3-355/1

3-355/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

20 NOVEMBER 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 14 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij om de toepassingssfeer ervan uit te breiden tot ongewenste communicatie

(Ingediend door de heren Philippe Mahoux en Jean-François Istasse)


TOELICHTING


Inleiding

Reclame maakt deel uit van onze leefwereld maar is soms te opdringerig en dat is vooral het geval met de reclame die op het internet verschijnt in de vorm van de zogenaamde pop-upvensters.

Wanneer men bepaalde sites bezoekt, wordt men vaak overspoeld door onverwachte reclamevensters. Die ongewenste communicatie vergt van de gebruiker een enorme volharding en geduld. Als men de vensters sluit, gaan ze vaak meermaals gewoon weer open.

Pop-ups veroorzaken niet alleen tijdverlies en ongemak, zij verbruiken ook verbindingseenheden, wat het surfen voor de gebruiker vertraagt.

Om deze soms rampzalige toestand te verhelpen, heeft men getracht een kader te bieden voor deze nieuwe vormen van communicatie met de richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie van 12 juli 2002, en dan vooral met de eerste paragraaf van artikel 13. De Europese Commissie heeft ook geantwoord op een parlementaire vraag over deze problematiek.

Antwoord van de Europese Commissie (schriftelijke vraag E-3392/02)

Hoewel deze reclamevensters gelijkenissen vertonen met de elektronische post, meent de commissie dat de definitie van elektronische post in de reeds genoemde richtlijn enkel betrekking heeft op berichten die kunnen worden opgeslagen in eindapparatuur (harddisk) tot de geadresseerde ze ophaalt.

Berichten die pas op het scherm verschijnen als de geadresseerde online is, en die daarna weer verdwijnen, vallen niet onder de definitie van elektronische post.

Volgens de commissie legt deze richtlijn geen voorafgaande toestemming (opt-in) op voor deze berichten (eerste paragraaf van artikel 13), maar staat zij de lidstaten toe te kiezen tussen voorafgaande toestemming (opt-in) en verzet (opt-out) (paragraaf 3 van artikel 13).

De commissie stelt dus een keuze voor tussen twee oplossingen om het fenomeen van de ongewenste reclamevensters te bestrijden.

Volgens de commissie kan het initiatief ofwel uitgaan van de gebruikers die met de nodige informatie in staat moeten zijn om het opduiken van die communicatie op een efficiënte manier te voorkomen, ofwel van de lidstaten die strengere eisen kunnen opleggen met betrekking tot de voorafgaande toestemming (opt-in).

De gebruikers kunnen voorkomen dat die berichten hun eindapparatuur binnendringen door het Windows « messenger » programma uit te schakelen of door « killer pop-up »-programma's te gebruiken. Die oplossingen, die het initiatief overlaten aan de gebruikers, houden er evenwel geen rekening mee dat niet alle elektronische berichten reclame bevatten.

Sommige berichten kunnen erg nuttig zijn voor het surfen : het gaat dan bijvoorbeeld om het invoeren van een paswoord op de homepage van een site of het invullen van een formulierveld.

Oplossingen die het initiatief overlaten aan particulieren kunnen het gebruik van het internet afremmen. De toegang tot bepaalde diensten wordt immers afgeblokt hetzij doordat alle informatie aan een terminal wordt onthouden, hetzij door het gebruik van filterprogamma's die geen onderscheid maken tussen reclameberichten en berichten met een utilitair of informatief doel.

Parlementair initiatief

Volgens considerans 40 van de richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie dienen aan abonnees waarborgen te worden geboden tegen inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer door ongewenste communicatie voor doeleinden van direct marketing.

Die ongewenste commerciële communicatie kan betrekkelijk gemakkelijk en goedkoop worden verzonden maar kan een belasting en/of kosten met zich meebrengen voor de ontvanger.

Soms kan het volume van die communicatie moeilijkheden opleveren voor de elektronische communicatienetwerken en de eindapparatuur. Wat de ongewenste communicatie voor direct marketing betreft, is het gerechtvaardigd dat de ontvangers eerst uitdrukkelijk toestemming moeten geven vooraleer die communicatie tot hen wordt gericht (opt-in systeem).

Met de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij heeft de wetgever in zekere zin gezorgd voor de invoering van richtlijn 2002/58/EG in de Belgische rechtsorde.

Artikel 14 van die wet zet de eerste paragraaf van artikel 13 van richtlijn 2202/58/02 om in Belgisch recht. Zoals de commissie echter in haar antwoord op de reeds genoemde schriftelijke vraag terecht heeft onderstreept, is het concept elektronische post als bedoeld in de richtlijn, en dus ook in de omzettingswet, niet van toepassing op ongewenste communicatie in de vorm van pop-ups.

In haar antwoord heeft de commissie laten verstaan dat dit probleem weliswaar niet expliciet geregeld wordt in de richtlijn, maar dat de lidstaten de gepaste maatregelen moeten nemen opdat ongewenste communicatie met het oog op direct marketing zonder kosten voor de abonnee verboden wordt in de andere gevallen dan die bedoeld in de paragrafen 1 en 2.

Om dat doel te bereiken hebben de lidstaten de keuze tussen een opt-in en een opt-out-systeem.

Het opt-in-systeem verbiedt het verzenden van reclameberichten wanneer de bestemmeling daarvoor niet vooraf zijn toestemming heeft gegeven.

Het opt-out-systeem staat de vrije verzending van reclameberichten toe behalve wanneer de bestemmeling zich daartegen heeft verzet op een daartoe op nationaal of internationaal niveau ingerichte lijst.

In het wetsvoorstel wordt het opt-in-systeem van artikel 14 van de wet van 11 maart 2003 behouden maar de werkingssfeer ervan wordt uitgebreid.

Met communicatie wordt in de richtlijn alle informatie bedoeld die wordt uitgewisseld of overgebracht tussen een eindig aantal partijen door middel van een openbare elektronische communicatiedienst.

Zo gedefinieerd, lijkt het concept ongewenste communicatie ruimer dan dat van elektronische post waarvan sprake is in de eerste paragraaf van artikel 13 van dezelfde richtlijn.

Hoewel ze niet onder de definitie van elektronische post uit de Belgische wet vallen, kan men ervan uitgaan dat ongewenste popups ­ berichten in de vorm van tekst, spraak, geluid of beeld verzonden over een openbaar communicatienetwerk, die niet in het netwerk of de eindapparatuur kunnen worden opgeslagen totdat de ontvanger ze ophaalt ­ wel onder de definitie van ongewenste communicatie vallen.

Om de bescherming te maximaliseren, moet de werkingssfeer van artikel 14 worden uitgebreid en het concept « elektronische post » vervangen door het concept « communicatie ».

Daarom strekt dit voorstel ertoe het concept « elektronische post » te vervangen door een definitie van het concept « communicatie », zodat het betrekking heeft op alle berichten, ongeacht de vorm en de voorwaarden van verzending.

Wat de vorm betreft, kan het gaan om een tekst, spraak, geluids- of beeldbericht.

Wat de voorwaarden betreft waaronder het bericht de bestemmeling bereikt, zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat het bericht niet meer noodzakelijk moet worden opgeslagen in het netwerk of in de eindapparatuur totdat de ontvanger het ophaalt.

Philippe MAHOUX.
Jean-François ISTASSE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 2 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij wordt een punt 2ºbis ingevoegd, luidende :

« 2ºbis communicatie : informatie die wordt uitgewisseld of overgebracht tussen een eindig aantal partijen door middel van een openbare elektronische communicatiedienst, ongeacht de vorm die ze aanneemt of de manier waarop ze de bestemmeling bereikt ».

Art. 3

In artikel 14 van dezelfde wet worden de woorden « van elektronische post », « per elektronische post » en « via elektronische post » respectievelijk vervangen door de woorden « van communicatie », « in de vorm van communicatie » en « door middel van communicatie ».

Art. 4

In artikel 26, § 3, van dezelfde wet, worden de woorden « per elektronische post » vervangen door de woorden « in de vorm van communicatie ».

Art. 5

Deze wet treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

22 oktober 2003.

Philippe MAHOUX.
Jean-François ISTASSE.