Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 3-15

ZITTING 2003-2004

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (Sociale Zaken)

Vraag nr. 3-643 van mevrouw Van de Casteele d.d. 3 februari 2004 (N.) :
Verpleegkundigen. ­ Thuisverpleging. ­ Bedienden. ­ Zelfstandigen.

In de thuisverpleging werken verpleegkundigen hetzij onder een zelfstandig, hetzij onder een bediendenstatuut.

Kan de geachte minister het volgende meedelen :

1. Hoeveel verpleegkundigen die erkend zijn door het RIZIV hebben een statuut van bediende ? Bij hoeveel diensten zijn zij aangesloten ?

2. Is er een evolutie in die cijfers de voorbije tien jaar ?

3. Hoeveel verpleegkundigen hebben een statuut van zelfstandige ? Hoeveel daarvan werken in een samenwerkingsverband, hoeveel in een groepspraktijk ?Hoeveel procent daarvan zijn zelfstandigen in bijberoep ?

4. Hoeveel procent van de RIZIV-prestaties van thuisverpleging worden betaald aan zelfstandige verpleegkundigen, hoeveel aan diensten ? Welke zijn de respectievelijke bedragen van de prestaties in 2002 en 2003 ?

5. Wat is de evolutie van de globale ZIV-uitgaven voor thuisverpleging de voorbije tien jaar ?

Antwoord : Naar aanleiding van de vraag van het geachte lid kan ik het volgende meedelen.

In de regelgeving inzake de thuisverpleging wordt geen onderscheid gemaakt of de verstrekking wordt verleend door zelfstandige verpleegkundigen of door bedienden en ook niet of deze personen al dan niet werken in de context van een dienst, een samenwerkingsverband of groepspraktijk.

Inzake de diensten thuisverpleging moet het koninklijk besluit van 16 april 2002 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning worden aangepast ten gevolge van een arrest van het Arbitragehof van 11 juni 2003; terwijl de wetgeving in verband met samenwerkingsverbanden en groepspraktijken nog niet is uitgevoerd. Dergelijke parameters worden dan ook niet ingezameld.

Uit de vragenlijsten die de diensten thuisverpleging moeten indienen om in aanmerking te komen voor een forfaitaire tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor de specifieke kosten van de diensten thuisverpleging kunnen evenwel partiële gegevens worden verkregen.

Hieruit blijkt dat in het eerste trimester van 2003 in de diensten thuisverpleging verstrekkingen werden verricht die overeenstemmen met een totaal aan honoraria dat gelijk is aan 64 230 000 euro. De totale geboekte uitgaan voor de sector thuisverpleging bedroeg in datzelfde trimester 162 540 000 euro. Een eventuele vergelijking van deze cijfers moet evenwel met het nodige voorbehoud gebeuren.

Ten eerste gaat het enkel over diensten die in aanmerking komen voor de bovenvermelde forfaitaire tegemoetkoming. Er zijn ongetwijfeld nog loontrekkenden die vestrekkingen in de thuisverpleging aanrekenen aan de verplichte ziekteverzekering maar niet in de vragenlijsten opgenomen zijn omdat de organisatie waarvoor ze werken niet voldoet aan alle voorwarden om een dergelijke forfaitaire tegemoetkoming te ontvangen. Het bedrag slaat dus niet op alle verpleegkundigen in de thuisverpleging met een bediendestatuut.

Ten tweede is er bovendien een verschil tussen de honoraria en de uitgaven voor de ziekteverzekering. Het bedrag dat effectief uitbetaald wordt, hangt af van de verleende verstrekking, het feit of de patiënt onder de voorkeurregeling valt en van het feit of de verstrekker toegetreden is tot de nationale overeenkomst. Dit betekent dat de bedragen moeilijk vergelijkbaar zijn.

Uit dezelfde vragenlijsten voor het eerste trimester 2003 blijkt dat er ongeveer 7 000 verpleegkundigen tewerkgesteld waren in die diensten. Niet al die verpleegkundigen werken voltijds in die diensten, waardoor het niet uitgesloten is dat sommige van hen ook nog zelfstandigen in bijberoep zijn.

Ook hier geldt de opmerking dat niet alle loontrekkende thuisverpleegkundigen in dit cijfer zijn opgenomen.

Volledigheidshalve deel ik u mee dat in 2002, 18 261 verpleegkundigen verstrekkingen in de thuisverpleging hebben geattesteerd. De evolutie van de globale ZIV-uitgaven voor thuisverpleging van de voorbije tien jaar wordt hieronder geschetst.

Uitgaven in 1 000 euros

1993 311 816

1994 336 480

1995 381 233

1996 418 563

1997 412 968

1998 472 075

1999 510 913

2000 548 140

2001 562 689

2002 606 989

(De bedragen vóór 1995 zijn exclusief de uitgaven van de « Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen ».)