(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
Meer dan eens werd ik geconfronteerd met dossiers van mensen van wie de echtgenoot overleden is en die dus een overlevingsrente genieten.
Die mensen zien zich vaak genoodzaakt te werken om in hun bestaan te voorzien.
Artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers bepaalt overigens dat een beroepsactiviteit die bepaalde grenzen niet overschrijdt, verenigbaar is met de volledige of de gedeeltelijke betaling van het pensioen.
In geval van ziekte of arbeidsongeval verliezen die mensen echter, na de periode die door de werkgever wordt gedekt, het genot van de ziekteverzekering.
Die toestand is mijns inziens bijzonder onrechtvaardig. Volgens de logica van de actieve welvaartstaat zou men de betrokkenen hun persoonlijke rechten inzake arbeidsongeschiktheid moeten garanderen en hun het genot van het overlevingspensioen verlenen. Het beperkte bedrag van dat pensioen noopt hen precies in de meeste gevallen tot een beroepsbezigheid om te voorzien in de behoeften van hun gezin.
Ik kan mij voorstellen dat er een soortgelijk probleem rijst in de twee andere pensioenstelsels, dat van de zelfstandigen en dat van de ambtenaren.
Ik denk dat uw voorganger daaromtrent bepaalde maatregelen dacht te nemen en collega's parlementsleden hebben terzake wetsvoorstellen ingediend.
Wat denkt u daarover ?
Wat denkt u te doen om dat te verhelpen ?
Antwoord : Ik heb de eer mee te delen dat noch de uiteringsverzekering voor werknemers, noch de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen een cumulatieverbod voorziet tussen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een overlevingspensioen.
Dit cumulatieverbod is wel voorzien in de pensioensreglementering voor werknemers. Aangezien dit behoort tot de bevoegdheid van de minister van Pensioenen, verwijs ik naar het antwoord van mijn collega.