3-67 | 3-67 |
Mme Clotilde Nyssens (CDH), rapporteuse. - Cette proposition de loi a fait l'objet d'une discussion longue et difficile en commission de la Justice.
M. Coveliers a déposé à nouveau une proposition de loi qu'il avait déjà déposée à la Chambre. Ce sujet a été longuement débattu tant au Sénat qu'à la Chambre sous la précédente législature.
L'objectif de cette proposition de loi était de revoir la loi de 1962, laquelle, selon l'auteur, avait été examinée et adoptée à la hâte pour des raisons de circonstances, les autorités publiques devant à l'époque exproprier des biens en vue de construire des autoroutes. Selon l'historique du dossier, en 1962 déjà, on avait décidé d'adopter rapidement cette loi tout en précisant que la procédure ferait l'objet d'une révision ultérieure.
Nous sommes en 2004 et l'auteur de la proposition de loi a rappelé avec obstination qu'il était urgent de revoir globalement cette matière.
Il proposait trois modifications à la loi de 1962 qui constituait une procédure d'exception. Constatant que certains expropriés, victimes d'une procédure d'urgence, se voyaient accorder une indemnité qui n'était pas tout à fait équitable parce que décidée à la hâte, l'auteur proposait de modifier la loi pour que :
1.l'indemnité fixée par le juge de paix soit toujours accordée à titre de minimum ;
2.les autorités expropriantes soient privées du droit de demander la révision ;
3.si le montant accordé en révision était supérieur au montant provisoire alloué par le juge de paix, l'expropriant doive payer un complément et, dans l'hypothèse inverse, aucun remboursement ne doive être effectué par l'exproprié.
Il se pose en effet un problème social : étant donné la longueur des procédures, l'exproprié doit parfois rembourser une somme au pouvoir public expropriant parce que les intérêts ont couru.
La discussion générale a été longue. On a principalement demandé l'avis du Conseil d'État sur la question de savoir si le fait que la proposition reconnaisse à l'exproprié le droit d'introduire une demande en révision, alors que l'autorité expropriante ne dispose pas d'un tel droit, ne constituait pas une discrimination. Le Conseil d'État a répondu par la négative, estimant que le texte était acceptable sur ce point.
La discussion a été difficile, de nombreux intervenants, estimant que les objectifs poursuivis par la proposition étaient louables, reconnurent les problèmes mais estimèrent que les moyens proposés par l'auteur de la proposition n'étaient pas convenables, cette proposition ayant un impact budgétaire énorme parce que l'État et d'autres pouvoirs régionaux et communaux risquaient de devoir rembourser des sommes fort importantes.
D'aucuns ont affirmé que le problème n'était pas la suppression du recours en révision pour la partie expropriante mais qu'il y avait lieu, dès le premier stade devant le juge de paix, de fixer une indemnité plus juste pour éviter que, des années plus tard, l'indemnité n'atteigne des sommes disproportionnées.
La discussion fut houleuse. En effet, si tout le monde reconnaissait bien la nécessité d'une modification, le texte déposé n'obtint cependant pas la majorité de l'avis des commissaires. Cette proposition de loi fut rejetée en commission par 7 voix contre 6 et une abstention.
La ministre de la Justice a suggéré la constitution, au sein du Sénat, d'un groupe de travail pour que soit menée une réforme globale de l'expropriation. Elle a estimé que les problèmes soulevés par M. Coveliers étaient réels mais qu'il ne fallait pas procéder de la sorte et que l'avis du ministère des Finances était plutôt négatif vu les répercussions budgétaires. Elle s'opposait à l'avis du Conseil d'État, estimant qu'il y avait discrimination et que l'on ne pouvait priver de la sorte les autorités expropriantes de la possibilité d'introduire une procédure en révision.
La discussion a été large. On a autant évoqué la loi de 1962 que de la loi générale sur l'expropriation. On s'est longuement étendu sur le mode d'évaluation de l'indemnité due au propriétaire du bien exproprié, constatant que l'évaluation effectuée, soit par le juge de paix au départ d'expertises et de contre-expertises, soit par les comités d'acquisition, soit par les instances en appel, se concluait par la constatation que les indemnités n'étaient pas souvent fixées de manière équivalente.
La discussion a porté sur l'évaluation, les indemnités et l'équilibre qui doit exister entre la partie expropriante et la partie expropriée. Mais la commission a conclu en demandant le rejet de cette proposition. La commission a néanmoins demandé au Sénat de constituer un groupe afin de revoir la matière de manière globale.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Mocht mevrouw Nyssens in de vergaderzaal zijn gebleven, dan had ze kunnen horen dat ik haar feliciteer voor de volledigheid van haar verslag en voor de manier waarop zij het hier vandaag heeft gebracht.
De houding van de `stemrecht'-meerderheid - want het waren opnieuw de socialisten en de hardleerse MR die de tekst hebben verworpen - is beneden alles. Zij zijn asociaal en houden geen rekening met de evolutie die een aantal ideeën hebben doorgemaakt. In de commissie ging het duidelijk om een tegenstelling tussen de partijen die de burger willen beschermen tegen de almacht van de overheid, namelijk de VLD, het Vlaams Blok en CD&V, en de partijen die vanuit een collectivistische visie alles afpakken wat de Staat zich wil toe-eigenen, naar aloude gewoonte de PS en de SP, en vreemd genoeg ook de MR. De pre-electorale koorts zal daaraan wellicht niet vreemd zijn geweest.
Wat is de stand van zaken? In dit land heerst de democratie. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Die tekst dateert uit 1835, nauwelijks enkele jaren nadat de Nederlanders België vanwege een slechte operette hadden verlaten.
Conform de Grondwet kon de overheid ingeval van onteigening pas bezit nemen van de betrokken gronden als de vergoedingen ook daadwerkelijk waren uitbetaald. Die vergoeding kon echter pas worden uitbetaald als er een definitief vonnis was geveld en dat wilde toen en dat wil nog steeds wel eens duren.
In 1962 had de minister van Openbare Werken de manie om overal snelwegen aan te leggen. Zo wilde de man ook koste wat het kost de E3 aanleggen om tegemoet te komen aan een Vlaamse eis. In alle Vlaamse betogingen uit die periode werden immers spandoeken voor de E3 en voor de Universiteit Antwerpen meegedragen. Om sneller te kunnen onteigenen en te voorkomen dat sommige eigenaars te hoge prijzen voor hun goederen zouden vragen, werd een procedure bij hoogdringendheid ingevoerd, met andere woorden een uitzonderingsprocedure.
In 1962 vroeg toenmalig minister Merlot de Kamer om het voorstel nog vóór de vakantie goed te keuren en hij beloofde een herziening na de vakantie. Het heeft echter veertig jaar geduurd voordat men bereid was er een nieuwe discussie aan te wijden en 41 jaar voor het werd afgeschoten.
In het voorlopige voorstel, dat opnieuw definitief is geworden, stond dat de vrederechter, die door de overheid benoemd wordt, het bedrag van de schadevergoeding kan bepalen, na eventueel een expert te hebben ingeschakeld. De overheid moet dat bedrag uitbetalen voordat ze bezit kan nemen van het goed van de burger.
Op basis van de rechtspraak is men dat beginnen combineren met de wet van 1835. De overheid kon immers concluderen dat de vrederechter een te hoog bedrag had bepaald en een nieuwe procedure in herziening starten. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg die procedure in herziening had afgehandeld, kon in beroep worden gegaan. Nadien kon men nog in cassatie gaan en bij verbreking zelfs opnieuw naar een ander hof van beroep stappen.
Dat creëerde bijzonder pijnlijke situaties. Ik geef een voorbeeld. De vrederechter bepaalt dat een goed vijf miljoen waard is. De rechtbank van eerste aanleg oordeelt vijf jaar later dat het bewuste goed slechts drie miljoen waard is en het hof van beroep beslist tien of vijftien jaar later om een bedrag tussenin te nemen, namelijk vier miljoen. De man, de vrouw, of de kinderen, die het eerste bedrag hadden ontvangen moesten dan één miljoen terugbetalen, vermeerderd met de rente vanaf de datum waarop ze het bedrag gekregen hadden. Zo hebben velen aan een onteigening veel geld verloren. Ik begrijp niet dat dit voorstel werd verworpen want er werden daardoor gezinnen verwoest, zelfs zelfmoorden gepleegd en het levenswerk van hele families vernietigd. Toch is dat voor de socialisten geen punt, want ze willen de huidige situatie behouden.
Alle mogelijke middeltjes werden geprobeerd om het voorstel te saboteren. De bespreking is talrijke keren uitgesteld. Gelukkig heeft de commissievoorzitter, de heer Hugo Vandenberghe, aangedrongen op een behandeling van het voorstel. Het advies van de Raad van State werd gevraagd, in de hoop dat de Raad zou besluiten dat het voorstel discriminerend was voor de overheid. De tegenstanders hebben echter pech want de Raad van State zegt in zijn advies zeer duidelijk dat het voorstel geen discriminerend karakter heeft, zelfs dat het een goed voorstel is.
Er werd ook voorgesteld om hoorzittingen te organiseren. Men vond het voorstel te radicaal. In de vorige regeerperiode werd de hele belastingadministratie ingeschakeld om te illustreren welke ramp de goedkeuring voor België zou betekenen. Er werden echter nooit cijfers getoond.
Ik zal de MR-fractie straks in mijn stemverklaring nog eens behoeden voor een geloof in nieuw geformuleerde beloften van de PS. Mijn voorstel is zeer eenvoudig. Het zegt dat de Grondwet voor alle democraten heilig moet zijn. In de Grondwet staat zeer duidelijk dat de overheid uw bezit slechts kan afnemen wanneer ze u daar "voorafgaand" en "billijk" voor vergoedt. Dat zijn belangrijke termen. De overheid voert nu een rooftocht uit, ze voert een uitzondering in en neemt het goed toch af. De Raad van State bevestigt mijn stelling dat de overheid, wanneer ze het goed onmiddellijk wil hebben, ook het daarbij behorende risico moet dragen.
Ik durf niet te veronderstellen dat er vrederechters zijn die niet in eer en geweten beslissen welke prijs de overheid moet betalen. De burger, die niet om onteigening heeft gevraagd, heeft evenwel het recht een procedure in eerste aanleg te starten om het bedrag aan te passen. Het voorstel heeft tot doel te verhinderen dat de overheid misbruik maakt van die procedure om het bedrag via tegeneis te verlagen.
De vereniging voor Agrarisch Recht beschouwde mijn voorstel als vanzelfsprekend en begreep niet waarom de goedkeuring ervan zolang op zich liet wachten. Ook de emeritus procureur-generaal bij het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk gezegd dat deze onrechtvaardige wetgeving moest worden aangepast. De commissie heeft het voorstel evenwel verworpen, hoewel ze daarvoor geen geldige argumenten had. Als de overheid niet bereid is een hoge prijs te betalen voor een onroerend goed, waarom zou ze dan een hoogdringende procedure aanspannen? In ons land zullen wellicht niet veel nieuwe snelwegen meer worden aangelegd en zijn er dus ook niet veel dringende onteigeningen meer nodig. We horen bovendien dagelijks van de minister van Justitie hoe snel het gerecht voortaan zal werken. We moeten vermijden dat België opnieuw door het Europees Hof wordt veroordeeld wegens discriminatie en wegens het verkrachten van de eigen Grondwet.
De Raad van State heeft heel wat opmerkingen geformuleerd. Om de leden van de commissie ter wille te zijn, heb ik bij elke opmerking een amendement geformuleerd waarin alle details uitdrukkelijk worden vermeld. Mijn inspanningen hebben evenwel niets opgeleverd. Mijn voorstel werd verworpen op basis van het collectivistische argument. Zonder enige berekening te hebben gemaakt, ging de commissie ervan uit dat de wetswijziging de overheid te veel zou kosten. Dat argument is onterecht. Een overheid die een goed beleid voert en op een correcte manier onteigent, zal van de maatregel geen nadeel ondervinden. Sommige overheden, die niet altijd correct regeren, zullen er echter wel onder lijden. De voorstanders van een dergelijke overheid, zijn uiteraard tegen dit voorstel.
Ik hoop dat de Senaat de vergissing die de commissie heeft begaan door niet naar de bevolking te luisteren, zal rechtzetten. Op 12 december 2003 heb ik bij de stemming over het stemrecht voor vreemdelingen die de Belgische nationaliteit weigeren, voorspeld dat we in juni een gitzwarte zondag zouden beleven. Toch bleken sommige mensen zich op 13 juni af te vragen waarom het Vlaams Blok 30% haalde in Kapellen, een gemeente waar geen enkele vreemdeling woont. Ik heb mijn waarschuwing op 13 juni - wellicht een beetje te vroeg - herhaald. We moeten stoppen met te zoeken naar een reden, want dat is vandaag opnieuw duidelijk geworden: er wordt geen rekening gehouden met wat bij de bevolking leeft. De mensen vinden het onrechtvaardig dat ze geruïneerd worden omdat een intercommunale hun eigendom bij hoogdringendheid onteigent terwijl de onteigening vaak pas jaren later wordt uitgevoerd. Die toestand is onaanvaardbaar. Een partij die dit toelaat, moet de hand in eigen boezem steken en haar democratisch karakter onderzoeken.
M. Philippe Mahoux (PS). - Je ne répondrai pas au caractère provocateur et réducteur du discours que je viens d'entendre, mais je voudrais dire les deux raisons pour lesquelles nous nous opposons à cette proposition.
La première est que la proposition ne prend pas en compte la nécessité d'un règlement en un temps de la problématique posée. En d'autres termes, tout ce qui est provisoire dans des procédures d'expropriation n'est pas sain. Il faut donc trouver un système qui permette un règlement en un temps, avec les perspectives normales qu'offre la justice, notamment l'appel.
J'ai entendu l'excellent rapport de Mme Nyssens et j'ai apprécié le brin d'humour sur la rapidité avec laquelle certains groupes de travail oeuvrent. Mais le ministre a annoncé que ce problème devait trouver une solution rapidement et je pense que ce qui sera proposé sera plus consensuel et plus attentif à l'intérêt général que la proposition actuelle.
C'est la deuxième raison pour laquelle nous nous opposerons à la proposition en discussion.
De plus, cette proposition ne tient pas compte des situations vécues par les communes.
M. René Thissen (CDH). - Espérons que cela ne se fera pas par une loi-programme !
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Als het allemaal zo snel gaat, waarom heeft men dan 42 jaar gewacht voordat men met die werkgroep wou starten?
-La discussion générale est close.
-Il sera procédé ultérieurement au vote sur les conclusions de la commission.
M. le président. - Nous poursuivrons nos travaux cet après-midi à 15 h 00.
(La séance est levée à 12 h 30.)