Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-32

ZITTING 2004-2005

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 3-1812 van de heer Galand d.d. 9 december 2004 (Fr.) :
Israëlisch-Palestijns conflict. — Veiligheidsmuur. — Resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 juli 2004. — Toepassing van het internationaal recht door België en de Europese Unie.

Het is bekend dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar resolutie met betrekking tot het advies van het Internationale Gerechtshof van 9 juli 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een veiligheidsmuur in bezet Palestijns gebied enerzijds

« 2. Eist dat Israël als bezettingsmacht zijn wettelijke verplichten nakomt zoals ze zijn vermeld in het advies »,

en anderzijds

« 3. Eveneens eist dat alle lidstaten van de Verenigde Naties hun wettelijke verplichtingen nakomen zoals ze zijn vermeld in het advies ».

Deze resolutie werd aangenomen met 150 stemmen tegen 6 bij 10 onthoudingen. Ik neem aan dat België bij de 150 landen was die voor deze resolutie hebben gestemd, aangezien België niet vermeld staat bij de landen die zich onthielden of tegen stemden.

U zal het met mij eens zijn dat deze resolutie in dwingende bewoordingen is gesteld (en niet als een optie, zoals vaak in de Algemene Vergadering het geval is) en dat zij geldt voor alle Staten die ze hebben goedgekeurd.

Ze is zelfs van toepassing op de gehele internationale gemeenschap vermits ze enkel de « wettelijke verplichtingen » van de lidstaten van de Verenigde Naties in herinnering brengt.

Over welke verplichtingen gaat het ? Het antwoord van het Internationaal Gerechtshof luidt :

« Alle Staten hebben de verplichting de illegale situatie niet te erkennen en geen hulp en bijstand te verlenen aan het behoud van de situatie die is ontstaan ten gevolge van de bouw van de muur; alle Staten die partij zijn bij de vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949 moeten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht het in deze conventie opgenomen humanitair recht door Israël doen respecteren » (advies, § 163, D).

Formeel is het advies zelf van het IGH niet dwingend, maar aangezien het Hof « recht spreekt » (advies van 8 juli 1996, Rechtmatigheid van het gebruik van kernwapens, IGH, Rec. 1996, p. 237, § 18) doet het niets anders dan de regel formuleren. Ze treedt op als « woordvoerder ».

Daarom wil ik weten wat België zal doen om te voldoen aan zijn verplichting om Israël te internationaal recht te doen naleven. Moet België zijn Europese partners niet wijzen op het dwingende karakter van de regels die het Internationaal Gerechtshof in herinnering heeft gebracht en die werden bevestigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, opdat Europa eindelijk eens sancties zou uitvaardigen tegen een Staat die steeds weer de meest elementaire internationale rechtsregels met voeten treedt ?

Hoeveel doden moeten er nog vallen opdat we, anders dan met loze woorden, een regering van koers doen veranderen, waarvan het beleid alle vormen van extremisme voedt, zowel aan Palestijnse als aan Israëlische kant ? Moeten we blijven toekijken terwijl zich dagdagelijks tragedies voltrekken en enkel onze onmacht betreuren om daar iets aan te veranderen ?

U weet dat Europa de voornaamste handelspartner van Israël is. Het is duidelijk dat het advies van het Hof een schorsing, zoniet een opzegging kan rechtvaardigen van het Euro-mediterrane Associatieverdrag dat op 20 november 1995 tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en Israël is gesloten. Temeer daar volgens de tekst zelf van het verdrag de naleving van de rechten van de mens en het respect voor de democratie het grondbeginsel van hun associatie vormt (preambule) en een essentieel onderdeel van het verdrag uitmaakt (artikel 2).

Als men het verdrag niet meteen wil schorsen of opzeggen, kan men minstens pogen de procedure op te starten van artikel 75 dat bepaalt dat elk geschil over de interpretatie of de toepassing van het verdrag aan de Associatieraad moet worden voorgelegd. In casu kan een formeel bezwaar worden ingediend tegen Israël in verband met de toepassing van de preambule en van artikel 2. Zowel de EG als een verdragsluitende lidstaat kan de zaak voor de Raad brengen. België is dus juridisch bij machte om die procedure op te starten, wat mij het minimum minimorum lijkt.

Mag ik hopen dat ons land in die zin zal handelen op de vooravond van de vergadering van de Associatieraad Europese Unie/Israël op 13 december 2004 te Brussel ? Onze partners zullen misschien weigeren ons te volgen, maar dan hebben we tenminste gepoogd iets concreets te ondernemen om zowel de toepassing van humanistische principes als de naleving van het internationaal humanitair recht te verzekeren, overeenkomstig artikel 1 van de vier Conventies van Genève van 1949 en het advies van het IGH van 9 juli 2004.