3-510/1 | 3-510/1 |
10 FEBRUARI 2004
De wet van 30 april 1996 houdend sociale bepalingen heeft artikel 211 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gewijzigd. Ze heeft verkiezingen ingevoerd voor de aanwijzing van vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren (en andere medische beroepen) in de organen van het RIZIV.
Aan de Koning werd opgedragen de voorwaarden vast te leggen waaraan beroepsorganisaties van geneesheren moeten voldoen om als representatief te worden erkend en de verhouding te bepalen tussen de algemeen geneeskundigen en de geneesheren-specialisten.
Ter uitvoering daarvan bepaalt het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot vaststelling van de regels voor de medische verkiezingen, dat een beroepsvereniging om aan de verkiezingen te kunnen deelnemen :
1. statutair de verdediging van de beroepsbelangen van zowel de algemeen geneeskundigen als de geneesheren-specialisten tot hoofddoel moet hebben;
2. zich statutair moet richten tot de geneesheren van ten minste twee gewesten;
3. statutair van de aangesloten geneesheren jaarbijdragen moet innen waarvan het minimum is vastgelegd;
4. twee jaar voor de verkiezingen reeds aan die voorwaarden moet voldoen.
Daarnaast moet de beroepsorganisatie door minstens duizend geneesheren worden voorgedragen.
Het koninklijk besluit laat ook kartelvorming toe, zodat beroepsorganisaties die niet aan alle voorwaarden voldoen een overeenkomst kunnen sluiten met een andere beroepsorganisatie.
De Raad van State opperde bedenkingen bij de uitsluiting van beroepsorganisaties die uitsluitend de beroepsbelangen van één categorie van geneesheren verdedigen of die zich uitsluitend tot de geneesheren van één gewest richten. Daarom verduidelijkt het verslag aan de Koning de motieven die ten grondslag liggen aan die uitsluiting. Met name moest de pluridisciplinariteit vermijden « dat men geconfronteerd wordt met een fragmentarisatie van de vertegenwoordiging van het geneesherenkorps, met alle gevolgen vandien, zoals bijvoorbeeld de belemmering van de goede werking van de RIZIV-organen door beperkende, partiële of sub-corporatistische benaderingen ... » en « garanderen dat de problemen van de gezondheidszorgverzekering in hun geheel en op een globale manier benaderd worden en dat de consensus tussen beide categorieën van geneesheren nagestreefd wordt in de schoot van de betrokken organisaties, vooraleer genoemde problemen worden aangesneden in de RIZIV-organen » (Belgisch Staatsblad van 11 september 1997, blz. 23479).
Het is duidelijk dat die doelstelling helemaal niet is bereikt.
Zo zijn er steeds meer dossiers waarin huisartsen en specialisten andere belangen, andere keuzes en andere prioriteiten verdedigen. De huisartsen voelen zich vaak in de kou gezet. Dat heeft mee aanleiding gegeven tot de groeiende malaise de voorbij jaren. De toenmalige minister van Sociale Zaken, Frank Vandenbroucke, gaf, op 16 januari 2002, in zijn antwoord op een vraag van indienster toe dat die malaise « inderdaad te maken heeft met een gebrek aan aandacht voor de huisartsengeneeskunde in het klassieke medicomut-kader ». (CRIV 50COM630, blz. 12).
Ook dokter Van de Meulebroeke schreef op 28 februari 2002 in zijn toekomstplan voor de huisartsgeneeskunde : « in de enorme bedragen die voorzien worden voor de ziekenhuizen en voor de technische geneeskunde dreigt het aandeel dat voorzien is voor de huisartsenbelangen te verdrinken in de verschillende overlegorganen. Zeer veel huisartsen en verenigingen van huisartsen vinden hun belangen niet optimaal verdedigd in de huidige setting ... ».
Het is zeker een stap vooruit dat de vertegenwoordigers van de artsen sinds 1998 om de vier jaar op een democratische manier volgens het systeem van de evenredige vertegenwoordiging worden aangewezen. Toch menen indieners dat bovenvermelde vaststellingen noodzaken tot een aanpassing van de wetgeving om de verkiesbaarheid van monodisciplinaire beroepsorganisaties mogelijk te maken. Zij nemen daarbij de criteria over van het wetsvoorstel van 21 december 1995 (stuk Kamer, nr. 344/1 1995/1996) en het amendement op het toenmalige wetsontwerp houdende sociale bepalingen (stuk Kamer, nr. 352/22 1995/1996). Immers, tien jaar geleden reeds vroegen het Vlaams huisartsenparlement en de organisatie van huisartsenkringen in Vlaanderen dat monodisciplinaire syndicaten zouden worden toegelaten tot de verkiezingen.
Er dient op gewezen dat de Raad van State in zijn advies over het ontwerp van bovenvermelde wet ook stelde dat de delegatie aan de Koning te ruim was. Dit wetsvoorstel komt door de inschrijving van de criteria in de wet alsnog tegemoet aan die kritiek.
De Koning heeft trouwens voor de verdeling van de mandaten in de RIZIV-organen een duidelijk onderscheid gemaakt tussen algemeen geneeskundigen en geneesheren-specialisten door de verdeling vast te leggen van de aan elke groep voorbehouden plaatsen.
Ook de voorwaarde dat organisaties zich moeten richten tot geneesheren van minstens twee gewesten heeft de voorbije jaren haar doel gemist. Immers, de reden daarvoor was volgens het verslag aan de Koning « het nationaal karakter van de verzekering voor geneeskundige verzorging » en het feit dat « een consensus tussen eventuele gewestelijke stromingen reeds uitgewerkt is nog voor de beroepsorganisaties een standpunt innemen in de RIZIV-organen. Belangrijk daarbij is dat de andere actoren in die organen ook nationaal functioneren. Deze vereiste is dus redelijk en verantwoord vermits ze bijdraagt tot het realiseren van een uniforme toepassing van de wetgeving inzake de gezondheidszorgverzekering in heel het land » (Belgisch Staatsblad van 11 september 1997, blz. 23479). Het staat vast dat die uniforme toepassing van de wetgeving, ondanks de opgelegde bepaling, vandaag nog steeds geen feit is.
Daarom willen indieners dat ook beroepsorganisaties die zich slechts tot één taalgroep richten aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Dat sluit beter aan bij de huidige bevoegdheidverdeling en biedt de beroepsorganisaties de kans hun belangen te verdedigen, zowel op het niveau van de gemeenschappen als op het federale niveau.
| Annemie VAN de CASTEELE. Jacques GERMEAUX. Patrik VANKRUNKELSVEN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 211, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichten verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) in het eerste lid worden het woord « modaliteiten » vervangen door de woorden « nadere regels »;
B) het derde lid wordt vervangen door de volgende leden :
« Om als representatief te worden erkend, moeten de beroepsorganisaties van geneesheren voldoen aan de volgende voorwaarden :
1º de verdediging van de beroepsbelangen van geneesheren-specialisten, van algemeen geneeskundigen of van beide disciplines tot hoofddoel hebben;
2º zich statutair richten tot de geneesheren van de Vlaamse, de Franse of beide gemeenschappen;
3º een door de Koning bepaald minimaal aantal leden tellen, die beantwoorden aan de door Hem gestelde voorwaarden.
De Koning stelt de nadere regels vast volgens welke de als representatief erkende beroepsorganisaties aan de verkiezingen kunnen deelnemen.
Hij bepaalt voor elk orgaan de verhouding tussen de algemeen geneeskundigen en de geneesheren-specialisten, rekening houdend met de opdracht van dat orgaan. »
Art. 3
Het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot vaststelling van de regels voor de medische verkiezingen, als bedoeld in artikel 211, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt opgeheven.
20 november 2003.
| Annemie VAN de CASTEELE. Jacques GERMEAUX. Patrik VANKRUNKELSVEN. |