendre par l'expression de « Parlement national ».
La question ne peut manquer d'intriguer dans un État qui pratique le bicamérisme inégalitaire : qui, de la Chambre « ou » du Sénat, de la Chambre « et » du Sénat va intervenir ? La question rebondit évidemment dans un État qui pratique le fédéralisme, notamment dans le domaine des relations internationales et européennes : qui de l'État fédéral, des communautés « ou » des régions, de l'État fédéral, des communautés « et » des régions, va intervenir ?
Pour l'instant, aucune réponse n'est apportée ni à la question bicamérale, ni à la question fédérale. Seuls émergent quelques éléments de réponse ou, tout au moins, quelques éléments de réflexion.
Premièrement, l'assemblée générale du Conseil d'État considère, dans une perspective très européaniste et quelque peu déconnectée des réalités nationales, celles de la Belgique mais aussi celles des autres États fédéraux en Europe, que l'État ne peut être que l'État belge et que le Parlement national ne peut être que le Parlement fédéral. Mais cette solution abrupte cadre-t-elle avec les éléments les plus essentiels de notre système constitutionnel ?
Deuxièmement, des esprits bien intentionnés renvoient la solution du problème à une simple modification du règlement des assemblées parlementaires. C'est peut-être oublier un peu vite que, dans un État comme le nôtre, « les pouvoirs sont d'attribution ». C'est donc à la Constitution, et non aux règlements des assemblées, que revient le soin de préciser la manière dont ces pouvoirs seront exercés.
Troisièmement, d'autres encore s'interrogent sur le contenu d'un accord de coopération qui pourrait être établi entre l'État fédéral, les communautés et les régions. Un tel accord s'avérera certainement utile. Il convient néanmoins qu'il s'inscrive lui-même dans les prévisions de la Constitution. Il ne saurait combler les lacunes ou les silences du texte constitutionnel sur ces sujets essentiels. Dans la définition des nouveaux contours du bicamérisme et du fédéralisme, la Constitution doit s'exprimer et elle doit le faire en termes non équivoques.
M. Philippe Mahoux (PS). - À cet égard, vous savez que l'on teste une méthode d'application du contrôle de la subsidiarité et de la proportionnalité à propos d'un texte un peu complexe portant le troisième train de mesures ferroviaires. L'ensemble des parlements des États membres mettent en pratique un mode d'évaluation du principe de subsidiarité à propos de ce texte. Une méthode a été adoptée en Belgique. Elle n'est qu'expérimentale. Elle n'est évidemment pas traduite dans les textes. Il faudra donc que ces derniers correspondent à ce qui est praticable. Mais, dans l'état actuel des choses, il revient au parlement fédéral, à partir du Sénat, à travers le comité d'avis et en passant par les commission permanentes, de prendre l'initiative en se basant sur un avis des services juridiques. Les parlements régionaux peuvent réagir. Vous savez que, dans le texte du traité constitutionnel, ce qui sera induit devra l'être par les gouvernements et non par les parlements. C'est donc ceci qui est testé actuellement. Ce système est très complexe pour nous. Nous aurions pu choisir un sujet de test plus évident, pour lequel les problèmes de subsidiarité et de proportionnalité se posaient de manière plus évidente. De toute façon, lors de la prochaine réunion de la COSAC à Luxembourg, une évaluation de l'application de cette méthode dans tous les États membres aura lieu.
M. Francis Delpérée (CDH). - Je vous entends bien, monsieur Mahoux...
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik ben het volkomen eens met collega Delpérée: als het ontwerp van Grondwet en de afgeleide gevolgen worden goedgekeurd, komt tachtig procent of vier op de vijf van de nationale wetten, van Europa. Daarom moeten we absoluut komen tot een goed systeem dat de bevoegde commissies een plaats geeft. Een commissie voor Europese Aangelegenheden kan dat niet allemaal bolwerken en daarom is de suggestie van mijnheer Mahoux onrealistisch. Kan die commissie bijvoorbeeld ook de hele strafwetgeving voor haar rekening nemen? Dat is onmogelijk.
De commissies voor de Justitie van de Senaat en van de Eerste Kamer van Nederland zijn trouwens al bijeengekomen om af te spreken op welke wijze het subsidiariteitsbeginsel in justitiële zaken kan worden toegepast. Het besluit was dat dit via de bevoegde commissies voor Justitie moet verlopen. Wat een arrogantie om dit allemaal aan die ene commissie toe te vertrouwen! (Uitroepen)
Nu wordt telkens opnieuw beweerd dat zij die voor deze materie bevoegd zijn door de goedkeuring van het ontwerp van grondwet de bevoegdheid om het subsidiariteitsbeginsel in te vullen kwijtspelen. Dat is vanuit democratisch oogpunt een totaal onhoudbaar standpunt. Het kan er alleen maar toe leiden dat er nog meer bureaucratische wetgeving wordt uitgevaardigd zonder het akkoord van de nationale overheden.
M. Philippe Mahoux (PS). - J'ai omis de le dire mais, dans tout le processus, comme c'est le cas actuellement, le passage par les commissions compétentes est prévu. Il est hors de question d'imaginer que, dans toute une série de problèmes, le comité d'avis aurait une importance.
En tout état de cause, s'il faut actionner une mise en cause du principe de subsidiarité, cela devra être fait par l'assemblée dans son ensemble. Il y a donc un « réceptacle » soit le comité d'avis qui a l'avantage d'être commun à la Chambre et au Sénat. Les commissions compétentes concernées auront l'occasion de réagir aux avis du comité d'avis. Ensuite, ... (Interruptions de M. Vandenberghe)
Mme la présidente. - Nous testons actuellement les procédures. N'essayons pas de trancher cette question ici et maintenant....
M. Philippe Mahoux (PS). - Je voudrais aller au bout de mon propos pour éviter qu'on ne caricature le système.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - Un comité d'avis n'est pas une commission parlementaire....
Mme la présidente. - Des matières techniques peuvent susciter des passions. Nous en avons la preuve.
M. Philippe Mahoux (PS). - Cela n'a pas une importance exceptionnelle. C'est un débat technique.
Pour que les choses soient claires, le comité d'avis ne prendra jamais une décision. Les commissions compétentes le feront.
Ce que vous avez dit, monsieur Delpérée, est très important. Indépendamment d'une phase d'essai, de test, il faudra sur le plan européen, si le traité constitutionnel est adopté, mettre en pratique le rôle des parlements nationaux et, au niveau belge, régler le rôle respectif des différentes Chambres et des commissions au sein des assemblées.
M. Francis Delpérée (CDH). - C'est le problème que je posais.
Mme Isabelle Durant (ECOLO). - Ce bel échange technique passionnera les foules ! En commission, nous étions très peu nombreux.
Déjà aujourd'hui une part très importante de notre législation est européenne et est à transposer en droit belge. C'est la logique de l'Europe et c'est une bonne chose. Il faut plus de supranationalité. Ergoter ici ! ... alors qu'en commission, peu de sénateurs sont venus discuter ! Il faut être présents là où les choses se passent.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - Cette discussion montre bien que la commission des affaires institutionnelles aurait dû être saisie.
Mme la présidente. - C'est évident.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - C'est ma critique fondamentale. La discussion au Sénat n'est pas à la mesure du sujet.
Mme la présidente. - C'est un autre thème, monsieur Vandenberghe.
M. Francis Delpérée (CDH). - Je me réjouis d'avoir mis le doigt sur cette question et d'avoir suscité ainsi les interventions de mes collègues.
Mais je voudrais dire que ce n'est pas que le problème de la subsidiarité qui se pose. Relisons le Traité de Rome, il prévoit, sur trois points, l'intervention du parlement national.
Le parlement national pourra saisir la Cour de Justice des Communautés européennes. Mais qui va la saisir ? La Chambre ou le Sénat ? La Chambre et le Sénat ? Nous n'en savons rien.
J'aime bien la COSAC. J'aime bien les pratiques mises en oeuvre aujourd'hui. J'aime bien le test, comme dit M. Mahoux.
Mais la question que je pose est la suivante : « Est-ce le traité de Rome, les autorités communautaires, qui doivent nous dicter la manière suivant laquelle nous décidons de nous gouverner, de nous régenter et de délibérer sur les questions de notre compétence ? » La réponse est simple : c'est la Constitution belge qui doit s'exprimer sur ce point.
Toujours dans le même sens, nous nous exprimons dans le contexte belge alors que, dans d'autres États européens, la Constitution a été révisée pour régler ce problème de procédure parlementaire et mettre les assemblées en mesure d'exercer les compétences que le traité leur attribue !
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In Duitsland bijvoorbeeld heeft de Bundesrat een grote actie op het getouw gezet om ervoor te zorgen dat in de Duitse grondwet garanties worden opgenomen opdat de Duitse Bundesrat het subsidiariteitsbeginsel kan invullen. Daar gaat het niet om een adviescomité, maar over de specifieke bevoegdheden van een kamer zoals de Senaat. Ik ben ervan overtuigd dat Duitsland de Europese grondwet niet zal goedkeuren zonder bijkomende grondwettelijke garanties voor de deelstaten in Duitsland.
M. Francis Delpérée (CDH). - La Constitution de la cinquième République a déjà été modifiée afin de préciser qui doit intervenir, l'Assemblée nationale ou le Sénat.
Je suis de ceux qui disent que la réforme est importante mais qu'elle concourt tout de même à une définition des nouveaux contours du bicaméralisme et du fédéralisme.
La Constitution doit s'exprimer sur ce sujet en des termes non équivoques. De ce point de vue, ce n'est pas l'Europe qui doit nous dicter nos structures et nous procédures.
Une dernière question porte sur le calendrier. Idéalement, il conviendrait de réviser et de compléter la Constitution avant l'approbation du Traité de Rome. Cela permettrait au Sénat de mesurer l'exacte portée du Traité et de vérifier le rôle qui lui sera dévolu dans l'exercice des compétences parlementaires internes. Cela permettrait aussi aux parlements des Communautés et des Régions d'apprécier les fonctions qui leur sont réservées dans ce nouveau contexte institutionnel.
Si, pour des raisons d'opportunité politique, le gouvernement devait considérer qu'une telle opération révisionniste ne serait pas concevable dans les heures ou dans les jours qui viennent, il faudrait à tout le moins qu'il tire parti de l'article 4/477, alinéa 2, du Traité de Rome. Celui-ci précise que le Traité entre en vigueur le 1er novembre 2006.
La Constitution devrait donc pouvoir être modifiée avant cette date butoir, bien entendu dans les limites de la déclaration de révision du 10 avril 2003. Dès lors, au plus tard le 1er novembre 2006, il sera possible de dire que « Tout est bien qui finit bien. » en matière constitutionnelle.
Aujourd'hui, la Nation est appelée pour la première fois à s'exprimer sur le Traité de Rome. Il ne me déplaît pas de dire que c'est par l'entremise du Sénat qu'elle le fait.
Dans les conditions que j'ai rappelées, le groupe CDH apportera évidemment tout son appui au projet de loi qui vise à approuver le Traité établissant une Constitution pour l'Europe. Mais il rappelle aussi au gouvernement qu'il lui reviendra de déposer les textes qui permettront de mettre en oeuvre l'ensemble des dispositifs du Traité, en ce compris ceux qui concernent la haute assemblée.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - We voeren een discussie die soms over de hoofden heen gaat. We spreken over een verdrag dat wellicht weinigen helemaal hebben gelezen, maar waarvan nochtans iedereen het belang inziet. We hebben al een opsomming gehad van alles wat goed is en van alles wat schort aan dit grondwettelijk verdrag. In tenminste drie lidstaten van de Unie hangt de ratificatie van het grondwettelijk verdrag aan een zijden draadje, ook omdat daar heel wat binnenlandse politieke aangelegenheden mee gemoeid gaan. Mevrouw de Bethune heeft gesproken over de chaos als gevolg van een mogelijke afwijzing van deze grondwet door Frankrijk. In de commissie heeft onder meer professor Lenaerts gesteld dat die afwijzing niet noodzakelijk een complete chaos hoeft te betekenen. Het zou vooral een breuk teweeg brengen in de continuïteit van de rechtspraak en in de ontwikkeling van het recht. Mevrouw de Bethune was jammer genoeg afwezig in die commissievergadering. Ik hoop uiteraard dat de Fransen wel op tijd inzien dat dit ook voor hen een belangrijk verdrag is en het wel goedkeuren.
Voor de ene gaat deze grondwet niet ver genoeg, voor de andere is het een nieuwe stap naar een verfoeilijke Europese superstaat. Een aantal punten die vandaag in het debat worden opgeworpen, onder meer over de Bolkestein-richtlijn, vertroebelen het debat in sommige buurlanden.
Enkele nieuwe landen staan te dringen aan de deur van de Europese Unie. Blijkbaar is de Europese Unie voor hen toch voldoende aantrekkelijk om op samenwerking aan te dringen.
In het debat in de Senaat werd vooral de nadruk gelegd op de complexiteit en het technische karakter van het geheel. Eén van de grote uitdagingen bestaat erin die complexiteit te overstijgen en om met de mensen in discussie te gaan over hetgeen waarover het nu echt gaat.
De VLD zal dit grondwettelijk verdrag goedkeuren. Deze tekst is een compromis. De beste illustratie daarvan is trouwens de kritiek die ook vanuit de basis op het ontwerp wordt gespuid, voor zover er van veel debat aan de basis sprake is. Wij zijn kritische eurofielen. Wij geloven in de Europese gedachte en we zijn ervan overtuigd dat in een steeds meer globaliserende wereld Europa enkel een rol zal kunnen blijven spelen wanneer het zijn integratie uitdiept. Deze grondwet zet op dit vlak ongetwijfeld stappen vooruit. Voor de zoveelste keer vallen de kernwoorden, maar ze kunnen niet worden weerlegd: de Unie wordt democratischer, transparanter en efficiënter. De grondwet geeft het Handvest van de grondrechten een rechtsbindend karakter. Ze heft de pijlerstructuur op, bakent duidelijker de bevoegdheden af, vereenvoudigt de wetgevende en uitvoerende instrumenten van de Unie. Het Europees parlement wordt op veel meer domeinen medewetgever. De gekwalificeerde meerderheid in de Raad is sterk vereenvoudigd ten opzichte van het kluwen van Nice en wordt trouwens over heel wat nieuwe gebieden uitgebreid. De verkozen voorzitter van de Raad zal twee en een half jaar tot vijf jaar lang aanblijven en de functie zichtbaarder maken.
Zelfs wij, als nationaal parlement, worden betrokken bij de opmaak van de Europese wetgeving. De Senaat moet die uitdaging enthousiast aannemen. Met het oog op de hervorming van de Senaat moeten wij nu tonen waar de bevoegdheden van de Senaat in de toekomst moeten liggen en de rol van de commissies in dezen erkennen en vastleggen. Ik sluit mij dan ook aan bij de opmerkingen van de heren Vandenberghe en Mahoux..
De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij zijn het met elkaar eens.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik zeg dat ook als voorzitster van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. Wij worden al te vaak door Europese beslissingen voor voldongen feiten geplaatst. De mechanismen waarin dit wetsontwerp voorziet, bieden de gelegenheid om tussen te komen en via de subsidiariteitstoets kunnen wij onze verantwoordelijkheid ten volle op ons nemen. Wij kunnen de Commissie laten weten dat een voorstel een domein betreft waarop geen Europees optreden is vereist.
Op het gebied van de justitie en de binnenlandse zaken worden instrumenten als het Europese Parket verder uitgebouwd. De sociale dimensie van de Unie wordt expliciet erkend in de Grondwet en een belangrijke horizontale clausule stelt de doelstellingen van de Unie op sociaal vlak veilig.
De Unie zal in de wereld één gezicht krijgen, dat van de Europese minister van Buitenlandse Zaken die door een diplomatieke dienst zal worden ondersteund.
Ook de Europese Defensie komt een stapje dichterbij.
Is dit voor ons dan een perfect Grondwettelijk Verdrag? Neen, daarvoor had er iets meer aandacht mogen zijn voor andere politieke entiteiten dan de lidstaten. Enkele sprekers, onder andere de heer Lionel Vandenberghe, hebben daarop overigens al gewezen.
Wij hadden graag gezien dat de Gemeenschappen en de Gewesten van dit land rechtstreekse toegang hadden gekregen tot het Europees Hof van Justitie en ook omgekeerd rechtstreeks door het Hof hadden kunnen worden aangesproken. Wij hadden ook gevraagd om de stemmen in de Raad te kunnen opsplitsen. De coördinatie van het economisch beleid had nog wat sterker op Europees niveau mogen worden verankerd.
Op het vlak van asiel en migratie, bij uitstek Europese materies, hadden we een grotere vooruitgang gewild. Ook de lijst van zwakke punten is niet volledig. Een compromis is nu eenmaal een compromis. Dit compromis is aanvaardbaar.
Wie herinnert zich nog de dagen na de Europese Raad te Laken, toen het Belgische voorzitterschap de gelijknamige verklaring uit de brand heeft gesleept, die de weg opende naar de oprichting van de Conventie. De openbaarheid waarin de Conventie heeft vergaderd over de toekomst van de Unie, was nooit eerder gezien. Nog nooit werd op zo'n parlementaire manier een nieuwe stap in de Europese integratie voorbereid.
Wie herinnert zich nog het verbod: `Don't mention the C word!', waarmee werd aangeduid dat het begrip Grondwet of Constitution onoverkomelijk zou zijn? Wie heeft nog weet van de algemeen gedeelde vrees dat een opname van het Handvest van de grondrechten onmogelijk unaniem zou kunnen worden aanvaard? Hoe lang is het geleden dat de opheffing van de pijlerstructuur en de ene rechtspersoonlijkheid een gedurfde eis was?
Al die stappen zijn vandaag genomen. Al die zaken staan in het Grondwettelijk Verdrag waarover wij vandaag debatteren.
Collega de Bethune heeft gewezen eerste minister Dehaene bedankt, ik wil ook onze huidige eerste minister en alle andere spelers danken voor de belangrijke rol die zij in dit proces hebben gespeeld.
Er is een lange weg afgelegd. Om dit Grondwettelijk Verdrag te beoordelen moeten we het niet afwegen tegenover de best mogelijke grondwet. Wel moeten wij ons afvragen of de tekst een verbetering inhoudt en Europa daadwerkelijk vooruithelpt. Daarvan zijn wij overtuigd. Europa en België hebben trouwens een heel nauwe relatie. België herbergt niet alleen de Europese instellingen; als klein land hebben wij een heel grote inbreng gehad in de totstandkoming van dit verdrag.
Toch blijft de VLD het jammer vinden dat er geen akkoord is gevonden voor een rechtstreekse raadpleging van de bevolking. We moeten de burger au sérieux nemen. Een echt maatschappelijk debat over de vraag hoe Europa er in de toekomst moet uitzien en in welke mate de Europese Grondwet een stap in de goede richting is, was volgens ons misschien wel moeilijk, maar toch mogelijk geweest. We zullen dat debat echter hoe dan ook moeten voeren, want daaruit moet blijken of Europa daadwerkelijk evolueert naar het Europa van vrede en welvaart dat onze ouders voor ogen hadden en het Europa dat deel uitmaakt van een rechtvaardiger wereld, waaraan onze kinderen nog zullen moeten werken.
Dit is immers een historisch project dat te maken heeft met waarden en waarbij wij vaak te veel de klemtoon leggen op de institutionele en bureaucratische aspecten.
We hadden met enthousiasme dit compromis kunnen verdedigen bij onze burgers, als zijnde het hoogst bereikbare hier en nu, maar dat vraagt meer politieke moed dan het overlopen van alle argumenten voor en tegen in de Senaat. Ik denk dat we voor de gemakkelijkste weg hebben gekozen en het middenveld merkt terecht op dat het debat te eng was. Ik hoop dat we dat in de toekomst nog zullen kunnen corrigeren.
Het wetsontwerp werd in de commissie met een voorzichtige unanimiteit goedgekeurd. Ik hoop dat het straks in de plenaire vergadering met een grote meerderheid zal gebeuren.