3-842/1

3-842/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

17 SEPTEMBER 2004


Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 107 van de gecoördineerde kinderbijslagwet voor werknemers

(Ingediend door mevrouw Annemie Van de Casteele)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt, met een aangepaste toelichting, de tekst over van een voorstel dat tijdens de vorige zittingsperiode reeds in de Kamer werd ingediend (stuk nr. 50-762/1).

Het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) is een budgettair fonds dat in 1971 bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers opgericht werd om de ontwikkeling van kinderdagverblijven te stimuleren. Het wordt beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst dat paritair is samengesteld.

Aanvankelijk werd het Fonds gefinancierd via een dotatie uit de reserves van de kinderbijslagen, maar de opdracht werd geleidelijk uitgebreid tot subsidiëring van verschillende diensten van gezinshulp en kinderopvang voor werknemersgezinnen die gerechtigd waren op kinderbijslag. Daardoor werd de financiering steeds problematischer. Bovendien werd de bevoegdheid inzake gezinsbeleid overgeheveld naar de gemeenschappen. Uiteindelijk werd beslist de federale financiering van deze « klassieke opdrachten » stop te zetten. Vanaf 1 januari 1998 staan de gemeenschappen in voor de subsidiëring van kinderopvang en gezinshulp.

Ondertussen echter werden door het interprofessioneel akkoord van 1993 nieuwe opdrachten aan het Fonds toegewezen, nl. subsidiëring van buitenschoolse opvang (voor kinderen van 2,5 tot 12 jaar), van opvang van zieke kinderen (van 0 tot 12 jaar), van flexibele opvang buiten de normale werkuren (voor kinderen van 0 tot 12 jaar) en van urgentieopvang van kinderen (van 0 tot 3 jaar). Vanaf 1994 betalen de werkgevers een bijdrage van 0,05 % van de loonmassa voor de financiering ervan. Door de programmawet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen werd dit vanaf 1 januari 1999 een verplichte bijdrage. Bovendien werd de werking van het Fonds door de programmawet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen (artikel 23) ook uitgebreid naar opvang voor kinderen van niet-werknemers (aanpassing van artikel 107, § 1, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939). Daardoor kwam de tot dan gebruikte redenering op de helling te staan dat het gaat om een voordeel in natura voor gezinnen, gerechtigd op kinderbijslag in het kader van de sociale zekerheid.

Het advies van de Raad van State bij het desbetreffende artikel 23 van de sociale programmawet stelde dit duidelijk : « krachtens artikel 5, § 1, II, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn, wat de bijstand aan personen betreft, de gemeenschappen bevoegd voor het gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen ».

De financiering via het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten werd gekwalificeerd als « een met gezinsuitkering gelijk te stellen voordeel in natura, verstrekt aan op kinderbijslag rechtgevende werknemersgezinnen, en dus geacht deel uit te maken van het stelsel van de sociale zekerheid, waarvoor de federale overheid bevoegd is ».

De wijzigingen in artikel 107, ingevoerd door de bovenvermelde sociale programmawet, breidt de tussenkomst evenwel uit tot « de kinderen die recht geven op gewaarborgde kinderbijslag en de kinderen van politieke vluchtelingen en van grensarbeiders en tot andere categorieën waarvoor bijdragen worden betaald ».

« Het is zeer de vraag », besloot de Raad van State in zijn toenmalig advies, « of die uitbreiding nog kan worden gezien als een zaak van sociale zekerheid, waarvoor de federale overheid nog bevoegd kan worden geacht. » (stuk Kamer, nr. 1722-1, 97-98, blz. 164).

De toenmalige meerderheid heeft dit advies evenwel naast zich neergelegd.

De bevoegdheidsoverschrijding van de federale overheid zorgt op het terrein voor heel wat problemen. Zo stemmen de subsidiecriteria inzake onder meer loonlasten, werkingskosten en financiële bijdragen van de ouders niet overeen met de erkenningsvoorwaarden van de gemeenschappen. Toepassing van die criteria zorgt voor een onevenwichtige verdeling van de middelen, die sinds 1994 explosief zijn gestegen, tussen de gemeenschappen. Ondanks de geleidelijke correcties was de verdeling voor 1999 : 568 miljoen frank voor Nederlandstalige projecten (41,5 %) en 801 miljoen frank (58,5 %) voor Franstalige projecten.

Van 1999 tot 2002 evolueerde de verhouding tussen Nederlandstalige en Franstalige projecten (ramingen op basis van goedgekeurde projecten) als volgt : 46,71 % (N) - 53,29 % (F), 50,89 % (N) - 49,11 % (F), 52,05 % (N) - 47,95 % (F), 53,15 % (N) - 46,85 % (F), (antwoord van minister Vandenbroucke op een vraag van indienster van 6 november 2002, CRIV 50 COM 868, blz. 13).

Bovendien moeten ook telkens verscheidene administratieve verplichtingen worden vervuld bij de verschillende overheden wat het geheel ondoorzichtig en belastend maakt.

Twee latere adviezen van de Raad van State ondermijnen ook de rechtszekerheid voor de gesubsidieerde projecten. Ze stellen immers ondubbelzinnig : « het komt de federale overheid niet toe zich, via de financieringsregeling van het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten en de verdeling van de aan dat Fonds toegewezen geldmiddelen tussen Nederlandstalige en Franstalige projecten, te mengen in aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn, namelijk die met betrekking tot de kinderopvang en ­ ruimer ­ de bijstand aan gezinnen.

De vaststelling dat de te verdelen geldmiddelen afkomstig zijn van het stelsel van de sociale zekerheid, noch de institutionele verbondenheid van het Fonds met de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, kunnen aan deze conclusie afbreuk doen. » (advies bij het wetsvoorstel tot aanvulling van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, houdende een billijke verdeling van de middelen van het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten tussen de gemeenschappen (DOC 50 0409/002) en het advies over een ontwerp van ministerieel besluit « tot vaststelling van de organisatieregels van de overlegprocedure bepaald in het koninklijk besluit van 19 augustus 1997 tot vaststelling van de wijze waarop het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten de opbrengst van de ontvangen bijdragen toewijst aan de toekenning van subsidies voor projecten voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar en sommige projecten voor de opvang van kinderen van 0 tot 3 jaar »).

De vorige regering heeft in de artikelen 83 en 84 van de programmawet van 24 december 2002 het probleem opgelost door de FCUD-subsidies te individualiseren, waardoor niet langer de voorzieningen zelf, maar de aanwezigheid van een kind van een werknemer in een voorziening wordt gesubsidieerd.

Ook over die wijziging had de Raad van State een negatief advies gegeven : « De ontworpen wijzigingen volstaan niet om de bevoegdheidsrechtelijke bezwaren op te vangen. »

De Vlaamse regering had dan ook een beroep tegen de regeling ingesteld bij het Arbitragehof. Zij wenste dat het optreden van het FCUD wettelijk correct verliep, dat de middelen tussen de gemeenschappen op grond van objectieve parameters werden verdeeld en dat de gemeenschappen ten volle hun bevoegdheid met betrekking tot de kinderopvang konden waarmaken.

Het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 16 juni 2004 (arrest nr. 104/2004) het beroep verworpen en geoordeeld dat de tegemoetkoming kan worden beschouwd als een socialezekerheidsprestatie die tot de federale bevoegdheid behoort, op voorwaarde dat het Fonds : 1) gestijfd wordt met inkomsten uit socialezekerheidsbijdragen en ermee gelijkgestelde inkomsten, 2) dat de vermindering van de tegemoetkomingen betrekking heeft op de te verrichten uitgaven voor de rechtgevende kinderen en 3) dat het begrip « diensten » wordt opgevat in die zin dat aanvullende kinderbijslag wordt uitbetaald ten behoeve van de rechthebbenden op kinderbijslag voor weknemers, als tegemoetkoming in de opvangkosten voor kinderen die volgens de huidige wetgeving recht hebben op kinderbijslag en die onder de wettelijk vastgelegde omstandigheden worden toevertrouwd aan kinderopvangvoorzieningen waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn.

Volgens de indienster legt deze regeling een hypotheek op de werking van de diensten voor kinderopvang. Bovendien dreigt op die manier ook een aantal kinderen uit de boot te vallen, aangezien de regeling alleen geldt voor rechthebbenden op kinderbijslag voor werknemers.

Een efficiënt en coherent gezinsbeleid zal slechts mogelijk zijn indien alle bevoegdheden terzake aan de gemeenschappen worden overgedragen, inclusief die voor de gezinsbijslagen en indien de gemeenschappen beschikken over een eigen fiscaliteit.

In afwachting moet in elk geval een einde worden gemaakt aan de rechtsonzekerheid en moet het FCUD, dat de huidige bevoegdheden van de gemeenschappen doorkruist, worden afgeschaft, wat de bedoeling is van dit wetsvoorstel.

Om de financiering te behouden en op een correcte manier de inkomsten uit de werkgeversbijdragen over te hevelen naar de gemeenschappen wordt terzelfdertijd een voorstel van bijzondere wet ingediend tot invoeging van een artikel 47bis in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (stuk Senaat, nr. 3-843).

Via een nieuw artikel 47bis wordt de opbrengst van de 0,05 % werkgeversbijdragen toegewezen aan de gemeenschappen volgens een objectieve verdeelsleutel, met name het aantal kinderen jonger dan 12 jaar ingeschreven in de gemeenten behorend tot het Nederlandse en het Franse taalgebied. Voor Brussel wordt de in de financieringswet gehanteerde verdeelsleutel 20N/80F toegepast.

Aangezien de federaal vastgestelde bijdrage in de toekomst een inkomstenbron zal zijn voor de gemeenschappen, kan de bijdragevoet niet eenzijdig door de federale overheid worden aangepast, maar slechts na akkoord van de gemeenschappen.

Omdat de sociale partners het beheer over het Fonds zullen verliezen kunnen de gemeenschappen afzonderlijke akkoorden sluiten met de sociale partners over de besteding van de in het kader van dit voorstel overgehevelde middelen.

Om de lopende projecten niet in het gedrang te brengen wordt voorgesteld de door het Fonds aangegane verbintenissen ten laste te laten van de federale overheid.

Uiteraard kan deze regeling slechts in werking treden nadat de financieringswet is gewijzigd.

Annemie VAN de CASTEELE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 107 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt opgeheven.

Art. 3

De verbintenissen aangegaan door het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, blijven ten laste van de federale overheid.

Art. 4

Deze wet treedt in werking op dezelfde dag als de bijzondere wet van ... tot invoeging van een artikel 47bis in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.

22 april 2004.

Annemie VAN de CASTEELE.