(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
In 1995 hebben de Europese Unie en Israël een samenwerkingsakkoord gesloten dat erop gericht is het stelsel van vrijhandel tussen de twee partijen te versterken. Dat akkoord bepaalt dat de industriële producten die afkomstig zijn van het Israëlische grondgebied door geen enkel douanerecht zullen worden getroffen en dat de landbouwproducten een geleidelijke liberalisering moeten meemaken. Israël exporteert in het kader van dat akkoord producten van nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden en laat ze frauduleus genieten van het voorkeursdouanetarief dat voorbehouden is voor producten die afkomstig zijn van het Israëlische grondgebied.
De Europese Commissie heeft op 4 september 2003 verklaard dat ze « de nodige maatregelen heeft genomen » om die illegale praktijk te voorkomen. Nochtans heeft Paul Nielson, de Europese commissaris voor Ontwikkeling, eraan herinnerd dat « het aan de douaneautoriteiten van de lidstaten is om de herkomst van de ingevoerde producten te controleren ».
Ondanks de maatregelen die door de Belgische regering in het verleden werden genomen, worden er vandaag de dag nog steeds heel wat producten die afkomstig zijn van de nederzettingen in onze supermarkten onder het label « Made in Israel » verkocht.
Welke bijkomende maatregelen is België van plan te nemen om de invoer van die producten tegen te houden ?
Antwoord : Er bestaat onenigheid tussen de Europese Gemeenschap en Israël over het territoriaal kader van het associatie-akkoord dat beide partijen hebben gesloten. Israël is ten onrechte van mening dat de goederen van oorsprong uit de Palestijnse bezette gebieden deel uitmaken van het akkoord. Dit in de eerste plaats « politiek » probleem valt hoofdzakelijk onder de bevoegheid van Buitenlandse Zaken.
Niettemin hebben de Lidstaten op praktisch en technisch vlak bepaalde maatregelen getroffen om de communautaire belangen te beschermen en de handelaars te informeren. In België worden die maatregelen toegepast door de FOD Financiën aan wie de FOD Economie het beheer van de problematiek « preferentiële oorsprong » heeft toevertrouwd.
De Lidstaten beschikken momenteel over een lijst van ondernemingen die in de bezette gebieden gevestigd zijn evenals over een beschrijvende lijst van de goederen die bekendstaan als van oorsprong uit diezelfde gebieden. Op basis van die niet-exhaustieve lijsten en van de informatie uitgewisseld tussen de Lidstaten houden de nationale douane-autoriteiten de goederen in het oog die de Gemeenschap binnenkomen en worden aangegeven als van oorsprong uit Israël. Bij gegronde twijfel wordt er een controle-aanvraag a posteriori verstuurd naar de overheden die het certificaat inzake goederenverkeer EUR 1 hebben afgegeven dat bij de goederen is gevoegd en worden er garanties gevraagd aan de invoerders.
De preferentiële regeling steunt op de administratieve samenwerking tussen de uitvoerende landen. Wanneer een uitvoerend land dat onder de regeling valt, niet meewerkt of binnen de opgelegde termijnen geen afdoende antwoord verstrekt op een controle-aanvraag a posteriori verliest het betwiste bewijs van oorsprong, éénmaal alle reglementaire mogelijkheden zijn benut, zijn waarde en kan het invoerend land het voordeel van de preferentiële behandeling weigeren aan de invoerder. Hij kan dan het bedrag in aanmerking nemen dat overeenstemt met de douaneschuld ontstaan ingevolge die weigering, overeenkomstig de artikelen 217 tot 220 van de communautair douanewetboek en het artikel 248 van zijn toepassingsbepalingen.
De handelaars werden op de hoogte gebracht van de problemen voortvloeiend uit een verschillende interpretatie van het associatieakkoord EU-Israël. Een advies bestemd voor de invoerders betreffende de invoer van Israël in de Gemeenschap, werd gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen C 328 vanaf 23 november 2001.
Label « made in »
Het label « made in » verwijst naar de niet-preferentiële oorsprong. De wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument verbiedt dat de consument op een dwaalspoor wordt gebracht inzonderheid wat betreft de niet-preferentiële oorsprong van een goed. Wanneer de douane-autoriteiten vaststellen dat er onjuiste vermeldingen werden aangebracht op bepaalde goederen, worden die « geblokkeerd » bij het douanekantoor en wordt de FOD Economie verwittigd. In overleg met de FOD Financiën neemt de FOD Economie de beslissing om ofwel de goederen terug te sturen naar hun land van herkomst, ofwel de invoerder te verplichten de onjuiste vermeldingen te verwijderen. Deze laatste dient dan te wachten op het bezoek van de ambtenaren van de FOD Controle en Bemiddeling, die de wijzigingen vaststellen alvorens de betwiste goederen op de markt worden gebracht. De douane blijft uiteraard vrij om de inbreuk te bestraffen met een boete.
Het praktisch beheer van het associatie-akkoord EU-Israël situeert zich op het communautair vlak. De lidstaten verenigd in het Comité van het douanewetboek, sectie oorsprong, coördineren hun positie en samen met de Europese Commissie werken ze gemeenschappelijke strategieën uit. Onze douane-instanties passen de communautaire wetgeving toe.
België is één van de meest nauwgezette lidstaten wat betreft het gebruik van het label « made in ». De voornoemde wet verschaft een juridische basis voor de terzake uitgevoerde controles en genomen maatregelen.