3-1046/1 | 3-1046/1 |
18 FEBRUARI 2005
De maximumfactuur werd ingevoerd vanuit de bekommernis de gezondheidszorg betaalbaar te houden voor mensen met een laag inkomen en voor mensen met zware gezondheidsuitgaven, rekening houdend met de hoogte van hun inkomen.
Begin dit jaar stelde de Landsbond der christelijke mutualiteiten overlappingen vast. De maximumfactuur zou leiden tot 12,8 miljoen euro dubbele terugbetalingen. Het feit dat patiënten die privé een aanvullende ziektekostenverzekering afsloten — bij een verzekeringsmaatschappij of bij een mutualiteit — tevens in aanmerking komen voor de maximumfactuur en aldus een dubbele terugbetaling van dezelfde kosten oogsten is een niet beoogd neveneffect.
De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Rudy Demotte erkende dit probleem in zijn antwoord op mijn vraag om uitleg nr. 3-158 van 11 maart 2004 (Handelingen 3-46).
Dit betekent dat dergelijke patiënten uiteindelijk winst doen op de uitgevoerde prestaties. Dat is uiteraard niet de bedoeling van de maximumfactuur. Het voortbestaan van een dergelijke situatie kan ook aanzetten tot onnodige consumptie van gezondheidszorg. En dat is nu net waartegen de overheid de afgelopen jaren met wisselend succes gestreden heeft.
De minister stelde dat hij, om dubbele uitbetaling van enerzijds de maximumfactuur en anderzijds van het algemeen of openbaar stelsel te vermijden, in uitvoering van artikel 3 van de wet van 5 juni 2002 betreffende de maximumfactuur in de verzekering voor geneeskundige verzorging, de nodige maatregelen zou nemen, zodat het ziekenfonds op vraag van het OCMW kan meedelen of er terugbetaling is op grond van de maximumfactuur.
Ook voor het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers, de politie en andere openbare instellingen, zou, op basis van artikel 136, § 2, van de wet betreffende de maximumfactuur, informatieoverdracht kunnen worden geregeld.
Probleem blijft vooral het dubbel gebruik van de maximumfactuur met aanvullende verzekeringen.
Bij de invoering van de fiscale en sociale franchise in 1994 heeft men vastgesteld dat het om praktische redenen niet mogelijk was een systeem uit te werken waarbij verzekeringsmaatschappijen aan de mutualiteiten of de fiscus de bedragen doorgeven van remgelden die ze hebben terugbetaald.
Gelet op het feit dat steeds meer mensen zich aanvullend verzekeren voor gezondheidszorg, is het belangrijk dat wettelijk wordt ingegrepen.
Met aanvullende verzekeringen wordt bedoeld de aanvullende verzekeringen die ressorteren onder de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en de aanvullende verzekeringen die worden aangeboden door een dienst bedoeld in artikel 3, b), van de wet op 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden der ziekenfondsen.
Indien de patiënt geniet van de maximumfactuur en daar bovenop nog eens aanvullend verzekerd is tegen ziektekosten, kan het gebeuren dat hij zijn remgeld dubbel terugbetaald krijgt.
Gezinnen waarbij tenminste één van de rechthebbenden geniet van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming of van een ander sociaal statuut en gezinnen met een bescheiden inkomen en kinderen jonger dan 19 jaar, genieten van de zogenaamde « sociale maximumfactuur ». De terugbetaling van het persoonlijk aandeel, zoals gedefinieerd door de wet van 5 juni 2002 betreffende de maximumfactuur, gebeurt door de verzekeringsinstellingen.
Het bleek tot nu toe moeilijk haalbaar de verzekeringsmaatschappijen te verplichten gegevens over alle uitbetalingen aan de mutualiteiten over te maken.
Iets anders is het wanneer de fiscus het gedeelte van het persoonlijk aandeel dat boven de drempel valt, terugbetaalt of in mindering brengt van de belastingen.
Wat dit betreft strekt het voorstel ertoe aan de belastingplichtige de verplichting op te leggen mee te delen welke vergoedingen hij in het kader van aanvullende ziekteverzekeringen, die het persoonlijk aandeel dekken dat in de maximumfactuur is opgenomen, heeft gekregen. Op die manier kan dubbele betaling vermeden worden.
Uiteraard betekent dit dat de belastingplichtige moet weten welke vergoeding overeenkomt met het deel van de betaalde persoonlijke aandelen. Daartoe zullen de mutualiteiten, de verzekeringsmaatschappijen en de verzorgingsinstellingen op hun afrekening moeten vermelden welk het persoonlijk aandeel van de patiënt is.
Het remgeld, terugbetaald door de verzekeraar, dient daarom in dit geval niet langer gezien te worden als een terugbetaling van de eerder gemaakte ziektekosten — dit wordt immers geregeld via de maximumfactuur. Het is dan ook niet meer dan logisch dat deze terugbetaling via de aanvullende verzekering afgetrokken dient te worden van het totaal persoonlijk aandeel dat als overschot van voorheffing teruggestort zal worden.
Dit wetsvoorstel voorziet in de aangifteplicht van remgelden, terugbetaald door de verzekeraar, indien de belastingplichtige in aanmerking komt voor de maximumfactuur. Deze inkomsten moeten door de belastingplichtige voortaan verplicht aangegeven worden. De verzekeringsinstellingen zijn dan ook verplicht om bij melding van de uitgekeerde bedragen afzonderlijk het totaal van de remgelden bekend te maken aan de verzekerde.
Bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, valt de belastingplichtige onder de strafbepalingen van artikel 444 en volgende van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Artikel 2
Artikel 37quindecies van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen omschrijft de nadere regels voor de terugbetaling van het persoonlijk aandeel wanneer men in aanmerking komt voor de maximumfactuur. Alle remgeld boven het referentiebedrag wordt in mindering gebracht van de verschuldigde inkomstenbelastingen. Artikel 2 van dit wetsvoorstel bepaalt dat dit niet langer het geval is voor de bedragen die werden ontvangen in het kader van een aanvullende verzekering voor gezondheidszorg. Deze worden afgetrokken van het persoonlijk aandeel van de maximumfactuur.
Artikel 3
Dit artikel voegt in titel II, hoofdstuk III, afdeling II, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, een onderafdeling III in, die de artikelen 174bis en 174ter omvat.
Artikel 174bis regelt de aangifte voor de inkomstenbelastingen. De belastingplichtige zal eerst op zijn aangifteformulier moeten invullen of hij in aanmerking kwam voor de maximumfactuur. Indien dit het geval is, dient hij het bedrag mee te delen dat hij in het belastbaar jaar aan uitkeringen heeft gekregen in het kader van een aanvullende verzekering voor gezondheidszorg, dat betrekking hebben op het persoonlijk aandeel, zijnde het remgeld.
Artikel 174ter regelt de fiscale afhandeling van het persoonlijk aandeel van de uitkering.
| Annemie VAN DE CASTEELE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 37quindecies van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 5 juni 2002, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Het gedeelte van het persoonlijk aandeel dat overeenkomstig het eerste lid wordt gestort of in mindering gebracht, wordt verminderd met het bedrag van de vergoedingen uitbetaald in het kader van een aanvullende verzekering voor gezondheidszorg een sportongevallenverzekering of andere, door de Koning te bepalen verzekeringen voor het persoonlijk aandeel, dat aan het fiscaal gezin toegekend is. »
Art. 3
In titel II, hoofdstuk III, afdeling II, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling III ingevoegd, luidende :
« Onderafdeling III. — Persoonlijk aandeel terugbetaald in het kader van een aanvullende verzekeringsovereenkomst voor gezondheidszorg.
Art. 174bis. — De belastingplichtige die, overeenkomstig titel III, hoofdstuk IIIbis, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, in aanmerking komt voor de maximumfactuur, vermeldt op zijn belastingsaangifte het bedrag van de vergoedingen die betrekking hebben op het persoonlijk aandeel dat hem uitbetaald werd in het kader van een aanvullende verzekeringsovereenkomst zoals bepaald in artikel 37quindecies van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en die valt onder de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of die wordt aangeboden door een dienst bedoeld in artikel 3, b), van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden der ziekenfondsen.
De Koning bepaalt de wijze waarop de verzekeringsinstellingen het totale bedrag van het persoonlijk aandeel dat aan de belastingplichtige werd toegekend, aan de belastingplichtige meedelen.
Art. 174ter. — Het deel van de vergoedingen, bedoeld in artikel 174bis, en voor zover het hoger is dan het referentiebedrag zoals vermeld in artikel 37quindecies van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt in mindering gebracht van het gedeelte van het persoonlijk aandeel van een jaar, conform artikel 37quindecies van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. »
Art. 4
Deze wet treedt in werking op de eerste dag van het jaar volgend op dat waarin ze in het Belgisch Staatsblad is verschenen.
| Annemie VAN DE CASTEELE. |