3-529/1

3-529/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

8 MAART 2004


Het Belgische ruimtevaartbeleid


VERSLAG

NAMENS DE WERKGROEP « RUIMTEVAART » (FINANCIËN EN ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN) UITGEBRACHT DOOR DE HEER ROELANTS du VIVIER


I. INLEIDING

Op donderdag 19 februari 2004 organiseerde de Werkgroep « Ruimtevaart » van de Senaat een hoorzitting met mevrouw Fientje Moerman, federaal minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.

Deze hoorzitting kadert in de bijzondere aandacht die de Werkgroep « Ruimtevaart » wil besteden aan het Belgische ruimtevaartbeleid. De nadruk zal hierbij gelegd worden op de positie van de Belgische industrie en de Belgische wetenschap in de Europese ruimtevaartsector, de interesse van de jeugd in ruimtevaart en in wetenschappelijke studies, en op de berichtgeving in de media inzake ruimtevaart.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR MEVROUW FIENTJE MOERMAN, MINISTER VAN ECONOMIE, ENERGIE, BUITENLANDSE HANDEL EN WETENSCHAPSBELEID

1. Institutioneel kader van het Belgisch ruimtevaartbeleid

De bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 1980, gewijzigd in 1988 en in 1993, omschrijft de respectieve bevoegdheden voor het wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 6bis, § 1, stelt :

« De gemeenschappen en gewesten zijn bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek in het raam van hun respectieve bevoegdheden, met inbegrip van het onderzoek ter uitvoering van internationale of supranationale overeenkomsten of akten. »

De uitzonderingen zijn vermeld in artikel 6bis, § 2 :

« De federale overheid is evenwel bevoegd voor :

...

3º het ruimtevaartonderzoek in het raam van internationale of supranationale instellingen en overeenkomsten of akten;

... »

Wat de Belgische overheid betreft is het dus de federale overheid, en meer bepaald de Programmatorische Federale Overheidsdienst « Wetenschapsbeleid », die bevoegd is voor het ruimtevaartonderzoek in internationaal verband.

2. België in de ruimte

a. Waarom ruimtevaart ?

Ruimtevaart is voor België een viervoudige uitdaging :

­ op wetenschappelijk gebied : de ruimte is een bevoorrechte plaats van waaruit het heelal en de aarde geobserveerd kunnen worden en de gewichtloosheid is heel goed geschikt om in een aantal wetenschappelijke disciplines experimenten te verrichten. Ze biedt dus perspectieven voor een aanzienlijke vooruitgang van de kennis;

­ op technologisch gebied : de ruimte biedt de bedrijven de kans de meest geavanceerde technologieën te beheersen op gebieden zoals elektronica, automatisering, materialen, biotechnologie, aërodynamische structuren, en vooral zich te bekwamen in berekeningen van complexe mechanische systemen en het beheren van grote projecten;

­ op maatschappelijk gebied : de ruimte maakt een alomvattende monitoring van het milieu mogelijk en een forse uitbreiding van het aanbod van algemene diensten zoals meteorologie, telecommunicatie, preventie van natuurrampen, oogstcontrole, hulp bij de navigatie te land, over zee en in de lucht;

­ op economisch gebied : de ruimte is een markt geworden. Lanceerraketten, satellieten, grondinfrastructuur, telecommunicatiediensten en satellietbeelden zijn voortaan verhandelbare producten. Deze activiteiten eisen een hoog aantal gekwalificeerde arbeidskrachten.

b. Historisch overzicht van de ruimtevaart in België

De start van het Belgisch ruimtevaartbeleid situeert zich eind van de jaren 60. België werkte mee aan de programma's van ELDO en ESRO. ELDO (European Launchers Development Organization) was een programma voor de ontwikkeling van Europese lanceerraketten (Europa-raket). ESRO (European Space Research Organization) was een wetenschappelijk programma.

In 1975 volgde de oprichting van ESA waardoor België echt toegang tot de Ruimte kreeg.

Een intergouvernementele overeenkomst tussen Frankrijk en België werd in 1979 gesloten. Het betrof het Aardobservatiesysteem SPOT.

Concreet heeft België van 1975 tot 2004 steun toegezegd aan de ruimtevaartprogramma's van ESA. De desbetreffende beslissingen worden genomen tijdens de verschillende ESA-Raden op ministerniveau. Daarenboven heeft België de bilaterale samenwerking met Frankrijk versterkt door onder andere de deelname aan SPOT 5, aan de ontwikkeling van het instrument VEGETATIE, aan het platform Proteus, enz.

Verder werd de bilaterale samenwerking uitgebreid tot andere landen als Argentinië en Rusland. Tenslotte werd, tegelijk met de medewerking aan SPOT, een remote sensing programma TELSAT (1985-2000) en STEREO (2001-nu) opgezet.

c. Waarom Europa ?

België heeft vanaf het begin Europa als kader voor zijn ruimtevaartbeleid gekozen om de noodzakelijke investeringen in deze toekomstgerichte sector zo goed mogelijk te kunnen rentabiliseren. Ons land besliste geen nationale ruimtevaartorganisatie uit te bouwen, maar ESA als zijn eigen ruimtevaartorganisatie te beschouwen en aldus toegang te krijgen tot de technische kennis op alle terreinen waarop België een rol wenst te spelen : lanceerraketten, telecommunicatie, aardobservatie, microzwaartekracht, spitstechnologieën, enz.

Het grote voordeel van deze constructie is de rechtstreekse toegang tot de verschillende programma's. Ook vermijdt men bijkomende kosten, aangezien men geen eigen administratiestructuur op poten moet zetten. Nadeel is natuurlijk wel dat de nationale strategie in de Europese moet passen. Tevens moet men werken in een intergouvernementeel kader, wat soms tijdrovend kan zijn.

d. Belgische deelname aan ruimtevaartprogramma's in het kader van ESA

Meer dan 90 % van de Belgische begroting voor ruimtevaart gaat naar de programma's van ESA. De ESA-Raden op ministerniveau komen om de 3 jaar samen en nemen de belangrijke politieke beslissingen. De belangrijkste zijn :

­ Brussel ­ 1973 : oprichting van ESA (die in 1975 echt van start ging) en goedkeuring van een aantal wetenschappelijke programma's inzake telecommunicatie (Marecs), ruimtemodules (Spacelab) en lanceerraketten (Ariane) naast puur wetenschappelijke programma's.

­ Edinburgh ­ 2001 : beslissingen in verband met een groot aantal programma's inzake aardobservatie, lanceerraketten, Galileo, telecommunicatie, technologie en wetenschap.

­ Parijs ­ 2003 : beslissingen in verband met lanceerraketprogramma's.

België heeft in 2003 160 miljoen euro aan ESA gegeven om de medewerking te dekken aan de verplichte en de optionele programma's waartoe het zich verbonden heeft.

België draagt in verhouding tot zijn BNP bij aan de verplichte programma's van ESA, dat wil zeggen voor 3,33 % in 2000 en voor 2,97 % vanaf 2003. Daarmee neemt ons land de achtste plaats in qua omvang van de bijdrage van de verschillende landen.

Deze programma's zijn het wetenschappelijk programma, het basistechnologieprogramma, de algemene studies en de algemene begroting van ESA.

België draagt gemiddeld 7,7 % bij aan de optionele programma's van ESA. Daarmee staat België vierde wat de bijdrage betreft van de verschillende landen aan de optionele programma's van ESA.

Deze programma's hebben betrekking op de lanceerraketten, de aardobservatie, de mens in de ruimte en de microzwaartekracht, de telecommunicatie en de navigatie (Galileo), de technologieën en de steun aan de wetenschappers.

De positie van België ten opzichte van de andere lidstaten van ESA is opmerkelijk. De bijdrage van België is bijvoorbeeld relatief veel groter dan die van een aantal landen met een groter economisch draagvlak als het Verenigd Koninkrijk, Nederland of de Scandinavische landen.

e. Belgische deelname aan bilaterale ruimtevaartprogramma's

België besteedt zowat 6 % van zijn ruimtevaartbegroting aan bilaterale samenwerking.

De bilaterale samenwerking tussen Frankrijk en België betreft het programma voor Aardobservatie SPOT, dat gefinancierd wordt door Frankrijk, Zweden en België en beheerd wordt door het Franse ruimtevaartagentschap CNES. In 1979 werd een intergouvernementele overeenkomst ondertekend en de satellieten SPOT 1 tot 5 werden gelanceerd tussen 1986 en 2002.

Deze samenwerking, waar de Europese Commissie en Italië zich hebben bij aangesloten, heeft het ook mogelijk gemaakt de instrumenten VEGETATIE en de satellieten SPOT 4 en 5 te ontwikkelen en in België (VITO in Mol) een beeldverwerkingscentrum VEGETATIE te installeren.

De bijdrage van België aan het programma PLEIADES is in voorbereiding. Dit systeem zal de SPOT-satellieten opvolgen.

De bilaterale samenwerking tussen Rusland en België had tot doel het MIRAS-instrument te ontwikkelen dat in 1995 aan boord van MIR geplaatst zou worden, evenals het SPICAM-instrument voor een missie naar Mars in 1996. Beide waren een mislukking. Het eerste werd in de ruimte beschadigd terwijl het tweede bij de lancering verloren ging.

De tekening van een overeenkomst tussen Rusland en België in december 2000, maakt het mogelijk een nieuwe samenwerking op te zetten.

De bilaterale samenwerking tussen Argentinië en België betreft de Belgische deelname aan het Argentijns aardobservatieprogramma SAOCOM. Het was in oktober 2000 dat de overeenkomst getekend werd.

f. Steunverlening aan de wetenschappelijke wereld

De ondersteuning van het wetenschappelijk onderzoek op ruimtevaartgebied gebeurt via verscheidene programma's.

Wat de ESA-missies betreft, maakt het programma PRODEX het voor de Belgische wetenschappers mogelijk om de experimenten in de ruimte voor te bereiden, de noodzakelijke instrumenten te ontwikkelen, de experimenten te verrichten en de gegevens van deze experimenten te analyseren.

Gedurende de ODISSEA-missie heeft Frank De Winne verschillende experimenten uitgevoerd die door dit programma tot stand waren gekomen.

Wat de aardobservatie betreft, werd tegelijk met de Belgische deelname aan het programma SPOT een remote sensing programma opgezet (TELSAT 1985-2000 en STEREO 2001-nu) en werden aanvullende acties op touw gezet in het kader van het programma VEGETATIE naar aanleiding van de Belgische verbintenis dit instrument te ontwikkelen.

Het doel van deze programma's is om een wetenschappelijke en technische expertise inzake remote sensing uit te bouwen voor fundamenteel en toegepast onderzoek, een markt voor deze technieken tot stand te brengen, een ondersteunende dienst voor de gebruikers in te stellen (EODESK) en voor het promoten van deze techniek en het valoriseren van de onderzoeksresultaten te zorgen.

Het B-USOC (Belgian User Support and Operation Centre) werd opgericht om de Belgische wetenschappers hulp te verlenen. Dit centrum verschaft informatieondersteuning, technische ondersteuning bij het voorbereiden van de experimenten en operationele ondersteuning bij het uitvoeren van de experimenten in de ruimte.

3. Begroting en beschikbare financiële middelen

De onafgebroken inspanningen van België op ruimtevaartgebied blijken duidelijk uit de ontwikkeling van de jaarlijkse begroting die voor ruimtevaartactiviteiten wordt uitgetrokken. Tussen 1987 en 1993 zijn de fondsen voor ruimtevaart gestegen van 50 tot 140 miljoen euro, tussen 1993 en 2003 van 140 tot 169 miljoen euro.

De verdeling van de Belgische verbintenis per activiteitengebied voor de periode 2000-2002 is als volgt :

­ 30% : wetenschappelijke programma's (science programma, aardobservatie, microzwaartekracht en Prodex);

­ 22 % : technologieën in de telecommunicatie;

­ 17 % : generische technologieën (onder andere Proba);

­ 13 % : lanceerraketten;

­ 11 % : ISS ­ International space station;

­ 6 % : algemeen budget;

­ 1 % : Navigatie (Galileo).

Betreffende Galileo moet worden benadrukt dat het de bedoeling is dit percentage substantieel te verhogen, gezien de grote industriële en wetenschappelijke belangen terzake.

4. De Belgische industriële politiek

Binnen ESA is de regel van de « Juste Retour » van toepassing. De bijdrage van België aan de verschillende programma's, verminderd met de ESA-kosten, komt in België terug onder de vorm van contracten aan de industrie en aan onderzoeksinstellingen.

De Belgische return stond op 1,00 eind 1999. Vandaag staat de Belgische return op 0,96. Gestreefd moet worden naar een verhoging van deze return tot meer dan 1,00.

In het kader van de bilaterale samenwerking dekt de Belgische bijdrage de contracten die in België worden geplaatst.

5. Spin-offs in België

a. Op wetenschappelijk gebied

Op wetenschappelijk gebied nemen een zeventigtal onderzoekteams die over de universiteiten, de federale wetenschappelijke instellingen en de onderzoekcentra zijn verspreid, regelmatig deel aan ruimtevaartprojecten, voornamelijk in het kader van het programma PRODEX en het teledetectieprogramma TELSAT en STEREO.

Verscheidene Belgische centra verrichten ook permanent activiteiten met betrekking tot het ontwikkelen, het testen, het ijken, het controleren en het verwerken van informatie.

b. Op industrieel gebied

Op industrieel gebied zetten een veertigtal Belgische bedrijven in verschillende mate activiteiten op die, voor sommige, een belangrijk gedeelte vertegenwoordigen van hun omzet en, voor andere, een gelegenheid bieden om vertrouwd te geraken met geavanceerde technologieën. Hiervoor werden overigens afzetmarkten buiten de ruimtevaartsector gevonden.

In het kader van de ruimtevaartactiviteiten zijn 1300 personen tewerkgesteld voor een zakencijfer van 240 miljoen euro per jaar. Tien Belgische bedrijven vertegenwoordigen drie vierde van de Belgische contracten, te weten :

­ Newtec : grondsegment telecommunicatie;

­ Alcatel Etca : vermogensdistributie;

­ Verhaert D&D : microzwaartekrachtinstrumenten en kleine satellieten;

­ Techspace Aero : kleppen;

­ Sabca : structuur;

­ Alcatel Bell Space : grondinfrastructuur telecom;

­ CSL : testen en instrumenten;

­ RHEA : grondsegment operaties;

­ Spacebel : software;

­ Imec : micro-elektronica.

Naast deze hoofdvertolkers moeten de spin-offs vermeld worden, onder andere, Agilent, Septentrio, Spacechecker, Samtech, Micromega, EHP, EPAS, FillFactory, LamdaX, enz.

In het licht van de herstructurering van de Europese industrie, moet het Belgische bedrijfsleven, dat vertegenwoordigd is in organisaties zoals Belgospace, Vlaamse Ruimtevaart Industriële (VRI) en Wallonie Espace, zich richten naar en zich meer en meer specialiseren in hoogtechnologische gebieden om op lange termijn te kunnen overleven.

c. In termen van de markt

Op telecommunicatiegebied, wat een belangrijke Europese markt vormt, worden heel wat ruimtevaartcomponenten gebruikt. De Belgische bedrijven die tot de groep Alcatel (ETCA en Bell Space) behoren, evenals hooggespecialiseerde bedrijven zoals Newtec, Agilent en Spacechecker, zijn op die markt bedrijvig.

Het bedrijf Arianespace bekleedt een belangrijke plaats op het gebied van de lanceerraketten (de helft van de lanceringen van de commerciële geostationaire satellieten). De Belgische investeringen in de Arianeprogramma's leveren resultaten op want de Belgische bedrijven Alcatel Etca, Techspace Aero, Sabca en Trasys zijn bij elke lancering betrokken.

Nieuwe afzetmarkten gaan binnenkort open op het gebied van de navigatie als gevolg van de beslissing van de Europese Unie om een Europees satellietnavigatiesysteem in het leven te roepen (GALILEO). De Belgische actoren die al in aanmerking komen zijn onder andere : Aethis, Alcatel Bell Space, ETCA, Rhea, Vitrociset, Septentrio en Orban Microwave products.

Tenslotte is er nog de aardobservatie en de stijgende belangstelling voor het systeem GMES (Global Monitoring for Environment and Security). De Belgische actoren die al in aanmerking komen zijn onder andere : VITO, Spacebel, KMS-ERM, Keyobs, GIM, MUMM, BIRA-IASB, KMI-IRM, Eurosense en AVIA-GIS.

Men moet zich op die nieuwe markten voorbereiden en positie innemen om een belangrijke rol te kunnen spelen in de ontwikkeling van deze systemen en de diensten die deze systemen kunnen aanreiken.

6. Een nieuw Europees kader : de Europese ruimtevaart in volle herstructurering

a. Op het vlak van de grote actoren

Rusland heeft op alle gebieden van de ruimtevaart kundigheden tot stand gebracht. De huidige politieke situatie werkt, gelet op het ontbreken van fondsen voor de ruimtevaart, de samenwerking in de hand : het opgeven van het ruimtestation Mir in februari 2001 ten voordele van een samenwerking in het kader van het internationaal ruimtestation (ISS), de deelname in een gemengd bedrijf voor commerciële lanceerraketten (Starsem), het verzoek om met ESA samen te werken, het verzoek om individueel samen te werken met Europese landen (België in het bijzonder), enz.

De VS hebben recent een ambitieus programma voor de exploratie van het zonnestelsel aangekondigd. Dit programma bevat de terugkeer van de mens op de Maan in de periode 2015-2020, om er te werken en om er onderzoek uit te voeren, en het ontwikkelen van nieuwe ruimteveren voor missies naar Mars en verder.

Het spreekt voor zich dat deze situatie niet over het hoofd mag worden gezien bij het uitwerken van een Europese ruimtevaartstrategie.

b. Op institutioneel vlak

De verschillende actoren op ruimtevaartgebied (ESA, de nationale ruimtevaartorganisaties en de Europese Unie) kunnen niet langer alleen te werk gaan. De rol van elk dient te worden gedefinieerd en er moet coördinatie zijn als men een sterke Europese ruimtevaart wenst uit te bouwen.

Daartoe is al een eerste stap gezet met het definiëren en goedkeuren op ministerniveau van een gemeenschappelijke Europese ruimtevaartstrategie voor de EU en de ESA.

De EU gaat een steeds belangrijkere rol spelen bij het opzetten van grote projecten zoals het navigatieproject GALILEO en het project GMES.

c. Op industrieel vlak

De Europese industrie is in volle herstructurering. Vroeger waren er 7 grote opdrachtgevers. Nu is dat aantal teruggebracht tot 3 (Alcatel, Astrium, Alenia) en zeer binnenkort waarschijnlijk tot 2.

Via een doorgedreven verticale integratie kunnen die grote groepen binnenkort alles zelf organiseren, ten koste van de in het bijzonder Belgische uitrustingsleveranciers. Gezien die situatie, moeten de Belgische bedrijven zich specialiseren op hoogtechnologische gebieden.

d. Op wetenschappelijk vlak

Het Europese onderzoeksbeleid heeft als doel « centres of excellence » en onderzoeknetwerken tot stand te brengen. België heeft daartoe al stappen gezet (IUAP ­ Interuniversitaire attractiepolen en TAP ­ Technologische attractiepolen).

Soortgelijke stappen worden ondernomen in het kader van de ruimtevaartactiviteiten om stabiele pools van deskundigen in het leven te roepen waarin de onderzoekscapaciteiten optimaal worden ingepast om actief te kunnen meewerken in de internationale wetenschappelijke kringen.

7. De Belgische ruimtevaartstrategie

Gelet op de belangrijke uitdagingen op ruimtegebied waarvoor Europa staat ­ met name het in rekening nemen van de context van concurrentie en herstructurering waarbinnen de bedrijven zich moeten ontwikkelen ­ spitst België zijn aandacht toe op de volgende strategische punten :

­ het continu steeds meer inpassen van ons wetenschapspotentieel op gebieden betreffende het milieu, de microzwaartekracht, de astrofysica, de biowetenschappen, de stromingsleer, enz.;

­ het versterken van de traditionele kundigheden van het Belgische bedrijfsleven wat ondermeer de toegang tot de ruimte betreft;

­ het deelnemen van ons land aan de ontwikkeling van door de Europese Unie gesteunde onafhankelijke Europese systemen, te weten satellietnavigatie GALILEO en GMES;

­ het uitbouwen van een innoverende Belgische industrie die toegespitst is op speerpunttechnologieën inzake telecommunicatie, informatica en multimedia.

In dit kader moet België een actief en coherent ondersteuningsbeleid blijven voeren met als doel het oprichten en het aanmoedigen van « centres of excellence » op veelbelovende markten enerzijds en het verder werken op gebieden waarop de expertise van de Belgische wetenschappers en bedrijven erkend is anderzijds.

8. Communicatie van ruimtevaart naar de jeugd toe

Naast een technische communicatie voor de Belgische wetenschappelijke en industriële actoren voert de POD'Wetenschapsbeleid'verschillende acties voor de jeugd. Deze concentreren zich rond vier activiteiten :

a. Evenementen

­ Missie Odissea (Frank De Winne) : voor de jeugd en het grote publiek : directe transmissie van de lancering, de docking en de terugkeer;

­ Parabolische vluchten : voor studenten die proeven in microzwaartekracht kunnen uitvoeren;

­ Space for You : tentoonstelling en lezingen.

b. Infrastructuur

­ Euro Space Center in Redu : circuit en stages voor scholen;

­ Planetarium : exposities en evenementen.

c. Publicaties

­ Space Connection;

­ Posters over aardobservatie;

­ CD-ROM.

d. Websites van de EO-DESK

­ http ://telsat.belspo.be

9. Conclusie

Iedereen is ervan overtuigd dat België het ruimtevaartavontuur, waarvan de mooiste bladzijden nog geschreven dienen te worden, niet aan zich mag laten voorbijgaan.

Het Parlement moet derhalve terzake waakzaam blijven en erop toezien dat ons land blijvende inspanningen levert bij de exploratie en de exploitatie van de ruimte.

Een van onze grote koningen, Leopold II, zei : « een land dat aan de zee grenst kan nooit een klein land zijn ». Vertaald naar vandaag kan men dan ook zeggen : « een land dat toegang heeft tot de ruimte is een land met toekomst ».

III. BESPREKING

1. Concentratie van de industrie op Europees niveau

Mevrouw Simonne Creyf, lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, vraagt toelichting bij de toenemende concentratie van de Europese ruimtevaartindustrie van 7 tot 3 en binnenkort zelfs nog maar 2 grote industriële actoren.

De heer Hugo Vandenberghe, senator, benadrukt in deze context dat de concurrentie op Europees niveau behouden moet blijven. De rol en het belang van de Belgische industrie hierin moet bestendigd worden.

De minister antwoordt dat de tendens die vandaag aan de gang is op Europees niveau en die meer en meer leidt tot een ver doorgedreven verticale integratie, tot gevolg kan hebben dat deze grote groepen geen beroep meer moeten doen op externe bedrijven voor knowhow aangezien zij alles zelf in de eigen schoot kunnen ontwikkelen.

Het is dan ook van het uiterste belang dat men in België streeft naar een heroriëntering van de Belgische ondernemingen en een verdere specialisering zodat zij als niche-spelers kunnen worden geïntegreerd in dit hertekende industriële landschap. Verder is het inderdaad zo dat concurrentie op Europees niveau een goede garantie is om vooruitgang in deze sector mogelijk te maken.

2. Belang van wetenschappelijk onderzoek

De heer Hugo Vandenberghe, Senator, stelt dat het hier irrelevant is om te spreken van het nut van wetenschappelijk onderzoek. Dit is immers niet te meten, aangezien vooruitgang vaak afhangt van toeval. Wetenschappelijk onderzoek is niet enkel levensnoodzakelijk, het geeft een meerwaarde voor de economie. Een voorbeeld als Beieren toont duidelijk aan dat succes verzekerd is wanneer fundamenteel onderzoek en economie samengaan.

De minister is het hiermee eens, maar wijst er toch op dat onderzoek vandaag de dag meer dan ooit geleid is. Toeval is nog belangrijk maar speelt een minder grote rol. Van groter belang zijn de beschikbare middelen en infrastructuur. Dat is dan ook hetgeen dat door de overheid gewaarborgd moet blijven worden. Zodoende krijgen de wetenschappers voldoende ademruimte om zich volledig bezig te houden met onderzoek.

3. Rol van fundamenteel onderzoek voor bedrijven

De heer Luc Willems, Senator, is van oordeel dat ruimtevaart een ideale hefboom is voor de ontginning van één van de enige grondstof die België rijk is, en dat is kennis en hersenen. Vraag is echter of economisch het klimaat er is om dit ook in de toekomst te waarborgen. Indien de Belgische bedrijven willen blijven meespelen in deze sector, zijn de nodige maatregelen nodig om onder andere het aanwezige risicokapitaal optimaal te benutten.

De minister is het hiermee eens, maar benadrukt dat de Belgische bedrijven nog steeds een vooraanstaande rol spelen op ruimtevaartgebied. Er wordt aan fundamenteel onderzoek van een hoog niveau gedaan, en er is het nodige risicokapitaal aanwezig.

Wel is het zo dat er onderzocht moet worden waarom deze bedrijven in België blijven. De ervaring heeft geleerd dat hiervoor geen universele verklaring te vinden is. Verschillende factoren spelen een rol. Voor de ene is de nabijheid van een centrum van fundamenteel onderzoek van groot belang. Anderen kijken naar de loonkost voor wetenschappers, enz. De Belgische regering heeft in dit opzicht trouwens beslist om fundamenteel onderzoek binnen het bedrijf te stimuleren door onder andere de bedrijfsvoorheffing op de lonen van deze onderzoekers te herzien.

Onrustwekkend is wel de vaststelling dat de beschikbaarheid van risicokapitaal in België en Europa daalt. Daarenboven worden deze middelen meestal gebruikt voor « management buy-outs », hetgeen sneller tot resultaten zou leiden. Er zijn dan ook in België reeds maatregelen genomen om startkapitaal makkelijker toegankelijk te maken. Maar er zullen nog meer ­ vooral fiscale ­ maatregelen genomen moeten worden om het onderzoeksklimaat in België te optimaliseren.

De heer Luc Willems, Senator, verwijst naar Scandinavië waar men er, ondanks de ligging aan de rand van Europa, toch in slaagt om de industrie en het onderzoek in eigen land te houden en mee te lopen aan de kop van de spitstechnologische ontwikkeling. Dit lijken dan ook goede voorbeelden te zijn van industrieën die zich verder kunnen ontwikkelen zonder dat er een directe return is.

De minister merkt op dat er een groot verschil is, aangezien het hier vooral gaat om direct bruikbare technologie. De return is er dus wel vrij snel. Daarenboven hebben deze industrieën in het recente verleden wel serieuze problemen gehad.

Men mag echter niet te pessimistisch zijn. De ruimtevaartindustrie in België doet het op dit ogenblik goed. Maar men moet waakzaam blijven. Zo moet men het onderwijs in België; dat van een zeer hoog niveau is, blijven stimuleren zodat deze kan dienen als aantrekkingspool voor verder wetenschappelijk onderzoek en industrie.

Tenslotte zijn de investeringen van België in ruimtevaart via het principe van de « Juste Retour » in ESA goed besteed. Maar men doet dit blijven opvolgen om deze return te blijven waarborgen en zelfs vergroten.

4. Samenwerking tussen de verschillende Belgische politieke niveaus inzake ruimtevaart

De heer Théo Pirard, Wallonie Espace, informeert naar de rol van de regio's inzake het Belgische ruimtevaartbeleid. De Europese Commissie heeft immers recent gezegd dat de samenwerking tussen de Europese regio's inzake onderzoek gepromoot moet worden.

De minister antwoordt dat de regio's weliswaar de volheid van bevoegdheden hebben, maar dat ruimtevaart expliciet een federale materie is gebleven. Het spreekt echter voor zich dat een samenwerking tussen alle Belgische politieke niveaus alleen maar voordelen heeft.

Een eerste stap is trouwens een drietal maanden geleden genomen toen de bevoegde ministers een informele vergadering hadden met Commissaris Busquin. Bedoeling was om te zien hoe een begin van samenwerking en uitwisseling van informatie kon worden georganiseerd. Beslist is om een Expertengroep van hoog niveau onder voorzitterschap van Professor Luc Soette (Universiteit Maastricht) samen te roepen om de nodige adviezen te verstrekken.

Deze samenwerking is trouwens ook belangrijk om de 3 %-norm van Lissabon te halen. Ruimtevaart speelt een belangrijke rol in de vervulling van dit streefdoel. België staat vandaag op 2,1 %. Een samenwerking tussen de regio's kan dit percentage gevoelig doen stijgen.

5. Europese bemande ruimtevaart

De heer Roland Gueubel, Professor, vraagt naar het Belgische standpunt inzake de organisatie van een autonome Europese bemande ruimtevaart. In de context van een toenemende drang naar Europese internationale autonomie en de terughoudendheid van de Verenigde Staten in verband met hun ruimteveerprogramma, lijkt een dergelijke Europese politiek erg belangrijk voor de Europese economische ontwikkeling en strategische onafhankelijkheid.

De minister merkt op dat er in het recente verleden bedenkingen zijn gerezen aangaande het nut van het organiseren van Europese bemande ruimtevaartvluchten, zeker in het licht van de huidige economische situatie. België is echter steeds voorstander gebleven van de ontwikkeling van een dergelijke politiek in een Europees kader.

Mevrouw Simonne Creyf, Lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, stelt zich de vraag wat concreet de meerwaarde is van bemande ruimtevaart ten opzichte van onbemande ruimtevaart.

De minister antwoordt dat een concrete meerwaarde onder andere ligt in het feit dat er door de mens in de ruimte menselijk medisch onderzoek kan worden verricht, hetgeen met een robot onmogelijk is. Daarenboven is exploratie een karaktertrek die eigen is aan de mens. Deze eigenheid mag dan ook niet worden verloochend.

De heer Frank De Winne, astronaut ESA, stelt dat het ene complementair is aan het andere. Sommige missies kunnen het best door mensen worden uitgevoerd, andere door machines. Daarenboven zijn onbemande missies vaak belangrijk om een bemande missie voor te bereiden. Denken we maar aan de huidige missies naar Mars.

De discussie rond bemande ruimtevaart moet trouwens in een breder maarschappelijk kader worden gezien. Er zijn ontegensprekelijk emotionele voordelen, zoals de exploratiedrang van de mensheid, de Europese integratie op velerlei gebied en dus ook op ruimtevaartvlak, het samenhorigheidsgevoel en het natiegevoel van een regio of land, enz.

Verder is bemande ruimtevaart een uiterst belangrijk middel om de jeugd te mobiliseren voor wetenschap en techniek en hen eventueel te verleiden naar een wetenschappelijke studierichting. Tenslotte is er het onderzoek naar de mens zelf die enkel door mensen kan worden gevoerd.

De evaluatie tussen bemande en onbemande ruimtevaart moet dus worden gemaakt op basis van meer dan louter objectieve criteria. Subjectieve criteria zijn talrijk en minstens even belangrijk.

Le président-rapporteur,
François ROELANTS du VIVIER.