3-936/1

3-936/1

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

26 NOVEMBER 2004


Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 6, § 1, lX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, met het oog op de regionalisering van de reglementering inzake tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers

(Ingediend door mevrouw Annemie Van de Casteele en de heer Stefaan Noreilde)


TOELICHTING


Een recent onderzoek toont aan dat het overgrote deel van de uitzendkrachten die werkloos waren vóór hun laatste uitzendopdracht, slechts gedurende een korte periode in die situatie verkeerde : 46 % was immers minder dan drie maanden werkloos en 70 % minder dan een jaar. Uitzendarbeid is misschien niet dé oplossing voor het werkloosheidsprobleem, maar het kan wel « een » oplossing zijn voor de individuele problemen van werklozen die een job zoeken. Uitzendarbeid is eveneens gekend als springplank naar vast werk. Veertig procent van de uitzendkrachten die werkloos waren vóór hun uitzendopdracht, vond vast werk na afloop van zijn opdracht.

Een vijfde van de uitzendkrachten is laaggeschoold. Dat wil zeggen dat ze ten hoogste een diploma van de lagere school of van het lager middelbaar onderwijs behaald hebben. Zes procent van de uitzendkrachten die vóór de instroom in uitzendarbeid werkloos waren, is langdurig werkloos (twee tot vijf jaar) en nog eens zes procent is meer dan vijf jaar werkloos. Die cijfers wijzen op het belang dat uitzendarbeid voor heel wat kwetsbare werkzoekenden kan hebben als springplank naar de arbeidsmarkt. De uitzendsector heeft zich sedert een aantal jaren geëngageerd in individuele en collectieve projecten die als doel hebben de integratie van risicogroepen op de arbeidsmarkt te bevorderen.

Zowel op nationaal als op regionaal vlak tonen de cijfers aan dat personen van buitenlandse origine via uitzendarbeid in verhouding sneller toegang hebben tot de arbeidsmarkt. In Brussel bedraagt het aantal niet-Belgische uitzendkrachten zelfs dertig procent. Opmerkelijk is ook dat het aandeel van uitzendkrachten met een niet-EU nationaliteit (Maghreb-landen, Turkije, Oostbloklanden) dubbel zo groot is dan in de volledige loontrekkende bevolking in België. Het valoriseren van uitzendkrachten van buitenlandse origine door de uitzendconsulenten bij de gebruikers bevordert de aanwerving van die werknemers. De selectie geschiedt dan ook op basis van objectieve criteria (vaardigheden en bekwaamheden van de werknemers om hun opdracht bij de gebruiker te vervullen).

Bijna de helft van de uitzendkrachten (46,3 %) is jonger dan 26 jaar. Bijna een vijfde van de uitzendkrachten (19 %) is schoolverlater en beschikt over weinig of geen professionele ervaring. Meer dan de helft onder hen vindt vast werk na het beëindigen van de uitzendopdracht. Uitzendarbeid is een doeltreffend integratiemiddel voor jongeren die hun studies pas beëindigd hebben. Door zich in een uitzendagentschap in te schrijven, kan de (toekomstige) jonge werknemer gebruik maken van de rol als tussenpersoon die de uitzendconsulenten spelen. Zij nemen het op zich om het profiel van de jonge werknemers bij de bedrijven te valoriseren. Dat vergemakkelijkt over het algemeen hun eerste stappen in de arbeidswereld.

Steeds meer jongeren komen vóór het einde van hun studies in contact met de arbeidsmarkt : ofwel via vakantiejobs, ofwel omdat ze werken in de loop van het jaar. De uitzendsector neemt een steeds groter aandeel van de studentenmarkt voor zijn rekening. In 2002 werden tijdens de zomermaanden 117 329 studenten via uitzendarbeid tewerkgesteld — een stijging met 10,5 % van het aantal gepresteerde uren ten opzichte van 2001. Steeds meer bedrijven besteden het beheer van hun studentenpersoneel, dat van nature tijdelijk personeel is, uit aan uitzendbedrijven. De uitzendkrachten-studenten doen er hun voordeel mee : centralisatie van werkaanbiedingen, correcte contracten, regelmatige betalingen, ...

Uit het voorgaande blijkt dat uitzendarbeid voor allerhande groepen een belangrijk instrument op de arbeidsmarkt kan vormen. Evenwel maakt dat instrument vandaag nog niet volwaardig deel uit van onze arbeidsmarkt. Om daar verandering in te brengen, moet eerst een aantal moeilijkheden worden opgelost : aanpassingen van de wet, uitbreiding van het toepassingsgebied, inschakeling van uitzendarbeid in bestaande maatregelen of toepassingen sui generis. Een van de belangrijkste oorzaken van die moeilijkheden is een verschillende visie op de rol van uitzendarbeid in de verschillende regio's van dit land.

De hervorming van de wet van 24 juli 1987 op de uitzendarbeid, die gestoeld is op een arbeidsmarktconcept van 1976, moet dringend worden aangepast aan de moderne arbeidsmarkt, onder meer wat de volgende elementen betreft : het valoriseren van uitzendarbeid als essentieel arbeidsmarktinstrument, de ontplooiing van uitzendarbeid als belangrijk flexibiliteitsinstrument; het waarborgen van een adequate bescherming van de uitzendkracht; een aangepaste betrokkenheid van de vakbonden. Belangrijk in dat verband is een streven naar een opheffing van sectorale verboden en de afschaffing van het systeem van motieven. Enkel indien daar grondige redenen voor zouden zijn, kan in een uitzondering worden voorzien, bij voorkeur via sociaal overleg.

Een van de belangrijke sectoren waar uitzendarbeid vandaag nog grotendeels verboden is, is de overheidssector. Overheidsdiensten mogen uitzendkrachten inzetten om contractueel personeel te vervangen, maar niet om statutair personeel te vervangen. De wettelijke basis die in een versoepeling van het stelsel voorziet, bestaat nochtans al meer dan tien jaar. Politieke onwil van bevoegde ministers die er een andere visie op nahouden, houdt echter de publicatie in het Belgisch Staatsblad tegen van een koninklijk besluit dat uitvoering geeft aan artikel 75 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen « teneinde het inzetten van uitzendkrachten in de openbare sector mogelijk te maken ter vervanging van statutair personeel, alsook uitzendkrachten in te zetten bij buitengewone vermeerdering van werk of op diensten die geconfronteerd worden met een achterstand van werk ».

Ook de toelating van de uitzendsector tot de buurtdiensten, meer bepaald de deelname aan het systeem van dienstencheques, is niet zonder slag of stoot verworven. In Vlaanderen, dat vóór de federalisering van die aangelegenheid bevoegd was voor de erkenning van ondernemingen die in het systeem konden stappen, werd de deur voor de uitzendsector vrij vlot geopend. In Brussel en Wallonië bleef de deur onder vakbondsdruk dicht. Bij de federalisering van het stelsel van dienstencheques was de rol van de uitzendsector een van de grote moeilijkheden, die gelukkig uiteindelijk in het voordeel van de uitzendsector werd beslecht.

Nochtans zijn uitzendbureaus per definitie gespecialiseerd in het ter beschikking stellen van personeel voor kortlopende opdrachten. Vandaar dat de weigerachtige houding in de andere regio's tegen een actieve rol van de uitzendsector des te meer verbaast, althans wanneer jobcreatie en vraag- en aanbodvereisten als voornaamste criteria in acht worden genomen.

De uitzendsector zoekt naar een evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid. Daarom is de sector vragende partij om in de wetgeving in de mogelijkheid te voorzien om uitzendkrachten niet alleen met de huidige contracten van bepaalde duur, maar ook met arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur in te zetten. Het « klassieke » systeem van uitzendarbeid blijft daarnaast gewoon voortbestaan. Eigenlijk gaat het om een vorm van detachering van uitzendkrachten die via een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur worden aangeworven door het uitzendkantoor, met als gevolg dat ze tussen twee opdrachten door in dienst van het uitzendkantoor blijven. Een mooi compromis dat er voor zorgt dat uitzendkrachten niet de mogelijke nadelige effecten ondervinden van de vraag van het bedrijfsleven naar flexibiliteit omwille van productiviteitsvereisten.

Zowel bij de uitzendkrachten en de uitzendkantoren als bij de gebruikers (de ondernemingen) is er nood aan een dergelijk systeem. Het gaat immers uit van een sterkere « klantenbinding » van de uitzendkracht. Die laatste krijgt een bepaalde contract- en dus werkzekerheid aangeboden. Maar ook de uitzendkantoren kunnen zich verzekeren van een vaste « pool » van uitzendkrachten. Meteen kunnen ook de gebruikers er zeker van zijn dat zij via de uitzendkantoren over gekwalificeerd en gespecialiseerd personeel kunnen beschikken. Uitzendcontracten van onbepaalde duur zouden dus mede een oplossing kunnen bieden voor het opnemen van lagergeschoolde werknemers in het reguliere arbeidscircuit, voor de strijd tegen het zwartwerk, voor de vraag naar een grote flexibiliteit vanwege de ondernemingen en voor een binding van de uitzendkrachten met de uitzendkantoren. Maar ook op dat punt bestaat er een andere visie in de verschillende regio's van dit land.

Uitzendarbeid speelt een belangrijke rol als wervingsinstrument voor jonge werknemers. De intrede van uitzendarbeid in het Rosetta- of startbanenplan zou een dynamiek op gang kunnen brengen in het werkgelegenheidsbeleid afgestemd op de jongeren en meer in het bijzonder bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het plan. De uitzendsector heeft zelf een voorstel geformuleerd om te helpen bij het welslagen van Rosetta en wil de haalbaarheid van zijn voorstel bewijzen met een engagement voor de aanwerving van vijfduizend jongeren in startbanen. Ook hier blijft de federale deur voor de sector echter gesloten ...

Bovenstaande voorbeelden tonen het grote potentieel van uitzendarbeid aan voor de (her)inschakeling van werkzoekenden of nieuwelingen op de arbeidsmarkt. Evenwel is niet alleen het wettelijk kader aan een grondige inhoudelijke updating toe, ook de institutionele belemmeringen moeten worden opgeheven. Al te vaak is reeds gebleken dat de Vlaamse visie op uitzendarbeid veel meer kansen wil bieden aan de sector opdat die zou kunnen uitgroeien tot een volwaardige actor op de arbeidsmarkt. Op het federale vlak wordt die ambitie in de kiem gesmoord.

Dat visies in Vlaanderen en Wallonië verschillen is aanvaardbaar; dat een minder verregaande visie van de ene regio de andere verhindert om zijn visie te operationaliseren en daardoor een belangrijk arbeidskanaal te openen, is dat echter niet. Opdat iedere regio een beleid zou kunnen uitdokteren op maat van de behoeften van de eigen arbeidsmarkt, stellen we dan ook voor om de bevoegdheid voor de wetgeving op de uitzendarbeid, de tijdelijke arbeid en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten over te hevelen naar de gewesten.

Annemie VAN de CASTEELE.
Stefaan NOREILDE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, laatst gewijzigd bij de wet van 13 juli 2001, wordt aangevuld als volgt :

« 4° De tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het terbeschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. »

Art. 3

Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

29 oktober 2004.

Annemie VAN de CASTEELE.
Stefaan NOREILDE.