3-88 | 3-88 |
De voorzitter. - De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - De agenda van de Europese Raad van 16 en 17 december 2004 vermeldt niet alleen de toetredingsonderhandelingen met Turkije, maar ook de discussie over de financiële vooruitzichten van de Europese Unie over de periode 2007-2013. Die discussie zal wel niet uitmonden in besluitvorming, maar het is een belangrijk onderwerp omdat het te maken heeft met de ambitie van Europa om de uitdagingen op dat gebied aan te gaan.
Om die doelstellingen waar te maken, stelde de Europese Commissie voor om 1,26% van het bruto nationaal inkomen van de EU te besteden aan de financiering van het EU-beleid, maar een zestal landen is van oordeel dat 1% voldoende is. In het Overlegcomité van 9 december 2004 met de gemeenschappen en gewesten werd beslist dat 1,15% een redelijke oplossing is.
Op het eerste gezicht gaat het natuurlijk maar om een verschil in cijfers na de komma, maar daarachter schuilt nog een andere discussie. Hoe kan de eerste rubriek, de duurzame groei in het licht van de Lissabon-doelstellingen, nog worden ingevuld? We weten immers dat de landbouwuitgaven - rubriek twee - en de administratieve kosten of uitgaven reeds vastliggen.
In de notulen van het Overlegcomité lezen we dat voor België zowel de uitgavencategorieën `concurrentiekracht voor groei en tewerkstelling' en `cohesie voor groei en tewerkstelling' bijzonder belangrijk zijn. Dat is zeer mooi uitgedrukt, maar de werkelijk is anders. De Waalse en Vlaamse regering zijn het hierover namelijk helemaal niet eens. Wallonië eist dat het bedrag voor de sociaal-economische cohesie, waar Vlaanderen nauwelijks baat bij heeft, wordt gebetonneerd op een hoger niveau dan het door de EU-Commissie voorgestelde bedrag. Indien deze eis wordt aanvaard, zullen de middelen voor de Lissabon-doelstellingen worden beperkt.
Op een vraag hierover gisteren in het Vlaams parlement, antwoordde minister-president Leterme mij dat hij het eens was met mijn analyse en dat elke beknotting op het uitgavenschema van de Commissie gepaard moet gaan met een proportionele besparing op alle posten. Ik wijs de Senaat erop dat het gaat om een vermindering van 12 tot 14 miljard Belgische frank. De eerste minister verklaarde in dat verband in het Federaal Adviescomité dat alles afhangt van de manier waarop men het bekijkt want ten opzichte van de huidige vastleggingskredieten is er een verhoging. Hij vergeet daarbij te vermelden dat er nu 25 landen zijn in plaats van 15.
Deelt de federale regering de mening van de Vlaamse regering dat de beslissing de realisatie van de doelstellingen van Lissabon op de helling zet? Het gaat hier niet uitsluitend om principes, maar om heel veel geld.
De voorzitter. - Mijnheer Van den Brande, ik herinner u eraan dat de spreektijd voor het stellen van een mondelinge vraag drie minuten bedraagt.
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De eerste minister verwijst in zijn antwoord in de eerste plaats naar de uitleg die hij heeft gegeven op het Adviescomité voor Europese Zaken. Zoals gezegd is op het Overlegcomité van vrijdag 9 december de gemeenschappelijke positie ingenomen om ongeveer 1,15% van het bruto nationaal product van de EU te besteden aan de financiering van het beleid. De uitgavencategorieën 1a - Lissabon-doelstellingen - en 1b - cohesie - zijn voor België van bijzonder belang. Concurrentiekracht door groei en tewerkstelling en cohesie zijn prioriteiten voor ons land.
De eerste minister bevestigt dat er geen sprake is van enige betonnering in het standpunt van de federale regering. Het standpunt van het Overlegcomité van 9 december is trouwens door alle betrokkenen, dus ook door de Vlaamse regering, unaniem goedgekeurd.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Het antwoord voldoet niet echt. Er is een akkoord over het cijfer van 1,15%. Daar kunnen we achter staan. De kernvraag is echter of er overeenstemming bestaat tussen de federale regering en de verschillende deelstaatregeringen over de invulling van de verschillende rubrieken. Deelt de federale regering het standpunt van de Vlaamse regering inzake de rubrieken 1a en 1b van de vijf prioritaire begrotingslijnen?
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het antwoord is duidelijk. Ik heb het standpunt van de regering toegelicht. De Vlaamse regering, meer bepaald minister-president Leterme, gaat uit van een bedrag van 1,27% om een eventuele lineaire besparing op alle uitgaven te verdedigen, maar die 1,27 bestaat niet. Dat is een voorstel van de commissie en geen vast uitgangspunt. De heer Van den Brande heeft nu kritiek op de eerste minister die zegt dat we moeten uitgaan van het huidige uitgavenplatform en daarop verder bouwen. Het standpunt van de eerste minister is nochtans logischer, want het uitgavenplatform staat vast. De heer Van den Brande doet het omgekeerde.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Ik zal daar de komende weken op terugkomen. In elk geval kan het niet dat Vlaanderen de dupe wordt van de Europese begrotingspolitiek. Het kan niet dat er naast de solidariteit op het vlak van inkomstenbelastingen en sociale zekerheid er door de Unie nog een bijkomend solidariteitsmechanisme wordt ingevoerd. Als de federale regering die richting uit gaat, zal ze frontaal in botsing komen met het standpunt van de Vlaamse regering en de meerderheidspartijen die haar steunen.
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik twijfel er niet aan dat we nog de kans zullen hebben daarover te debatteren.