3-98

3-98

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 24 FEBRUARI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, de faillissementswet van 8 augustus 1997 en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, strekkende tot een rechtvaardiger fiscale behandeling van de schuldeisers in het kader van een gerechtelijk akkoord of faillissement (van de heer Jan Steverlynck, Stuk 3-882)

Algemene bespreking

M. Pierre Galand (PS), rapporteur. - Je tiens à attirer l'attention sur le fait que l'article 2 contient une petite erreur. Il faut remplacer le mot « créanciers » par le mot « créances ». Pour le surplus, je m'en réfère à mon rapport écrit, en remerciant les services de leur diligence.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het aantal faillissementen blijft onrustwekkend stijgen. In 2001 waren er 6954. Voor vorig jaar werden er al 8025 genoteerd. Bij een faillissement gaat er - terecht - veel aandacht naar de sociale gevolgen voor de gefailleerde en zijn gezin, de borgen en de werknemers. Over de verschoonbaarheid van de borgen mogen we trouwens nog initiatieven verwachten naar aanleiding van twee uitspraken van het Arbitragehof. Daarover wil ik het echter nu niet hebben, wel over de problemen die een faillissement voor de leveranciers meebrengt.

Vandaag zitten er in de wetgeving mechanismen die leveranciers van goederen en/of diensten in moeilijkheden brengen op het ogenblik dat hun klant failliet gaat. Leveranciers worden bij een faillissement van hun klant om te beginnen geconfronteerd met onbetaalde facturen. Daarnaast moeten ze aan de overheid de aan hun klanten aangerekende BTW betalen, maar die hebben ze van hun klant niet ontvangen en de kans is bijzonder klein dat ze die ooit krijgen. Het mechanisme dat erop neerkomt dat de ondernemer de overheid voor lange tijd financiert met BTW-gelden die hij moet terugkrijgen, zorgt voor heel wat menselijke drama's. Schuldeisers van failliete ondernemingen geraken op hun beurt in financiële moeilijkheden, wat tot een faillissement kan leiden.

Onderhavig wetsvoorstel wil het probleem oplossen door de terugbetaling van de BTW aan de leveranciers onmiddellijk bij het uitspreken van het faillissement te regelen. Vanaf dat ogenblik staat het immers nagenoeg altijd vast dat de schuldeisers nooit een betaling van de openstaande facturen zullen ontvangen.

Met de huidige BTW-wetgeving duurt het lang alvorens de door de leveranciers ten onrechte betaalde BTW door de overheid wordt teruggestort. De teruggave kan slechts wanneer het juridisch honderd procent zeker is dat de leverancier nooit door de klant kan worden betaald. Die juridische zekerheid wordt pas geboden bij de vereffening van het faillissement. Omdat er vaak jaren verstrijken tussen het uitspreken en het vereffenen van het faillissement, duurt het ook jaren alvorens de leveranciers de aan de schatkist betaalde BTW kunnen recupereren. Op die manier kan de overheid werken met ten onrechte geïnde gelden en kunnen de schuldeisers zelf in betalingsmoeilijkheden komen. Dit wordt terecht als een onrechtvaardigheid aangevoeld.

De BTW-administratie heeft evenwel een procedure ontwikkeld waardoor de leverancier al voor de vereffening van het faillissement de BTW op zijn niet betaalde facturen kan terugkrijgen. Daarvoor moet de curator in een attest verklaren dat de schuldvordering niet zal worden betaald. We stellen echter vast dat de BTW-administratie slechts tot terugbetaling overgaat, indien ze over een voldoende geïndividualiseerd attest van de curator beschikt. Een algemeen attest ten behoeve van alle of een bepaalde categorie schuldeisers volstaat niet. Een geïndividualiseerd attest betekent echter een zware administratieve last en een zeker risico voor de curator.

In de praktijk levert de curator die attesten dan ook bijna nooit of slechts zeer laattijdig af. Een mooi voorbeeld is het faillissement van Sabena. Het werd uitgesproken in 2001 en kostte aan 586 leveranciers ongeveer 19 miljoen euro. Ze kregen van de curator Christian Van Buggenhout pas in februari van dit jaar een attest waarmee ze 3 tot 4 miljoen euro BTW kunnen terugvorderen. De overheid heeft met andere woorden verschillende jaren over miljoenen euro's kunnen beschikken, waarop ze geen enkel recht had en die de leveranciers zelf goed hadden kunnen gebruiken.

Onderhavig wetsvoorstel biedt een meer rechtvaardige fiscale behandeling door ervoor te zorgen dat de BTW onmiddellijk wordt terugbetaald bij het uitspreken van het faillissement. Vanaf dat ogenblik kunnen we er immers van uitgaan dat de factuur nooit meer betaald zal worden. Het is dan ook niet meer dan normaal dat de BTW op dat ogenblik wordt terugbetaald. Er wordt dus uitgegaan van een automatisme: de vordering wordt als verloren beschouwd vanaf het uitspreken van het faillissement. Het wetsvoorstel bepaalt ook dat alleen indien een leverancier uitzonderlijk toch nog een betaling ontvangt, de curator een attest moet uitreiken waarmee de BTW-administratie formeel op de hoogte wordt gebracht dat de BTW door de leverancier moet worden doorgestort.

Met het wetsvoorstel wordt de leverancier niet alleen door de overheid rechtvaardiger behandeld, maar het sluit ook naadloos aan bij de economische realiteit. Het voorstel voorziet ook in een gelijkaardige regeling bij een gerechtelijk akkoord. Nu kan de BTW bij een gerechtelijk akkoord, waarbij een deel van de schuldkwijtschelding werd opgenomen, slechts gerecupereerd worden nadat het gerechtelijk akkoord ofwel integraal werd uitgevoerd na goedkeuring van definitieve opschorting door een rechtbank, ofwel door een individueel attest van de curator van het faillissement, volgend op het gerechtelijk akkoord.

Het wetsvoorstel voorziet in de onmiddellijke recuperatie van de BTW op de datum van de definitieve opschorting van de schuldverminderingen die in het herstelplan zijn opgenomen. Daarnaast kan de leverancier gedurende de zogenaamde periode waarop de definitieve opschorting van kracht is, ook een fiscale voorziening aanleggen. Precies omdat het gerechtelijk akkoord vaak de voorbode is van een faillissement, is het aangewezen dat de wetgever ook hier de economische realiteit volgt.

Dit wetsvoorstel werd reeds in de vorige legislatuur ingediend en besproken, maar toen was er niet genoeg tijd om het definitief af te werken. De afgelopen weken en maanden werd het voorstel verfijnd in samenwerking met de diensten van de BTW en de directe belastingen. Met de goedkeuring van het wetsvoorstel zullen vele bedrijven die het slachtoffer zijn van een faillissement geen onrechtvaardige behandeling van de overheid meer ondervinden en meer kansen hebben om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van een faillissement. Dat kan het economische leven alleen maar ten goed komen.

De voorzitter. - Senatoren die wetsvoorstellen indienen strekken de Senaat tot eer.

(Algemeen applaus)