3-675/1 | 3-675/1 |
10 MEI 2004
De Orde der apothekers, opgericht bij de wet van 19 mei 1949, werd grondig hervormd bij het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967.
De jongste 25 jaar stonden de ordes onder druk, vooral de Orde van geneesheren. Zowel vanuit het korps zelf als in de publieke opinie werd heel wat kritiek geuit en werd aangedrongen op een hervorming. Daarop werden verschillende wetsvoorstellen ingediend waarvan de meest vergaande de Orde willen afschaffen en vervangen door een Hoge Raad voor ethiek en deontologie van de gezondheid, en andere aanpassingen willen doorvoeren aan de structuren en procedures van de Orde.
Het wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen (stuk nr. 3-373/1 van 3 december 2003) heeft tot doel de Orde van geneesheren om te vormen tot een Orde van artsen waarbij een grotere democratisering en transparantie centraal staan. Parallel hiermee, strekt het voorliggende voorstel ertoe de Orde van apothekers te hervormen.
De indieners van dit voorstel zijn van oordeel dat een Orde van apothekers nog steeds een nuttige functie te vervullen heeft.
De nood aan specifieke, professionele normen ontstond vanuit het beroep zelf. Reeds lang voor het tot stand komen van professionele ordes kenden verschillende beroepen een erecode die regels van plichtenleer bevatten. De naleving ervan berustte op vrijwilligheid. Het ultieme doel van deze deontologische codes en regels is de bescherming van de patiënt in zijn recht op kwaliteitszorg. De farmaceutische plichtenleer is er ook steeds op gericht geweest de patiënten te beschermen tegen commerciële praktijken, misleidende reclame en oneerlijke concurrentie.
Door de oprichting van publiekrechtelijke organisaties, die de ordes zijn, heeft de wetgever een deel van zijn normerende bevoegdheden overgedragen. Hij deed dit omdat hij van oordeel was dat bepaalde vertrouwensberoepen aan strengere normen dan het gewone wettenarsenaal, toepasselijk op iedere burger, dienden te worden onderworpen.
Ook het Europees Parlement wijst in een resolutie over marktregelingen en mededingingsregels voor de vrije beroepen (aangenomen op 16 december 2003) op « het belang van de regels die in de specifieke context van elk beroep noodzakelijk zijn om de onpartijdigheid, de competentie, de integriteit en de verantwoordelijkheid van de leden van die beroepsgroep te waarborgen en op die manier de kwaliteit van hun dienstverlening ten behoeve van hun cliënten en de samenleving in het algemeen te verzekeren en het openbaar belang te waarborgen. »
« Het (Parlement) stelt concluderend vast dat in het algemeen in de specifieke context van iedere beroepsgroep regels noodzakelijk zijn, met name betreffende de organisatie, kwalificaties, beroepsethiek, supervisie, aansprakelijkheid, onpartijdigheid en bekwaamheid van de leden van een beroepsgroep, of ter voorkoming van belangenconflicten en misleidende publiciteit, mits zij :
de eindconsumenten de zekerheid geven dat hen de noodzakelijke waarborgen worden geboden voor wat betreft integriteit en ervaring, en
niet neerkomen op een beperking van de mededinging. »
Ook al zijn de problemen met de Orde der apothekers niet van dezelfde aard als die van de Orde van geneesheren, toch kunnen ook hier verbeteringen worden aangebracht en dienen de structuren aangepast aan de evoluerende maatschappij. Bovendien is een zeker parallellisme met de Orde van artsen, zoals dat tot nu toe bestaat met de Orde van geneesheren, aangewezen.
We willen er hier nog de nadruk op leggen dat de Orde niet kan beschouwd worden als een corporatie. De leden blijven immers onderworpen aan de rechtsmacht van hoven en rechtbanken zoals iedere andere burger. Het staat de benadeelde, bijvoorbeeld een patiënt, dan ook vrij om naast het neerleggen van een klacht bij de Orde zich eveneens te wenden tot de gewone rechter. Het behoort trouwens niet tot de bevoegdheid van de Orde om een schadevergoeding toe te kennen.
Rekening houdend met deze strikte scheiding tussen tuchtrecht en strafrecht, is het evenwel noodzakelijk dat nieuwe inzichten die groeiden op het vlak van de rechtspraak binnen het Europees Hof voor de rechten van de mens en het Hof van Cassatie, ook in het tuchtrecht worden ingeschreven. Het gaat hier zowel over de rechtszekerheid voor de vervolgde apotheker als voor de klager.
De krachtlijnen van de voorgestelde hervorming kunnen als volgt worden samengevat :
1º Aanpassing van de wettelijke grondslag waarop deontologische regels kunnen worden uitgevaardigd
Soms ging de opdracht van de Orde te ver : zo heeft zij tot op heden onder meer de taak te waken over het « de zedelijkheid, de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep » zelfs als de zaak betrekking heeft op fouten buiten de beroepsbezigheid. Op andere vlakken willen we de grondslag uitbreiden, omdat wij van oordeel zijn dat er ook moet op toegezien worden dat de kwaliteit van de farmaceutische zorgverlening in stand wordt gehouden, rekening houdend met de middelen die de samenleving daarvoor kan ter beschikking stellen. Dit alles veronderstelt vanwege de apothekers beroepsbekwaamheid, tact, integriteit en een verantwoordelijk gedrag in het kader van ons solidariteitsstelsel. De ethiek en deontologie van de apotheker moeten gericht zijn op het belang van de volksgezondheid en de bescherming van de zieke.
2º Een verjonging en democratisering van de instelling
Er komt een maximum op de totale carrièreduur die men kan doorlopen in de Orde (18 jaar) en een maximumleeftijd voor de verkiesbaarheid (65 jaar). Er wordt een onverenigbaarheid ingesteld tussen de uitoefening van een mandaat bij de Orde en andere functies die de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van het mandaat zouden kunnen schaden. Door de uitbreiding van de samenstelling van het hoogste orgaan van de Orde (de hoge raad) wordt de samenleving in ruimere zin betrokken bij de vraagstukken betreffende de farmaceutische deontologie. Daartoe worden een aantal niet-apothekers aangewezen, zonder evenwel de meerderheid van apothekers te doorbreken. Deze meerderheid lijkt ons verantwoord, omdat apothekers het best vertrouwd zijn met de verschillende aspecten die met de uitoefening van het beroep te maken hebben.
3º Een betere scheiding tussen de normatieve bevoegdheid van de hoge raad en de rechtsprekende functie van de andere organen
4º Een versterking van de rechten van de verdediging, een meer uniforme rechtspraak en een duidelijkere scheiding van onderzoek en beoordeling
De aangeklaagde apotheker kan zich niet alleen door een jurist laten bijstaan, maar ook door een collega.
De provinciale raad vervult vooral een verzoenende rol. Als er geen verzoening mogelijk is, kan hij op verslag van de onderzoekscommissie enkel lichte straffen uitspreken, met name een berisping of een waarschuwing.
Elk lid van de provinciale raad, de raad voor apothekers buiten de officina, de interprovinciale raad of de raad van beroep kan worden gewraakt (om de redenen die in het Gerechtelijk Wetboek zijn vermeld). In geen enkel geval zullen dezelfde personen mogen deelnemen aan het onderzoek en aan het vonnis. Alle beslissingen zullen met redenen moeten worden omkleed.
Er wordt een nieuw orgaan gecreëerd, de interprovinciale raad, die moet oordelen over alle zaken waar geen verzoening mogelijk blijkt of die klaarblijkelijk niet kunnen worden beslecht met een eenvoudige tuchtstraf, zoals een waarschuwing of een berisping. Met de oprichting van dit nieuwe orgaan op het niveau van de gemeenschappen hebben we een grotere rechtszekerheid en eenvormigheid van de tuchtrechtspraak voor ogen.
Voor de zwaarste tuchtsancties, de schrapping uit de lijst van de Orde, wordt een gekwalificeerde meerderheid ingevoerd.
5º Een grotere transparantie van de activiteiten van de Orde
De zittingen worden principieel openbaar. Er wordt een jaarverslag opgesteld waarin wordt aangegeven op welke manier op de verschillende niveaus aan de klachten gevolg wordt gegeven; daarnaast wordt een repertorium van de adviezen bijgehouden.
6º Een versterking van de positie van de verzoeker en meer aandacht voor de follow-up
Zo wordt de verplichting ingevoerd om de verzoeker op te roepen en te horen. Hij wordt op de hoogte gebracht van de beslissingen die in de verschillende raden omtrent zijn dossier werden genomen en hij krijgt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen.
7º Nieuwe procedures inzake tuchtmaatregelen
Er worden procedures ingesteld die kunnen leiden tot de uitwissing van lichtere straffen, de rehabilitatie na zwaardere straffen en de herziening van beslissingen.
8º Jaarlijkse bijdrage van de op de lijst van de Orde ingeschreven apothekers
De bijdrage dient om de werking van de instelling te financieren. Er wordt voor geopteerd om de bijdrage eenvormig te houden.
9º Eigenaars-niet-apothekers
Daar steeds meer apotheken eigendom zijn van niet-apothekers, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, moeten die ook door de Orde kunnen worden gevat. De apotheker-titularis moet immers onder alle omstandigheden onafhankelijk en zonder commerciële druk zijn beroep kunnen uitoefenen.
10º Apothekers buiten de officina
Steeds meer apothekers werken buiten de officina of de ziekenhuisapotheek. Het gaat bijvoorbeeld om apothekers-klinisch biologen, om industrie-apothekers of apothekers verantwoordelijk voor de publiciteit. Zij hebben een specifieke taak en opdracht binnen de gezondheidszorg die raakpunten hebben met de farmaceutische zorg. Het verdient aanbeveling voor hen in een aparte vertegenwoordiging te voorzien : een afzonderlijke raad voor apothekers buiten de officina met twee afdelingen, een Nederlandstalige en een Franstalige, waarbij de woonplaats bepaalt onder welke afdeling de apotheker ressorteert.
Al wie een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor het diploma van apotheker een noodzakelijke voorwaarde is, wordt op die manier ook verplicht zich in te schrijven in de Orde van apothekers. Die voorwaarde dient ook te worden opgenomen in de wetgeving die de beroepen regelt. De apothekers die in dienst van de overheid werken, zoals de apothekers van de farmaceutische inspectie, blijven evenwel van de verplichting vrijgesteld, vermits zij onderworpen zijn aan het tuchtrechtelijke statuut van de ambtenaren.
11º Parafarmacie
Sommige firma's misbruiken de apotheek om vertrouwen te wekken voor producten die niet voldoen aan criteria van kwaliteit en betrouwbaarheid, of sporen de apothekers aan tot distributie van producten die niet thuishoren in een apotheek. Daarom stellen de indieners voor dat de Orde erover zou waken dat niet-geneeskrachtige producten, voedingsartikelen, cosmetica en dergelijke slechts in de officina-apotheek mogen worden verkocht als zij aan welbepaalde criteria van doeltreffendheid, veiligheid en kwaliteit voldoen.
Om die criteria vast te leggen wordt een speciale commissie parafarmacie opgericht waarin naast leden van de hoge raad, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsverenigingen zetelen en vertegenwoordigers van de bevoegde administraties (DG Dier-plant-voeding en DG Geneesmiddelen). De commissie adviseert de hoge raad over de criteria waaraan niet-geneesmiddelen moeten voldoen om in de officina-apotheek te mogen worden verkocht. De hoge raad informeert de officina-apothekers over die criteria en publiceert elk advies dat hij over de toepassing ervan in concrete gevallen geeft.
12º Institutionele structuur van België
Tot slot houdt dit wetsvoorstel rekening met de bestaande institutionele ordening van België. Het biedt apothekers uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de keuze om zich ofwel in te schrijven bij de provinciale raad van Vlaams-Brabant ofwel bij die van Waals-Brabant. Daarenboven bestaat de hoge raad uit twee afdelingen : een Nederlandstalige en een Franstalige.
Dit hoofdstuk bepaalt wie deel uitmaakt van de Orde en omschrijft de verschillende geledingen met hun opdrachten.
Artikel 2 bepaalt de algemene doelstellingen van de Orde van apothekers. Er wordt onder meer de klemtoon gelegd op de bemiddelende opdracht van de Orde.
Artikel 3 stelt dat er naast de bestaande organen twee interprovinciale raden en een raad voor apothekers buiten de officina worden opgericht.
Artikel 4 bepaalt dat alle apothekers verplicht zijn zich in te schrijven op de lijst van de Orde. De titularissen doen dat in de provincie waar hun apotheek gevestigd is, de adjunct- of plaatsvervangende apothekers in de provincie waar zij wonen. De apothekers van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt de keuze gegeven tussen de provinciale raden van Vlaams- en Waals-Brabant. Voor de niet-officina-apothekers wordt een aparte raad opgericht.
Artikel 5 legt de vertegenwoordiging voor de Orde, die wordt uitgeoefend door de beide voorzitters van de twee afdelingen, in rechte vast.
In dit artikel wordt verder bepaald dat de bijdrage voor de Orde wordt vastgelegd door de hoge raad. Het gaat over een bijdrage die gelijk is voor alle apothekers. Elke afdeling van de hoge raad kan het aandeel dat vanuit de provinciale orde moet doorgestort worden voor de werking van de raden van beroep, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina en de hoge raad, per provincie aanpassen afhankelijk van de draagkracht en noden van die provincie.
Artikel 6 duidt de wettelijke bepalingen aan die van toepassing zijn voor het gebruik van de talen.
Artikel 7 bepaalt dat in elke provincie een provinciale raad wordt opgericht en geeft aan over wie hij gezag uitoefent. Voor apothekers buiten de officina wordt een afzonderlijke raad opgericht.
Artikel 8 legt de bevoegdheden van de provinciale raden en de raad voor apothekers buiten de officina vast.
In § 2 wordt de bevoegdheid in het kader van de farmaceutische plichtenleer vastgesteld :
adviezen kunnen alleen worden verleend indien de problematiek reeds vastgelegd is in de code van de farmaceutische plichtenleer. In andere situaties moet een raad eerst advies inwinnen bij de hoge raad;
bij conflicten of betwistingen tussen apothekers onderling, tussen apothekers en eigenaars-niet-apothekers, tussen apothekers en patiënten of tussen apothekers en bedrijven of andere derden, natuurlijke of rechtspersonen, bestaat de eerste opdracht van de raad erin te bemiddelen tussen de partijen. In tegenstelling tot vroeger is de eerste benadering uitdrukkelijk een bemiddelende positie in plaats van een tuchtrechtelijke;
bij het tuchtrechtelijk optreden wordt niet langer uitgegaan van de eerder vage omschrijving « eer en waardigheid » van het beroep, maar van misbruiken of tekortkomingen in het kader van de beroepsuitoefening (dus niet langer in het kader van het persoonlijke leven). De repressieve middelen van de provinciale raad worden beperkt tot een waarschuwing of een berisping. Het is de bedoeling van de indieners om zwaardere tuchtzaken door te spelen naar een interprovinciale raad om grotere uniformiteit te verkrijgen maar ook en vooral om het repressieve karakter van de provinciale raad te heroriënteren naar een bemiddelende opdracht. De raad voor apothekers buiten de officina heeft een zelfde tuchtrechtelijke bevoegdheid ten aanzien van niet-officina-apothekers.
In § 4 wordt de bevoegdheid voor het beoordelen van contracten tussen apothekers onderling, tussen apothekers en eigenaars-niet-apothekers of tussen apothekers en andere derden (instellingen, firma's) gespecificeerd. In dat kader wordt de controle beperkt tot het beoordelen van de bestaanbaarheid ervan met de regels van de farmaceutische plichtenleer, wat dus uitsluit dat er uitspraken worden gedaan in verband met de clausules van het contract die voorwerp vormen van het dwingend recht.
Artikel 9 legt het aantal leden van de raden vast. Er werd geopteerd om een beperkt aantal apothekers aan te wijzen die zetelen als raad. Voor de praktische werking van de raad kan een beroep gedaan worden op de plaatsvervangende leden (zie artikel 10).
Artikel 10 bepaalt de samenstelling van het bureau, het onderzoek- en het verzoeningscollege. Men kan niet tegelijkertijd lid zijn van het onderzoekscollege en het verzoeningscollege voor een zelfde zaak. De opdracht van de colleges wordt uitgewerkt in hoofdstuk IV. In geval van mogelijke partijdigheid kan een lid worden gewraakt.
Artikel 11 bepaalt de plaats van de zetel van de raden.
Artikel 12 bepaalt dat in hetzelfde rechtsgebied als dat van de afdelingen van de hoge raad, interprovinciale raden worden opgericht.
Artikel 13 omschrijft de taken van de interprovinciale raden. Zij doen uitspraak in eerste aanleg in alle tuchtzaken die hun worden toegewezen door een provinciale raad. Het gaat om zaken die niet in aanmerking komen voor een verzoeningsprocedure of waarin de provinciale raad oordeelt dat de feiten een zwaardere sanctie behoeven dan een waarschuwing of een berisping. Overigens doen zij ook uitspraak in tuchtzaken waarbij leden van de organen van de Orde betrokken zijn of indien een provinciale raad niet binnen de wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan.
Artikel 14 bepaalt dat voor de samenstelling van de interprovinciale raden een zwaarder gewicht wordt toegekend aan de magistraten, die drie van de acht leden leveren. Daarenboven moet men er rekening mee houden dat een van de rechtstreeks gekozen apothekers niet deelneemt aan de beraadslaging (cf. artikel 27, § 2, vierde lid). De indieners willen in deze geleding van de Orde een grotere inbreng vanuit de magistratuur toelaten, omdat hier geen verzoening meer mogelijk is en er vaker een zwaardere straf zal worden uitgesproken.
Artikel 15 bepaalt de plaats van de zetel van de interprovinciale raden.
De artikelen 16 tot 20 bepalen de samenstelling en de opdracht van de raden van beroep. Er worden aan de bestaande regeling geen wezenlijke veranderingen aangebracht, noch qua samenstelling, noch qua taakinhoud, behoudens dat zij natuurlijk ook de beroepsinstantie uitmaken voor beslissingen van de nieuwe interprovinciale raden en raad voor apothekers buiten de officina.
Wij hebben geopteerd voor de term » hoge raad « , omdat een nationale raad in onze federale staatsstructuur een onduidelijk begrip is.
Voor de samenstelling van de hoge raad werd gekozen voor twee afdelingen : een Nederlandstalige en een Franstalige. Aangezien de Brusselse apothekers zich, overeenkomstig artikel 4, § 2, eerste lid, naar eigen keuze kunnen inschrijven op de lijst van Vlaams-Brabant of van Waals-Brabant, vallen zij bijgevolg onder de afdeling van hun keuze. Er werd bewust afgeweken van de bevoegdheidsverdeling aangaande persoonsgebonden materies met betrekking tot het Duitstalig gebied, omdat een minimale schaalgrootte noodzakelijk is voor het pakket bevoegdheden dat aan deze instantie wordt toevertrouwd.
Omdat de gezondheidszorg nog grotendeels een federale materie is, wordt er voor geopteerd om een belangrijke gezamenlijke stem te ontwikkelen. Daarom moeten de afdelingen samen beraadslagen als het gaat over de code van de farmaceutische plichtenleer, over de interpretatie ervan en over adviezen van algemene aard.
Artikel 22 legt de samenstelling van de hoge raad vast. Er werd geopteerd voor een beperkte samenstelling van twaalf leden per afdeling. Daarbij hebben de apothekers een ruime meerderheid van negen leden op twaalf. De meerderheid van de apothekers wordt rechtstreeks verkozen, namelijk vijf, één per provincie. Daarnaast worden twee professoren aangewezen door de faculteiten farmaceutische wetenschappen van de universiteiten. Naast apothekers is er ook plaats ingeruimd voor vertegenwoordigers van de samenleving : een ethicus, een vertegenwoordiger van de commissie voor de rechten van de patiënten en een magistraat.
Het zwaartepunt ligt dus bij de eigen beroepsgroep. Dat is verantwoord omdat een belangrijke opdracht van de hoge raad van de Orde erin bestaat een kader te scheppen waarbinnen tuchtsancties worden uitgesproken waar alleen de leden van de beroepsgroep aan worden onderworpen. Een goede kennis van het terrein is daartoe onmisbaar. Maar gezien de impact van de gezondheidszorg in de maatschappij en bijgevolg ook het grote belang van het ethische kader waarbinnen de apothekers hun beroep uitoefenen, werden toch drie direct betrokken sectoren van de samenleving vertegenwoordigd in de hoge raad.
De afdelingen hebben een zekere autonomie wat de werking van de Orde in hun eigen gebiedsomschrijving betreft. Toch hebben wij ervoor gekozen dat de twee afdelingen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de code van de farmaceutische plichtenleer om een zelfde ethisch richtsnoer te hebben in heel het land.
Het voorzitterschap van de hoge raad wordt toegewezen aan een universiteitsprofessor, zoals dat nu voor de Nationale Orde het geval is, omdat die meer voeling heeft met het beroep en meer gezag uitstraalt naar het apothekerskorps.
De artikelen 23 en 24 omschrijven de taken van de hoge raad.
De voornaamste taak is de redactie van een code die de plichtenleer vastlegt die de apothekers dienen na te leven bij de uitoefening van hun beroep. Artikel 23 schetst de krachtlijnen van de inhoud van de code van de farmaceutische plichtenleer. Elke verwijzing naar gedragingen die geen verband houden met de beroepssfeer wordt geweerd.
Er wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de kwaliteit van de farmaceutische zorg, de financiële draagkracht van de samenleving, de continuïteit van de verzorging, het beroepsgeheim, de omgang en het overleg met confraters en andere zorgverleners. In de opsomming is afstand gedaan van abstracte begrippen zoals « eer » en « waardigheid », omdat die in het verleden aanleiding gaven tot de vervolging van apothekers wegens handelingen of standpunten die in se niets te maken hadden met de uitoefening van het beroep.
De regering kan, bij koninklijk besluit, bindende kracht verlenen aan de code van de farmaceutische plichtenleer.
Daarenboven heeft de hoge raad onder meer de taak om alle nuttige verduidelijkingen omtrent die beginselen te communiceren, adviezen te verstrekken over algemene zaken of principiële problemen die verband houden met de code, een jaarverslag te publiceren omtrent de werkzaamheden van alle geledingen van de Orde en in de schoot van de nieuw opgerichte commissie parafarmacie criteria op te stellen waaraan producten moeten voldoen om in de officina-apotheek te mogen worden verkocht.
Artikel 25 omvat de nadere regels betreffende het jaarverslag, dat de bedoeling heeft een volledige transparantie te creëren omtrent de werking van de Orde en de manier waarop de tuchtbeslissingen worden genomen.
Artikel 26 regelt de instelling van de commissie parafarmacie.
In artikel 27 wordt de tuchtprocedure in grote lijnen uiteengezet.
Een klacht komt in eerste instantie terecht bij de provinciale raad. De raad neemt kennis van de zaak en stelt in principe een verzoeningscollege samen om de partijen te verzoenen. Zo de verzoeningspoging mislukt, wordt een onderzoekscollege ingesteld.
De raad kan evenwel de eerste stap overslaan als uit de aard van de feiten blijkt dat een verzoening niet haalbaar of wenselijk is en indien die feiten voldoende zwaarwichtig zijn om onmiddellijk door de interprovinciale raad behandeld te worden. In dat geval wordt meteen een onderzoekscollege aangesteld.
De raad neemt in elk geval kennis van de resultaten van het onderzoekscollege. De uitslag ervan kan aanleiding geven tot een beslissing om geen straf op te leggen of een lichte straf, met name een waarschuwing of berisping. In alle andere situaties wordt de zaak doorgestuurd naar de interprovinciale raad.
Die procedure heeft als uitdrukkelijk doel dat de provinciale raden zich vooral opstellen als een verzoeningscollege. De beperking van de disciplinaire bevoegdheid tot de waarschuwing en de berisping vermindert het repressieve karakter van de provinciale raden. Niettemin werd ervoor geopteerd om de resultaten van het onderzoekscollege niet automatisch door te sluizen naar de interprovinciale raad, omdat uit het onderzoek kan blijken dat zelfs een zwaarwichtige klacht ongegrond is en dus geen straf behoeft, of dat de aard van de aangelegenheid helemaal geen zware sanctie noodzakelijk maakt.
Paragraaf 2 legt de procedure vast voor de apothekers buiten de officina. Aangezien voor die beperktere groep geen interprovinciale raad bestaat, wordt de volledige tuchtbevoegdheid in eerste aanleg door de raad voor apothekers buiten de officina uitgeoefend. Dat doet geen afbreuk aan het feit dat ook die raad in de eerste plaats een verzoenende opdracht heeft.
In § 3 wordt de werking van de interprovinciale raad toegelicht. Alle min of meer ernstige inbreuken op de code van de farmaceutische plichtenleer komen in principe bij die raad terecht. Een magistraat en een apotheker horen in elk geval de partijen. Zij beschikken over het verslag van het onderzoek dat op bevel van de provinciale raad verricht werd. Zij kunnen de betrokken apothekers van de provinciale raad ook bijkomende inlichtingen vragen. Op basis van die elementen brengen ze verslag uit aan de raad die dan oordeelt of er al dan niet bijkomende onderzoeksdaden moeten worden gesteld.
Sancties worden door de voltallige raad uitgesproken. Om de zwaarste sanctie uit te spreken de schrapping uit de lijst van de Orde is een tweederde meerderheid vereist.
In § 4 wordt de beroepsprocedure toegelicht. Die verschilt niet wezenlijk van de bestaande procedure.
Een in eerste aanleg uitgesproken tuchtmaatregel kan slechts met een tweederde meerderheid worden verzwaard. Diezelfde tweederde meerderheid is vereist om de schrapping uit de lijst van de Orde uit te spreken.
De drie geledingen van de Orde moeten samen een tuchtrechtspraak uitwerken, waarin de provinciale raad vooral een dienstverlenende rol heeft tegenover het apothekerskorps en een aanspreekpunt vormt waarbij men terecht kan met allerlei vragen over de directe toepassing van de code of omtrent het functioneren van de apothekers in hun praktijk; daarnaast zal de provinciale raad vooral een verzoenende rol vervullen. Ernstige feiten komen bij de interprovinciale raad terecht. Tuchtrechtstraffen zullen daardoor binnen een taalgroep op een meer uniforme wijze worden uitgesproken; de aanwezigheid van drie magistraten in de interprovinciale raad moet ook leiden tot een grotere inbreng van de inzichten van de magistratuur. De raad van beroep speelt dezelfde rol als heden, al zal de invoering van een interprovinciale raad vermoedelijk wel een invloed hebben op het volume en de inhoud van zijn werk.
De artikelen 28 tot 30 bevatten technische bepalingen in verband met het hoger beroep en het verzet. Overeenkomstig artikel 28 kan het beroep ingediend worden door alle belanghebbenden, dus ook door de patiënten. In artikel 29 wordt ook vastgelegd dat de uitspraken schriftelijk ter kennis moeten worden gebracht van zowel de verzoeker als de aangeklaagde apotheker.
De artikelen 31 en 32 bepalen de procedure in cassatie die grotendeels dezelfde regels volgt als het cassatieberoep in strafzaken.
Artikel 33 bepaalt dat de beklaagde zich niet alleen mag laten bijstaan door een advocaat maar ook door een collega-apotheker. De zittingen zijn in principe openbaar een aantal gevallen uitgezonderd die in dit artikel worden opgesomd.
De artikelen 34 en 35 leggen diverse verjaringstermijnen vast.
Artikel 36 bevat regels inzake de tenuitvoerlegging van tuchtstraffen en inzake de betekening en de kennisgeving van de beslissingen.
In artikel 37 worden de vier verschillende tuchtmaatregelen vastgelegd : de waarschuwing, de berisping, de schorsing die maximaal twee jaar bedraagt en de schrapping. Het artikel biedt de raden eveneens de mogelijkheid te beslissen tot opschorting of tot uitstel van de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van de sanctie.
Artikel 38 beschrijft de gevolgen indien de verzoeker, zowel apotheker als niet-apotheker, zonder wettige reden niet verschijnt voor de Orde.
Artikel 39 bevat de nadere regels betreffende de uitwissing van tuchtstraffen en de mogelijkheden om herstel in eer aan te vragen.
Artikel 40 schept de mogelijkheid om de schrapping uit de lijst van de Orde na een termijn van drie jaar ongedaan te maken.
Artikel 41 bevat een algemene strafbepaling.
De in artikel 42 opgesomde verkiesbaarheidsvoorwaarden hebben tot doel voldoende doorstroming van nieuwe krachten in de Orde te creëren. Zo mag men bij een kandidaatstelling voor gelijk welke functie maximaal 65 jaar oud zijn en mag de totale duur van alle beklede mandaten in de Orde niet meer dan 18 jaar bedragen. Maximaal twee derden van de leden van een orgaan van de Orde mogen van hetzelfde geslacht zijn. De minimumtermijn gedurende welke een kandidaat moet ingeschreven zijn op de lijst van de Orde om in aanmerking te komen voor een mandaat in de Orde wordt verlaagd tot drie jaar voor de provinciale raad, de raad voor apothekers buiten de officina en de interprovinciale raad en tot vijf jaar voor de raad van beroep en de hoge raad. Om verkiesbaar te zijn voor de raad van beroep moet een kandidaat minimaal drie jaar gezeteld hebben als lid van een provinciale raad of van de raad voor apothekers buiten de officina.
Artikel 43 bepaalt dat de Koning de besluitvormingsregels in de verschillende raden kan verfijnen.
Krachtens artikel 44 zijn al degenen die betrokken zijn bij de werking van de Orde gebonden door het beroepsgeheim.
Artikel 45 maakt het lidmaatschap van de Orde onverenigbaar met een leidinggevende functie buiten de Orde. Dat is een algemene formulering die tot doel heeft dat de Orde niet bevolkt zou worden met apothekers die niet zozeer het algemeen belang voor ogen zouden hebben, maar wel het belang van een bepaalde vereniging of een particuliere groep.
Artikel 46 regelt de vergoeding van de leden van de verschillende organen van de Orde.
Wegens de vrij beperkte samenstelling van de verschillende geledingen van de Orde bepaalt artikel 47 dat de plaatsvervangers op een volwaardige manier betrokken kunnen worden bij alle handelingen van de verschillende organen.
De artikelen 48 en 49 bevatten bepalingen die de industrie-apothekers en de apothekers-verantwoordelijken voor de voorlichting verplichten om zich in te schrijven op de lijst van de Orde.
In artikel 50 wordt de basiswetgeving betreffende de bestaande Orde der apothekers opgeheven.
Artikel 51 regelt de inwerkingtreding van de wet en bevat een aantal overgangsbepalingen.
| Annemie VAN de CASTEELE. Jacques GERMEAUX. Patrik VANKRUNKELSVEN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van de artikelen 7 tot 20 die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Er wordt een Orde van apothekers opgericht, hierna de Orde genoemd.
De Orde geniet publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid en heeft als opdracht :
1º een code van de farmaceutische plichtenleer voor apothekers op te stellen;
2º adviezen en informatie te verstrekken;
3º te bemiddelen in conflicten en tuchtmaatregelen te nemen.
Art. 3
De organen van de Orde zijn :
1º een hoge raad;
2º twee raden van beroep;
3º twee interprovinciale raden;
4º tien provinciale raden;
5º een raad voor apothekers buiten de officina.
Art. 4
§ 1. De Orde van apothekers omvat alle houders van het wettelijk of van het gelijkgesteld buitenlands wettelijk erkend diploma van apotheker, die in België woonachtig zijn, en ingeschreven zijn op de lijsten van de Orde.
§ 2. De titularis van een apotheek wordt ingeschreven op de lijst van de provincie waar de apotheek is gevestigd. De plaatsvervangende of tweede apotheker en de ziekenhuisapotheker worden ingeschreven op de lijst van de provincie waar zij hun woonplaats hebben. De apothekers van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden naar eigen keuze ingeschreven op de lijst van de provinciale raad van Vlaams-Brabant of op de lijst van de provinciale raad van Waals-Brabant.
De houders van het wettelijk diploma van apotheker die buiten de officina een activiteit uitoefenen waarvoor dit diploma vereist is, worden ingeschreven op de Nederlandstalige of de Franstalige lijst van de raad voor apothekers buiten de officina, naargelang zij woonachtig zijn in het Vlaams of in het Waals Gewest. De apothekers buiten de officina woonachtig in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden naar eigen keuze ingeschreven op de Nederlandstalige of de Franstalige lijst.
§ 3. Iedere apotheker die in België een activiteit uitoefent waarvoor het diploma van apotheker vereist is, schrijft zich in op de lijst van de Orde.
Niemand mag ingeschreven zijn op meer dan één van de provinciale lijsten, die samen met de lijsten van de apothekers buiten de officina de lijst van de Orde vormen.
Art. 5
Zowel in rechte als om te bedingen of om zich te verbinden of om zich te laten vertegenwoordigen, treedt de Orde op door de hoge raad en wordt zij vertegenwoordigd door de beide voorzitters van de Nederlandstalige en de Franstalige afdeling van de hoge raad. Bij verhindering van de voorzitter van een afdeling, wordt die vervangen door de ondervoorzitter.
De Orde mag, in eigendom of anders, enkel die onroerende goederen bezitten die voor haar werking nodig zijn.
Beschikkingen onder de levenden of bij testament ten voordele van de Orde behoeven machtiging van de Koning.
Teneinde de Orde in staat te stellen haar opdracht te vervullen wordt een jaarlijkse bijdrage van de op de lijst ingeschreven apothekers gevraagd; de bijdrage wordt vastgesteld door de hoge raad. De afdelingen van de hoge raad beslissen welk deel van die bijdrage aan de verschillende organen toekomt, rekening houdend met de draagkracht van elke provincie.
Art. 6
Voor de administratieve betrekkingen van de Orde gelden de wettelijke bepalingen op het gebruik van talen in bestuurszaken.
De Koning regelt het gebruik van de talen bij de rechtspleging op grond van de hoofdstukken I, II en IV van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken voor de gevallen waarin de organen tuchtrecht spreken.
Art. 7
In iedere provincie wordt een provinciale raad van de Orde van apothekers opgericht, die gezag en rechtsmacht heeft over de apothekers die overeenkomstig artikel 4 op de lijst van de Orde van die provincie zijn ingeschreven.
Er wordt een raad van de Orde van apothekers voor apothekers buiten de officina opgericht, die gezag en rechtsmacht heeft over de apothekers buiten de officina.
Art. 8
§ 1. De in artikel 7 bedoelde raden maken de lijst van de Orde op, op basis van de vragen tot inschrijving.
Indien de aanvrager een buitenlandse onderdaan is, wint de raad bij de overheid van het land van herkomst dezelfde inlichtingen in als die welke gevraagd worden van een Belgische aanvrager.
De raad kan de inschrijving op de lijst weigeren of uitstellen wanneer de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan een zo zwaarwichtig feit dat het voor een lid van de Orde de schrapping van de lijst tot gevolg zou hebben.
Wanneer de daartoe bevoegde geneeskundige commissie of de geneeskundige beroepscommissie bepaald bij artikel 37, § 4, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, heeft beslist en aan de Orde heeft laten weten dat een apotheker de vereiste voorwaarden voor de uitoefening van zijn activiteit niet meer vervult, of om redenen van lichamelijke of geestelijke onvolwaardigheid op een beperkte uitoefening van die activiteit is aangewezen, laat de betrokken raad in het eerste geval de naam van de apotheker uit de lijst weg en maakt hij in het tweede geval het behoud ervan afhankelijk van het nakomen van de opgelegde beperking.
De naam van de apotheker wordt ook uit de lijst weggelaten wanneer hij daarom verzoekt.
De beslissing waarbij een inschrijving op de lijst wordt geweigerd of uitgesteld, waarbij de naam van een apotheker wordt weggelaten of waarbij de naam onder beperkende voorwaarden op de lijst wordt behouden, wordt met redenen omkleed.
De beslissing tot weigering of uitstel kan niet worden genomen tenzij de betrokken apotheker ten minste dertig dagen vooraf bij aangetekende brief is uitgenodigd om te worden gehoord op de vergadering van de raad tijdens welke zijn zaak zal worden onderzocht.
Het uitstel van de inschrijving op de lijst mag maximaal twee jaar duren.
In geval van schrapping uit de lijst zendt de voorzitter van de raad die de sanctie heeft uitgesproken, een afschrift van de beslissing met het verzoek tot weglating van de naam van de betrokken apotheker naar de voorzitter van de provinciale raad of van de raad voor apothekers buiten de officina, die opdracht geeft tot schrapping van de apotheker. Bij een herinschrijving als bepaald in artikel 40, geeft de voorzitter van de raad, op verzoek van de voorzitter van de raad van beroep, de opdracht de naam van de apotheker opnieuw op de lijst in te schrijven.
§ 2. De raden waken over de naleving van de bepalingen van de code van de farmaceutische plichtenleer. Te dien einde zijn de raden ermee belast :
1º uit preventieve overwegingen, op eigen initiatief of op verzoek van een lid van de Orde, advies te verlenen over problemen van farmaceutische plichtenleer. Zij kunnen daarover adviezen vragen aan de hoge raad. Wanneer de aangelegenheid waarover een raad advies uitbrengt, niet geregeld wordt in de code van de farmaceutische plichtenleer, legt die raad zijn voorstel van advies voor aan de hoge raad. De hoge raad brengt uiterlijk zestig dagen na ontvangst een advies uit dat het voorstel van advies geheel of ten dele kan wijzigen. De hoge raad deelt zijn advies mee aan de raad, die het advies aan de betrokken apothekers overzendt;
2º op verzoek te bemiddelen tussen apothekers onderling, tussen apothekers en eigenaars-niet-apothekers, tussen apothekers en patiënten of tussen apothekers en bedrijven of andere derden, natuurlijke of rechtspersonen, om conflicten of betwistingen inzake de farmaceutische plichtenleer op te lossen;
3º ambtshalve of na klacht tuchtrechtelijk op te treden ten aanzien van apothekers in geval van tekortkomingen en misbruiken begaan bij of naar aanleiding van de uitoefening van hun beroep.
In de in het eerste lid, 3º, bedoelde zaken kan een provinciale raad slechts een waarschuwing of een berisping opleggen als tuchtmaatregel. Indien de provinciale raad meent dat de feiten een zwaardere tuchtmaatregel vergen, verwijst hij de zaak door naar de interprovinciale raad van de afdeling waartoe hij behoort.
§ 3. De raden geven de bevoegde overheden kennis van de daden van onwettig verstrekken van farmaceutische zorg waarvan zij kennis hebben.
§ 4. De raden beslissen of de contracten die de apothekers bij de uitoefening van hun beroep onder elkaar of met derden sluiten, verenigbaar zijn met de regels van de farmaceutische plichtenleer. In geen geval mag die controle betrekking hebben op clausules van het contract die het voorwerp van dwingend recht zijn. De Koning bepaalt de nadere regels betreffende die taak.
Art. 9
Elke raad is samengesteld uit zeven leden waarvan :
1º zes rechtstreeks verkozen apothekers;
2º een magistraat, rechter in de rechtbank van eerste aanleg of de arbeidsrechtbank, met raadgevende stem en benoemd door de Koning op gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Justitie en Volksgezondheid;
Voor elk lid wordt volgens dezelfde regels een plaatsvervanger aangewezen.
Het rechtstreeks verkozen lid van een provincie in de hoge raad kan uitgenodigd worden de zittingen van de betrokken provinciale raad met raadgevende stem bij te wonen.
Art. 10
§ 1. Elke raad kiest uit zijn midden een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris die samen met de magistraat als bijzitter het bureau vormen.
Hij kiest eveneens uit zijn midden de leden die het bureau moeten aanvullen bij afwezigheid van de voorzitter, de ondervoorzitter of de secretaris.
Het bureau regelt de gewone werkzaamheden van de raad.
§ 2. Elke raad kiest uit zijn midden twee gewone en twee plaatsvervangende leden die samen met de magistraat het onderzoekscollege vormen, dat belast is met het onderzoek van de zaken die bij die raad aanhangig worden gemaakt. De magistraat is voorzitter van het onderzoekscollege.
§ 3. Elke raad kiest uit zijn midden drie gewone en drie plaatsvervangende leden die een verzoeningscollege vormen, dat belast is met de bemiddeling in de zaken die bij die raad aanhangig worden gemaakt. Het verzoeningscollege wijst zijn voorzitter aan.
§ 4. In een zelfde zaak kan een lid niet tegelijkertijd deel uitmaken van het onderzoekscollege en het verzoeningscollege.
Een apotheker die deel uitmaakt van een verzoenings- of een onderzoekscollege kan worden gewraakt om de in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek vermelde redenen.
Art. 11
De provinciale raden hebben hun zetel in de hoofdplaats van de provincie. De provinciale raden van de provincies Vlaams- en Waals-Brabant kunnen hun zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad vestigen.
De raad voor apothekers buiten de officina heeft zijn zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 12
Voor elke afdeling van de hoge raad wordt een interprovinciale raad opgericht, die gezag en rechtsmacht heeft over de apothekers die, overeenkomstig artikel 4, zijn ingeschreven op de lijst van de Orde van de provincies die tot die afdeling behoren.
Art. 13
De interprovinciale raad heeft als opdracht :
1º in eerste aanleg kennis te nemen van en uitspraak te doen in tuchtzaken die hem toegewezen worden door de provinciale raad omdat de onderzochte feiten naar het oordeel van die raad behoren te worden bestraft met een zwaardere sanctie dan een waarschuwing of een berisping, onverminderd het recht van de interprovinciale raad om ook die lagere sancties op te leggen of de beklaagde vrij te spreken;
2º in eerste aanleg kennis te nemen van en uitspraak te doen in tuchtzaken waarbij, ongeacht de voorgestelde tuchtmaatregel, een lid van een van de organen van de Orde betrokken is;
3º in eerste aanleg kennis te nemen van en uitspraak te doen over betwistingen en in tuchtzaken waarbij de provinciale raad geen uitspraak heeft gedaan binnen een door de Koning vastgestelde termijn, die aanvangt hetzij op de datum van de aanvraag tot inschrijving op de lijst, hetzij op de datum van de indiening van het verzoek of de klacht.
Art. 14
§ 1. De interprovinciale raden, de ene met het Nederlands en de andere met het Frans als voertaal, zijn elk samengesteld uit 8 leden, waarvan :
1º vijf rechtstreeks verkozen apothekers; de leden van elke provincie kiezen een lid voor de interprovinciale raad van hun taalstelsel;
2º drie magistraten, raadsheren in de hoven van beroep of de arbeidshoven, benoemd door de Koning op de gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Justitie en Volksgezondheid.
Voor elk lid wordt volgens dezelfde regels een plaatsvervanger aangewezen.
§ 2. De Koning benoemt uit de leden die magistraat zijn de voorzitter en diens plaatsvervanger.
§ 3. De interprovinciale raden kunnen zich laten bijstaan door de met toepassing van artikel 18, § 3, benoemde griffier van de raad van beroep.
Art. 15
De interprovinciale raden hebben hun zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 16
Voor elke afdeling van de hoge raad wordt een raad van beroep opgericht, die gezag en rechtsmacht heeft over de apothekers die, overeenkomstig artikel 4, zijn ingeschreven op de lijst van de Orde van de provincies die tot die afdeling behoren.
Art. 17
De raden van beroep hebben als opdracht :
1º kennis te nemen van en uitspraak te doen over het hoger beroep tegen beslissingen van de provinciale raden, de interprovinciale raden en de raad voor apothekers buiten de officina;
2º in eerste en laatste aanleg kennis te nemen van en uitspraak te doen over geschillen die de verkiezingsverrichtingen betreffen.
Art. 18
§ 1. De raden van beroep, de ene met het Nederlands en de andere met het Frans als voertaal, zijn elk samengesteld uit tien leden, waarvan :
1º vijf rechtstreeks verkozen apothekers; de leden van elke provincie kiezen één lid voor de raad van beroep van hun taalstelsel;
2º vijf magistraten, raadsheren in de hoven van beroep of de arbeidshoven, benoemd door de Koning op de gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Justitie en de Volksgezondheid.
Voor elk lid wordt volgens dezelfde regels een plaatsvervanger aangewezen.
§ 2. De Koning benoemt uit de leden die magistraat zijn de voorzitter en diens plaatsvervanger.
§ 3. Elke raad van beroep wordt bijgestaan door een griffier, doctor of licentiaat in de rechten, benoemd door de Koning. Zijn mandaat van vier jaar is verlengbaar. Hij kan vanaf zijn derde mandaat door de Koning vastbenoemd worden op eensluidend advies van de raad van beroep.
De Koning kan onder dezelfde voorwaarden eveneens een adjunct-griffier aanwijzen.
De Koning stelt de rechtspositie van de griffier en de adjunct-griffier vast na advies van de hoge raad. De bezoldiging van de griffiers komt ten laste van de hoge raad.
Een zelfde griffier of adjunct kan bij de twee raden van beroep worden benoemd, op voorwaarde dat hij de beide landstalen machtig is.
§ 4. Voor de behandeling van de hogere beroepen tegen beslissingen van de raad voor apothekers buiten de officina worden de vijf in § 1, 1º, bedoelde apothekers vervangen door vijf apothekers die rechtstreeks verkozen worden door en uit de leden, ingeschreven op de lijst van de raad voor apothekers buiten de officina.
Art. 19
§ 1. Elke raad van beroep kan uit zijn midden een secretaris kiezen, die samen met de voorzitter en de ondervoorzitter het bureau vormt.
De voorzitter, of in voorkomend geval het bureau, regelt de gewone werkzaamheden van de raad.
§ 2. Elke raad van beroep kiest uit zijn midden één of meer verslaggevers-magistraten en hun plaatsvervangers die belast zijn met het onderzoek van de bij de raad aanhangige zaken.
Art. 20
De raden van beroep hebben hun zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 21
§ 1. De hoge raad omvat een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling.
De Nederlandstalige afdeling vertegenwoordigt de leden die zijn ingeschreven op de lijsten van de provincies die behoren tot het Nederlandse taalgebied en op de Nederlandstalige lijst van de apothekers buiten de officina.
De Franstalige afdeling vertegenwoordigt de leden die zijn ingeschreven op de lijsten van de provincies die behoren tot het Franse en het Duitse taalgebied en op de Franstalige lijst van de apothekers buiten de officina.
§ 2. Beide afdelingen kunnen afzonderlijk beraadslagen en beslissen, behalve bij de uitoefening van de in artikel 23 en in artikel 24, eerste lid, 1º, 2º en 4º, bepaalde opdrachten.
Art. 22
§ 1. Elke afdeling van de hoge raad is samengesteld uit :
1º zes rechtstreeks verkozen apothekers, één per provincie en één apotheker buiten de officina;
2º één licentiaat of doctor in de wijsbegeerte in de hoedanigheid van ethicus, door de Koning benoemd uit een dubbeltal voorgedragen door de beheersorganen van de universiteiten;
3º drie apothekers-hoogleraren verbonden aan een faculteit farmaceutische wetenschappen, door de Koning benoemd uit een dubbeltal voorgedragen door de beheersorganen van de universiteiten;
4º één van de vertegenwoordiger van de patiënten in de federale commissie « Rechten van de patiënt », benoemd door de Koning;
5º één magistraat, door de Koning benoemd onder de raadsheren van het Hof van Cassatie en de hoven van beroep.
Voor elk lid wordt op dezelfde wijze een plaatsvervanger aangewezen.
§ 2. De twee afdelingen vormen samen de hoge raad.
De voorzitter van de afdeling is een van de hoogleraren, benoemd door de Koning. De ondervoorzitter is een apotheker, voorgedragen door de leden van de afdeling en benoemd door de Koning.
De gezamenlijke zittingen worden afwisselend voorgezeten door de voorzitter van de Nederlandstalige en van de Franstalige afdeling. Het ondervoorzitterschap wordt waargenomen door de ondervoorzitter van de andere afdeling.
§ 3. Een Nederlandstalige en een Franstalige directeur-apotheker staan de hoge raad bij in het dagelijks beheer van de Orde. Zij worden benoemd door de hoge raad. Zij nemen deel aan de vergaderingen met raadgevende stem. Hun bezoldiging wordt vastgesteld door en komt ten laste van de hoge raad.
Art. 23
§ 1. De hoge raad stelt de algemene beginselen en de regels van de farmaceutische plichtenleer vast, die apothekers bij de uitoefening van hun beroep dienen na te leven om bij te dragen tot een kwalitatief hoogstaande farmaceutische zorg in het belang van de patiënt en rekening houdend met de financiële middelen die de gemeenschap ter beschikking stelt van de gezondheidszorg. Die regels en beginselen vormen samen de code van de farmaceutische plichtenleer.
§ 2. De code van de farmaceutische plichtenleer bevat onder meer regels inzake de continuïteit van de verzorging, met inbegrip van de inrichting van een wachtdienst, het beroepsgeheim, het doorgeven van bescheiden of farmaceutische inlichtingen aan confraters en behandelende geneesheren, alsmede betreffende de individuele betrekkingen tussen, enerzijds, de apotheker en, anderzijds, de patiënten, de confraters, de geneesheren, de ziekenhuizen, de ziekenfondsen, de overheid, de beoefenaars van de tandheelkunde, de titularissen van de paramedische beroepen, de eigenaars-niet-apothekers en de farmaceutische industrie.
De code bevat eveneens bepalingen die ertoe strekken het niet-handelskarakter van het beroep van officina-apotheker te vrijwaren. Zo daartoe redenen zijn, kan de code de bedingen aanwijzen die, wegens hun onverenigbaarheid met de beginselen van de plichtenleer en inzonderheid met het niet-handelskarakter van het beroep, verboden zijn in overeenkomsten die apothekers sluiten betreffende de uitoefening van hun beroep.
§ 3. De bepalingen van de code van de farmaceutische plichtenleer kunnen door de hoge raad slechts worden aangenomen, gewijzigd of opgeheven met een meerderheid van ten minste drie vijfde van zijn leden.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bindende kracht verlenen aan de code van de farmaceutische plichtenleer en aan de aanpassingen die door de hoge raad zouden worden aangebracht.
Art. 24
De hoge raad heeft daarenboven als opdracht :
1º de bepalingen van de code van de farmaceutische plichtenleer op basis van het in 3º bedoelde repertorium op geregelde tijdstippen te evalueren en, zo daartoe redenen zijn, nader te omschrijven, aan te vullen of te herzien;
2º op eigen initiatief of op verzoek inlichtingen te verstrekken aan het publiek omtrent het bestaan en de draagwijdte van de beginselen en regels van de code van de farmaceutische plichtenleer;
3º een repertorium bij te houden van de door de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina en de raden van beroep genomen tuchtrechtelijke en administratieve beslissingen die niet meer voor beroep vatbaar zijn en de regels vast te stellen betreffende de toegang tot de geanonimiseerde beslissingen in dat repertorium;
4º op eigen initiatief of op verzoek van de provinciale raden en de raad voor apothekers buiten de officina, van de overheid, van openbare instellingen, van beroepsverenigingen van apothekers of van elke andere vereniging die hier een belang kan laten blijken, gemotiveerde adviezen te verstrekken over algemene zaken en over principiële problemen in verband met de regels van de code van de farmaceutische plichtenleer; een repertorium bij te houden van de adviezen die hij in dat verband verstrekt en de regels betreffende de toegang tot dat repertorium vast te stellen;
5º overeenkomstig artikel 8, § 2, 1º, advies te verlenen over de voorstellen van advies van de provinciale raden en de raad voor apothekers buiten de officina;
6º aan de provinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina, de interprovinciale raden en de raden van beroep een model van reglement van orde voor te stellen en het reglement van orde van die raden goed te keuren;
7º aan apothekers die hun beroep in het buitenland wensen uit te oefenen, een attest af te geven waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden inzake de naleving van de algemene beginselen en de regels van de farmaceutische plichtenleer voor de toegang tot het beroep van apotheker;
8º overeenkomstig artikel 5, vierde lid, het bedrag van de jaarlijkse bijdrage vast te stellen;
9º overeenkomstig artikel 26 informatie te verstrekken over de werking en de beslissingen van de commissie parafarmacie;
10º alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de doelstellingen van de Orde te verwezenlijken.
De regels die de hoge raad vaststelt betreffende de toegang tot de in het eerste lid, 4º en 5º, bedoelde repertoria, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid.
Met het oog op de vervulling van zijn taken, raadpleegt de hoge raad wie hij nodig acht.
Art. 25
De hoge raad publiceert jaarlijks een verslag, waarin de werkzaamheden van de provinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina, de interprovinciale raden en de raden van beroep worden beschreven. In het verslag worden de jaarrekeningen vermeld en wordt, per onderwerp en per raad, anoniem melding gemaakt van het gevolg dat aan de klachten werd gegeven en van de tuchtbeslissingen die werden genomen.
Het jaarverslag wordt uiterlijk op 30 juni gepubliceerd en overgezonden aan alle ingeschreven apothekers, aan de ministers die bevoegd zijn voor Sociale Zaken en Volksgezondheid, de gemeenschapsministers die bevoegd zijn voor het Gezondheidsbeleid, alsmede aan eenieder die er in een gemotiveerde aanvraag om verzoekt.
De Koning kan, na advies van de hoge raad, nadere regels betreffende het jaarverslag vaststellen.
Art. 26
§ 1. Er wordt een commissie parafarmacie ingesteld.
De commissie parafarmacie is samengesteld uit twaalf leden waarvan :
1º zes leden aangewezen door de hoge raad;
2º vier leden aangewezen door de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties;
3º een vertegenwoordiger van het directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding;
4º een vertegenwoordiger van het directoraat-generaal Geneesmiddelen.
De helft van de commissieleden is Nederlandstalig, de andere helft is Franstalig.
§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de hoge raad, de nadere regels betreffende de werking van de commissie.
Art. 27
§ 1. De provinciale raad treedt op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een apotheker, een patiënt of diens nabestaanden, of eenieder die van een belang doet blijken, hetzij op verzoek van de procureur des Konings na het eindvonnis van de strafrechter.
De raad belast het overeenkomstig artikel 10, § 3, samengestelde verzoeningscollege met de zaak. De voorzitter van het verzoeningscollege nodigt de partijen uit binnen een maand nadat de zaak aanhangig werd gemaakt. Binnen drie maanden stelt het verzoeningscollege een proces-verbaal op. Ingeval de verzoeningspoging mislukt, verwijst de raad de zaak alsnog naar het onderzoekscollege, overeenkomstig het derde lid, of doet hij zelf uitspraak, waarbij hij een waarschuwing of een berisping kan opleggen.
In afwijking van het tweede lid kan de raad bij een uitdrukkelijk gemotiveerd proces-verbaal beslissen dat de feiten voldoende zwaarwichtig zijn om de aangelegenheid door de interprovinciale raad te laten behandelen. In dat geval belast hij het overeenkomstig artikel 10, § 2, samengestelde onderzoekscollege met de zaak. Het onderzoekscollege wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen binnen een maand na het verzoek van de raad. Het onderzoekscollege wijst een verslaggever aan en hoort de partijen. Wanneer het onderzoek beëindigd is, zendt de verslaggever het verslag over aan de provinciale raad.
Vooraleer de provinciale raad de zaak opnieuw in beraad neemt, worden de partijen in kennis gesteld van het verslag van het onderzoekscollege en hebben zij het recht om hun opmerkingen schriftelijk aan de raad over te maken. Die opmerkingen maken integraal deel uit van het dossier. De provinciale raad zendt het dossier over aan de interprovinciale raad of doet zelf uitspraak, waarbij hij een waarschuwing of een berisping kan opleggen.
§ 2. De interprovinciale raad treedt op, op verzoek van de provinciale raad die hem met toepassing van § 1, vierde lid, een dossier heeft overgezonden. In de aangelegenheden bedoeld in artikel 13, 2º en 3º, treedt de provinciale raad op, op verzoek van een van de in § 1, eerste lid, vermelde personen.
De interprovinciale raad belast een verslaggever-magistraat met het onderzoek van de zaak. De verslaggever wordt bijgestaan door een apotheker, lid van de interprovinciale raad. Hij hoort de partijen. Hij kan eveneens de leden van de provinciale raad die de zaak hebben behandeld, horen of om uitleg vragen. De verslaggever brengt verslag uit aan de interprovinciale raad. Op diens verzoek verricht hij alle bijkomende onderzoeksdaden.
Alvorens over de zaak te beraadslagen, kan de interprovinciale raad een lid van de provinciale raad dat het dossier heeft behandeld, alsook de partijen horen.
De verslaggever-magistraat en de apotheker die hem heeft bijgestaan, nemen geen deel aan de beraadslaging over en de beslissing in de zaak. Het lid van de raad dat verkozen is in de provincie waaruit de beklaagde apotheker afkomstig is, onthoudt zich tijdens de procedure, zowel in de fase van het onderzoek als bij de beraadslaging.
De interprovinciale raad kan een van de in artikel 37 vermelde tuchtsancties opleggen. De schrapping uit de lijst van de Orde kan slechts worden uitgesproken met een tweederde meerderheid
§ 3. De raad voor apothekers buiten de officina treedt op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een apotheker, een patiënt of diens nabestaanden, of eenieder die van een belang doet blijken, hetzij op verzoek van de procureur des Konings na het eindvonnis van de strafrechter.
De raad belast het overeenkomstig artikel 10, § 3, samengestelde verzoeningscollege met de zaak. De voorzitter van het verzoeningscollege nodigt de partijen uit binnen een maand nadat de zaak aanhangig werd gemaakt. Binnen drie maanden stelt het verzoeningscollege een proces-verbaal op. Ingeval de verzoeningspoging mislukt, verwijst de raad de zaak alsnog naar het onderzoekscollege, overeenkomstig het derde lid, of doet hij zelf uitspraak, waarbij hij in dit stadium enkel een waarschuwing of een berisping kan opleggen.
Indien de raad de zaak naar het overeenkomstig artikel 10, § 2, samengestelde onderzoekscollege verwijst, wordt het college binnen een maand door zijn voorzitter bijeengeroepen. Het onderzoekscollege wijst een verslaggever aan en hoort de partijen. Wanneer het onderzoek beëindigd is, zendt de verslaggever het verslag over aan de raad.
Vooraleer de raad voor apothekers buiten de officina de zaak opnieuw in beraad neemt, worden de partijen in kennis gesteld van het verslag van het onderzoekscollege en hebben zij het recht om hun opmerkingen schriftelijk aan de raad over te maken. Die opmerkingen maken integraal deel uit van het dossier.
De raad voor apothekers buiten de officina kan een van de in artikel 37 vermelde tuchtsancties opleggen. De schrapping uit de lijst van de Orde kan slechts worden uitgesproken met een tweederde meerderheid
§ 4. De raad van beroep, die met toepassing van artikel 28 kennis neemt van een zaak, belast een verslaggever-magistraat met het onderzoek. De verslaggever wordt bijgestaan door een apotheker, lid van de raad van beroep. Hij kan een lid van de provinciale raad, de interprovinciale raad of de raad voor apothekers buiten de officina dat deelgenomen heeft aan het onderzoek in eerste aanleg, alsook de partijen, horen. Hij brengt verslag uit aan de raad van beroep. Op diens verzoek vervult hij alle bijkomende onderzoeksdaden.
Alvorens over de zaak te beraadslagen kan de raad van beroep een lid van de provinciale raad, de interprovinciale raad of de raad voor apothekers buiten de officina dat deelgenomen heeft aan het onderzoek in eerste aanleg, alsook de partijen, horen.
De bepalingen van § 2, vierde lid, zijn van toepassing op de raad van beroep.
De raad van beroep kan een door een provinciale raad, een interprovinciale raad of de raad voor apothekers buiten de officina uitgesproken sanctie slechts met een tweederde meerderheid verzwaren.
De schrapping uit de lijst van de Orde kan slechts worden uitgesproken met een tweederde meerderheid.
Art. 28
Tegen de eindbeslissingen van de provinciale raad, de interprovinciale raad en de raad voor apothekers buiten de officina die in eerste aanleg gewezen worden, kan hoger beroep aangetekend worden door de belanghebbende partijen in eerste aanleg.
Het hoger beroep wordt, met inachtneming van de regels bepaald door de Koning, aangetekend binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Indien de beslissing bij verstek is gewezen, vangt de termijn van hoger beroep aan na het verstrijken van de termijn van verzet.
Hoger beroep tegen voorbereidende beslissingen of onderzoeksbeslissingen, kan alleen aangetekend worden samen met hoger beroep tegen de eindbeslissing.
Art. 29
Het hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De raad van beroep neemt kennis van het geheel van de zaak.
Het beschikkende gedeelte van iedere eindbeslissing wordt binnen acht dagen na de uitspraak per aangetekend schrijven aan alle betrokken partijen ter kennis gebracht. De eindbeslissing wordt eveneens meegedeeld aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
Art. 30
De apotheker tegen wie een beslissing werd gewezen bij verstek, kan hiertegen verzet aantekenen binnen een termijn van vijftien vrije dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
De zaak wordt opnieuw gebracht voor de raad die de uitspraak heeft gedaan.
De eiser in verzet die een tweede maal verstek laat gaan, kan niet meer in verzet komen.
Art. 31
De beslissingen in laatste aanleg gewezen door de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina of de raden van beroep, kunnen door de betrokken apotheker of door de klager voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens overtreding van de wet of schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteiten.
Voorziening tegen voorbereidende beslissingen of onderzoeksbeslissingen, kan alleen geschieden samen met voorziening tegen de eindbeslissing.
De voorziening schorst de tenuitvoerlegging.
In geval van cassatie wordt de zaak verwezen naar dezelfde raad in een andere samenstelling. Die raad schikt zich naar de uitspraak van het Hof van Cassatie wat het daarin gesproken recht betreft.
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie kan zich in cassatie voorzien in het belang van de wet.
Art. 32
Voor de procedure in cassatie gelden, zowel wat de pleegvormen als wat de termijnen betreft, dezelfde regels als in strafzaken met uitzondering van het volgende :
1º de voorzieningstermijn bedraagt een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing;
2º de voorziening in cassatie wordt ingesteld per aangetekend stuk gericht tot, naar gelang van het geval, de provinciale raad, de interprovinciale raad, de raad voor apothekers buiten de officina of de raad van beroep;
3º van de door het Hof van Cassatie gewezen arresten, geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis aan de partijen en de betrokken raad.
Art. 33
De beklaagde apotheker mag zich laten bijstaan door een of meer raadslieden die zowel apothekers als advocaten kunnen zijn.
De zittingen van de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina en de raden van beroep zijn openbaar, tenzij de beklaagde apotheker uitdrukkelijk afziet van de openbaarheid. De toegang tot de zittingzaal kan evenwel tijdens het hele geding of een deel ervan worden beperkt in het belang van de goede zeden of openbare orde, wanneer de persoonlijke levenssfeer van de partijen of van derden het vereist of, voor zover de betrokken raad of kamer het strikt noodzakelijk acht, wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de procedure voor de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina en de raden van beroep. Hij stelt onder meer bepalingen vast betreffende het tegensprekelijk karakter van de rechtspleging, de rogatoire commissie, het uitoefenen van het recht van wraking met daarbij de rechtsmiddelen tegen de ter zake gewezen beslissingen, het geheim van de beraadslagingen, de motivering en de kennisgeving van de beslissingen.
Art. 34
De tuchtvordering die in eerste aanleg wordt ingeleid mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of werden vastgesteld binnen een termijn van twaalf maanden voorafgaand aan de inleiding. Indien over dezelfde feiten een burgerrechtelijk of strafrechtelijk eindvonnis wordt uitgesproken, wordt de tuchtvordering ingesteld binnen zes maanden na die uitspraak.
Art. 35
De provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina en de raden van beroep blijven bevoegd om uitspraak te doen over tuchtrechtelijke vervolgingen ingesteld op grond van feiten begaan vóór de beslissing waarbij de beklaagde, al dan niet op eigen verzoek, uit de lijst werd weggelaten, indien het onderzoek uiterlijk zes maanden na die beslissing werd ingesteld.
De raad van het ambtsgebied waarin de verweerder zijn voornaamste beroepsactiviteit uitoefent, is bevoegd.
Art. 36
§ 1. De tenuitvoerlegging van een definitief geworden tuchtstraf gaat in na het verstrijken van de termijn van dertig kalenderdagen, vanaf de kennisgeving aan de apotheker van die beslissing, of in voorkomend geval, van die van het arrest waarbij de voorziening in cassatie afgewezen wordt.
Alle beslissingen betreffende de weglating uit de lijst van de Orde of betreffende de beperking van het recht om het beroep van apotheker uit te oefenen, stellen de datum vast met ingang waarvan ze uitwerking hebben.
§ 2. Alle definitief geworden beslissingen houdende weglating uit de lijst van de Orde, schorsing in het recht om het beroep van apotheker uit te oefenen, schrapping uit die lijst, herinschrijving op die lijst of beperking van de uitoefening van het beroep van apotheker, worden ter kennis gebracht van de bevoegde geneeskundige commissie alsook van de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied van de provinciale raad waaronder de apotheker ressorteert.
§ 3. Alle tuchtbeslissingen genomen door de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina en de raden van beroep worden ter kennis gebracht van de hoge raad.
Art. 37
De bevoegde raden van de Orde kunnen de volgende sancties opleggen :
1º een waarschuwing;
2º een berisping;
3º een schorsing van ten hoogste twee jaar;
4º de schrapping uit de lijst van de Orde.
De raden kunnen eveneens besluiten tot opschorting of tot uitstel van de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van de sanctie.
Art. 38
Indien de verzoeker de hoedanigheid van apotheker heeft doch op uitnodiging van een onderzoekscollege, een verslaggever, een raad, of enig ander orgaan van de Orde dat belast is met de zaak, zonder gewettigde reden niet verschijnt, wordt hij ambtshalve geschorst voor een termijn van drie dagen.
Verzoekers die niet de hoedanigheid van apotheker hebben, met uitzondering van de overheid, verbeuren in dezelfde omstandigheden het recht om verder geïnformeerd te worden over het gevolg dat aan hun zaak gegeven wordt.
Art. 39
§ 1. De in artikel 37, 1º en 2º, bedoelde tuchtstraffen worden uitgewist drie jaar na de tenuitvoerlegging ervan, op voorwaarde dat aan de apotheker intussen geen nieuwe sanctie werd opgelegd.
§ 2. Iedere apotheker die een tuchtstraf heeft opgelopen die niet uitgewist werd met toepassing van § 1, kan bij de raad van beroep een aanvraag tot herstel in eer en rechten indienen.
Die aanvraag is slechts ontvankelijk, op voorwaarde dat :
1º een termijn van drie jaar is verlopen sedert de tenuitvoerlegging ervan. Indien de sanctie werd opgelegd voor een feit dat aanleiding heeft gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling, kan het herstel in eer en rechten slechts verleend worden indien ook herstel in eer en rechten is verleend voor de strafrechtelijke veroordeling;
2º de betrokkene niet reeds vroeger herstel in eer en rechten heeft genoten.
Wanneer een aanvraag tot herstel in eer en rechten wordt verworpen, is de nieuwe aanvraag slechts ontvankelijk na het verstrijken van een termijn van twee jaar volgend op de verwerping.
§ 3. De toepassing van §§ 1 en 2 doet voor de toekomst alle gevolgen van de sanctie ophouden.
Art. 40
De schrapping uit de lijst van de Orde kan na een termijn van drie jaar worden opgeheven en de herinschrijving op de lijst van de Orde kan worden toegestaan nadat de voltallige raad van beroep, na de betrokken apotheker te hebben gehoord, bij tweederde meerderheid van zijn leden een beslissing in die zin neemt.
Indien het verzoek tot herinschrijving wordt afgewezen is een nieuw verzoek tot herinschrijving slechts ontvankelijk indien er een nieuwe termijn van drie jaar is verstreken.
Art. 41
Met de straffen bepaald in artikel 38, § 1, 1º, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, wordt gestraft de apotheker die zijn beroep uitoefent zonder op de lijst van de Orde te zijn ingeschreven terwijl hij daartoe verplicht is, of nadat hij van de lijst is weggelaten of geschrapt, alsmede de apotheker die zijn beroep uitoefent tijdens de duur van een hem opgelegde schorsing.
Art. 42
De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de verkiezingen van de leden van de organen van de Orde, met inachtneming van de volgende voorwaarden :
1º de kandidaten zijn op het ogenblik van hun kandidaatstelling ten hoogste 65 jaar oud;
2º ten hoogste twee derden van de kandidaten is van hetzelfde geslacht;
3º de Franstalige afdeling van de hoge raad telt ten minste een lid uit het Duitse taalgebied;
4º de leden zijn verkozen of benoemd voor een termijn van zes jaar;
5º de leden zijn slechts eenmaal herverkiesbaar;
6º de totale duur van de mandaten die een lid in de organen van de Orde bekleedt, bedraagt maximaal achttien jaar;
7º enkel apothekers die niet geschorst zijn in het recht om hun beroep uit te oefenen en die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie zijn verkiesbaar;
8º enkel apothekers die sinds ten minste drie jaar ingeschreven zijn op een provinciale lijst, zijn verkiesbaar voor de provinciale raad, de interprovinciale raad of de raad voor apothekers buiten de officina; enkel apothekers die sinds ten minste vijf jaar ingeschreven zijn op een provinciale lijst, zijn verkiesbaar voor de raad van beroep of de hoge raad;
9º enkel kandidaten die ten minste drie jaar gezeteld hebben als lid van een provinciale raad of van de raad voor apothekers buiten de officina zijn verkiesbaar voor de raad van beroep.
De Koning bepaalt eveneens de regels betreffende de voltooiing van de mandaten van de verkozen leden van de raden bij ontslag, overlijden of vervallenverklaring.
De ontslagnemende leden blijven in dienst tot in hun vervanging is voorzien.
Art. 43
§ 1. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina, de raden van beroep en de hoge raad op geldige wijze kunnen beraadslagen en beslissen.
Hij kan inzonderheid gekwalificeerde meerderheden opleggen voor de beslissingen waarbij schorsing in het recht het beroep van apotheker uit te oefenen wordt uitgesproken en voor die waarbij de inschrijving op die lijst geweigerd of uitgesteld wordt.
§ 2. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Art. 44
De leden van de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina, de raden van beroep en de hoge raad zijn gebonden door het beroepsgeheim in alle zaken waarvan zij kennis hebben gekregen bij of ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt.
Hetzelfde geldt voor alle personen die, in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan de werking van de Orde.
De schending van het beroepsgeheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 45
Het lidmaatschap van een orgaan van de Orde is onverenigbaar met een leidinggevende functie buiten de Orde die de onafhankelijkheid van de betrokken apotheker kan aantasten; het lidmaatschap van een orgaan van de Orde is eveneens onverenigbaar met het lidmaatschap van een ander orgaan van de Orde of een lidmaatschap van de provinciale geneeskundige commissie.
De magistraten die lid zijn van de Orde mogen geen functie bekleden in het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art. 46
De vergoeding van de leden van de organen van de Orde en hun plaatsvervangers wordt bepaald door de hoge raad. De vergoeding van de leden die de hoedanigheid van magistraat hebben wordt bepaald door de minister van Justitie.
Art. 47
Indien de werkzaamheden van de betrokken raad het eisen, kunnen de plaatsvervangende leden van de organen door de voorzitter van het betrokken orgaan ingeschakeld worden bij de behandeling van een zaak.
Art. 48
Artikel 12, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricage, de bereiding en distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1989, wordt aangevuld als volgt :
« 4º dat hij is ingeschreven op de lijst van de Orde van apothekers. »
Art. 49
Artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 7 april 1995 betreffende de voorlichting en de reclame inzake geneesmiddelen voor menselijk gebruik wordt aangevuld met het volgende lid :
« De apotheker-verantwoordelijke voor de voorlichting moet ingeschreven zijn op de lijst van de Orde van apothekers. »
Art. 50
Opgeheven worden :
1º de wet van 19 mei 1949 tot oprichting van de Orde der apothekers;
2º het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers.
Art. 51
De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking treedt.
De Koning bepaalt de datum waarop de lijst van de Orde, bijgehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967, wordt afgesloten. Die lijst geldt als basis voor de eerste verkiezingen gehouden met toepassing van artikel 42 en voor de vaststelling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden.
De Koning bepaalt de wijze waarop de bevoegdheden van de bij het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 ingestelde provinciale raden, raden van beroep en nationale raad worden overgedragen aan de provinciale raden, de interprovinciale raden, de raad voor apothekers buiten de officina, de raden van beroep en de hoge raad die bij deze wet worden ingesteld. Hij bepaalt eveneens de datum waarop deze overdracht geschiedt.
Tot op deze datum en bij wijze van overgangsmaatregel blijven de bij het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 ingestelde raden hun volledige bevoegdheden uitoefenen, overeenkomstig het genoemde besluit en zijn uitvoeringsbesluiten. De Koning kan hun echter opdracht geven te handelen overeenkomstig deze wet en inzonderheid met het vervullen van bepaalde taken waarin deze wet voorziet.
De zaken die aanhangig werden gemaakt vóór de datum van de overdracht van de bevoegdheden, bepaald in het derde lid, worden afgehandeld overeenkomstig deze wet. Alle vóór deze datum gestelde procedure-akten en genomen beslissingen worden echter voor geldig gehouden, indien zij voldoen aan de regeling van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967.
19 december 2003.
| Annemie VAN de CASTEELE. Jacques GERMEAUX. Patrik VANKRUNKELSVEN. |