(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Recent was er een dreigend tekort aan donorbloed dat na een oproep van het Rode Kruis kon worden opgevangen.
Nieuwe bloedgevers kwamen zich melden. Daarbij bleek dat sommigen niet in aanmerking kwamen als donor omwille van strikte veiligheidsregels die de risico's van overdracht van ziektes moeten voorkomen.
Zo werden mensen die het voorbije decennium meer dan zes maand in Groot-Brittannië verbleven uitgesloten om mogelijk BSE-besmetting uit te sluiten en werden mensen die naar de tropen reisden uitgesloten.
Kan de geachte minister meedelen wie die veiligheidsvoorschriften opstelt en welke risico-analyse daarbij wordt gemaakt ?
Als bloeddonoren aan steeds striktere voorwaarden moeten voldoen is het niet ondenkbaar dat er op sommige momenten echt een tekort aan bloed ontstaat.
Dan stelt zich de vraag of men ook op basis van andere criteria bloed kan (blijven) weigeren.
Zo wordt het bloed van hemochromatose-patiënten, bij wie om therapeutische redenen bloed moet worden afgenomen, geweigerd. Nochtans gaat het hier, als er geen verwikkelingen of andere medische tegenaanwijzingen zijn, om bloed dat perfect voor transfusie geschikt kan zijn.
Het niet-aanvaarden van hemochromatose-patiënten als bloeddonor is evenwel een juridisch-ethische kwestie omdat donoren normaal geen voordeel mogen putten uit het geven van bloed en het in het geval van hemochromatose kan gaan om een therapeutische behandeling.
Uw voorgangster mevrouw Aelvoet antwoordde op mijn vraag nr. 257 van 26 februari 2001 dat zij, wat betreft de eventuele wetenschappelijke argumenten om bloed van patiënten met hemochromatose al dan niet in aanmerking te nemen voor transfusie, advies had gevraagd aan de Nationale Raad voor het bloed.
Kan de geachte minister meedelen wat dat advies is ?
Deelt de geachte minister het standpunt van zijn voorgangster over de strikte voorwaarde dat bloedgiften totaal onbaatzuchtig moeten zijn ?
Kan daar in het geval van hemochromatose geen afwijking worden voorzien, zeker wanneer er een dreigend tekort is aan bloed ?
Antwoord : Ik heb de eer aan het geachte lid het volgende te antwoorden.
De wet van 5 juli 1994 met betrekking tot bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong en zijn uitvoeringsbesluiten voorzien in een hele reeks van veiligheidsvoorschriften om het risico van overdracht van ziekten te voorkomen. Deze voorschriften worden aangevuld door maatregelen die de minister neemt en waarvoor hij voor advies beroep kan doen op onder meer de Hoge Gezondheidsraad. De instellingen die de afneming, de bereiding, de bewaring en de verdeling van het bloed en de bloedderivaten organiseren maken gebruik van een zeer uitgebreide lijst van selectiecriteria voor kandidaat-donoren. Deze criteria zijn opgesteld aan de hand van de Belgische wetgeving en reglementering en op basis van aanbevelingen en richtlijnen van de Europese Unie, vereisten van de Wereldgezondheidsorganisatie, aanbevelingen van de Raad van Europa en andere organisaties alsook op basis van recente relevante literatuur en ontwikkelingen. Hierbij wordt het voorzichtigheidsprincipe gehanteerd en risicoanalyses zouden hierbij gegevens kunnen verschaffen om het nemen van beslissingen te vergemakkelijken maar zijn tot hiertoe, voor zover we weten, niet uitgevoerd.
De instellingen die voor de bloedbevoorrading zorgen dienen soms om een tekort aan donorbloed te voorkomen een oproep om bloed te geven te doen. De praktijk leert dat er op zulke oproepen snel en door vele burgers gereageerd wordt zodat de bloedvoorraden snel terug op peil gebracht kunnen worden. Ook in deze gevallen dienen dezelfde strenge selectiecriteria gehanteerd te worden en kan er geen sprake van zijn om op dat gebied enige toegeving te doen.
In de wet van 1994 werd het principe van het vrijwillig en niet-vergoede karakter van het bloed geven uitdrukkelijk bevestigd. Een bloedgifte dient totaal onbaatzuchtig te zijn. De altruistische bedoelingen van donors die vrijwillig en zonder vergoeding bloed geven zijn fundamenteel voor een veilige bloedbevoorrading in ons land. Hemochromatose-patiënten, bij wie om therapeutische redenen bloed moet worden afgenomen, zijn bijgevolg geen vrijwillige donors en voldoen aldus niet aan de gestelde voorwaarden. Een afwijking is dan ook niet mogelijk.
In 2001 werd, wat betreft de eventuele wetenschappelijke argumenten om bloed van patiënten met hemochromatosis al dan niet in aanmerking te nemen voor transfusie, advies gevraagd aan de Nationale Raad voor het bloed. Deze raad werd kort nadien opgeheven en op de gestelde vraag werd geen advies bekomen.
Bijgevolg heb ik mijn diensten opdracht gegeven om advies te vragen aan de Hoge Gezondheidsraad.
Het is echter duidelijk dat de wetenschappelijke argumenten welke deze ook mogen zijn zullen moeten afgewogen worden tegen de ethische overwegingen, zolang Europa wat dat laatste betreft geen standpunt inneemt.