3-8

3-8

Belgische Senaat

Handelingen

DINSDAG 29 JULI 2003 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (Stuk 3-89)

Voortzetting van de algemene bespreking

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Een paar dagen geleden las ik in de krant dat ik, volgens leden van de SP.A-Spiritfractie, als pacifist liever tegen deze wet zou stemmen. Ik wil in alle duidelijkheid zeggen dat ik als federalist en als pacifist helemaal geen probleem heb om deze wet goed te keuren.

Als federalist vind ik het evident dat een materie die aansluit bij het economisch leven van een bepaald gewest wordt geregionaliseerd. Wapenhandel is een economische bedrijvigheid. Economie behoort tot de gewesten. Het dossier betreft ook de buitenlandse handel die tijdens de vorige zittijd werd geregionaliseerd. Men kan dus niet tegen deze wet zijn omwille van de materie.

Men zegt dat men als pacifist moeite kan hebben met deze wet. Onder meer de heer Lionel Vandenberghe zegt dat. Ik vind dat een teken van misprijzen tegenover het Waalse volk. Waarom zouden de Waalse kiezer en het Waalse Parlement minder in staat zijn om de uitvoerende macht te controleren?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik zal daarover tussenbeide komen. De heer Vankrunkelsven is blijkbaar slecht geïnformeerd.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Ik ben me bewust van het gevaar van de uitvoer van kleinere wapens. Die wapens blijven niet altijd in die landen waarheen ze worden uitgevoerd. Ik vraag mijn Franstalige collega's dan ook aandacht te hebben voor dit moeilijke punt. Tientallen conflicten in de wereld worden uitgevochten met wapens die worden doorverkocht door landen waarnaar ze op een officiële manier werden uitgevoerd. Ik ben echter federalist en, net zoals voor ontwikkelingssamenwerking, heb ik vertrouwen dat de Franstaligen, evenwel met andere inzichten, op een correcte manier deze materie kunnen aanpakken. Ik wens geen schoonmoeder te spelen van de mensen aan de andere kant van de taalgrens.

(Onderbreking van de heer Van Hauthem)

In 1991 is de VU uit de regering gestapt. Het ging toen om een gelijkaardig conflict over wapenuitvoer. Men had toen ook een configuratie voorgesteld waarbij de bevoegde ministers uit de federale regering die tot een bepaald gewest behoorden, de wapenuitvoer onder hun bevoegdheid zouden krijgen.

De VU is toen niet uit de regering gestapt omwille van een de facto regionalisering, maar wel omdat de derde fase van de staatshervorming, met onder meer de rechtstreekse verkiezing van het Vlaams Parlement, niet kon worden uitgevoerd. Voor de VU was het onaanvaardbaar dat een fase die in het regeerakkoord was opgenomen, na meer dan drie jaar nog altijd niet was uitgevoerd, maar dat omwille van een probleem dat vooral de Franstaligen aanbelangde, plots een bepaalde materie kon worden gefederaliseerd.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - De Volksunie kon inderdaad niet aanvaarden dat de wapenuitvoer zou worden geregionaliseerd, zonder dat de derde fase er was. Nu stemt u in met wat u in 1991 geweigerd hebt, namelijk de eenzijdige regionalisering van een materie zonder dat de rest van uw verzuchtingen gerealiseerd worden. De situatie is net dezelfde. U gaat straks de wet op de regionalisering van de wapenuitvoer goedkeuren zonder dat u enige garantie hebt voor wat dan ook.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - U geeft me volledig gelijk. Ik heb alleen willen aantonen dat ik als oprecht federalist en pacifist het volledige vertrouwen heb dat eens deze wet is geregionaliseerd, ook de Waalse oppositie de goede uitvoering van deze wet correct kan controleren. Ik geef toe dat ik me net als de heer Van den Brande had kunnen voorstellen dat men daaraan tijdens de onderhandelingen iets had kunnen koppelen. De vraag komt vooral uit Franstalige hoek.

Hoewel er een de facto regionalisering was en de heer Michel het Nepaldossier niet aan de ministerraad had moeten voorleggen, gaan we nu een stapje verder. We moeten toegeven dat deze wet niet veel om het lijf heeft en dat we ons als Vlaming niet al te gefrustreerd hoeven te voelen. Ik hoop echter wel dat daardoor binnen het forum een zekere goodwill wordt gecreëerd en dat er een grondige bespreking komt tussen de twee gemeenschappen en de drie gewesten over een meer realistische bevoegdheidsverdeling.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Ik heb waardering voor de standpunten van de heer Vankrunkelsven, die meent wat hij zegt. Via een officieel communiqué, verspreid door MR en VLD, heb ik begrepen dat beide partijen vanaf vandaag de koppen bij elkaar steken om na te gaan wat er mogelijk na 2004 zou kunnen worden besproken. Dit strookt dus niet met de bewering van de fractieleider van de VLD dat de dialoog nog dit jaar op gang zou worden gebracht. Ik kan me moeilijk inbeelden dat de heer Vankrunkelsven zich in deze nieuwe afspraak van het gemeenschappelijke communiqué kan vinden. Dit toont duidelijk aan dat de mensen werden misleid en zelfs voor een deel werden bedrogen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Mijn ja-stem is helemaal niet voorwaardelijk. De inhoud van het communiqué is trouwens helemaal niet in tegenspraak met wat de heer Dewael vóór de verkiezingen zei. Hij besefte ook dat met de regionale verkiezingen in het uitzicht een grondig gesprek over een staatshervorming onmogelijk is. Dit communiqué sluit dus aan bij de idee dat na de regionale verkiezingen over een staatshervorming zal worden gesproken. Wie belet MR en VLD om samen na te denken over dossiers die ze mogelijk op tafel zullen leggen?

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Voormalig Vlaams minister-president Dewael heeft in het Vlaams Parlement namens de Vlaamse regering herhaaldelijk gezegd dat ten laatste tussen 2003 en het einde van de regionale regeerperiode zou worden onderhandeld over de maatregelen die in het Vlaamse regeerakkoord waren verworven.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Ik kan mij niet uitspreken over wat de minister-president in het Vlaams Parlement heeft gezegd. De VLD wil een positieve dialoog voeren met MR en heel de Franstalige gemeenschap teneinde na te gaan hoe we de bevoegdheden in dit land op een betere wijze kunnen verdelen en organiseren.

Ik hoop dat dit onderdeel van de wet een aanzet kan zijn tot meer en dat de respectieve parlementen in eer en geweten en op een strenge wijze toezicht zullen houden op de wijze waarop de wet zal worden toegepast.

Mme Christine Defraigne (MR). - Ce projet répond à une double nécessité. Il s'agit d'abord d'assurer une meilleure homogénéité des compétences puisque, actuellement, des compétences en matière économique ainsi qu'en matière de politique des débouchés et d'exportation sont déjà exercées au niveau régional. Je crois que l'octroi des licences concernées par le projet est incontestablement une matière économique, d'ailleurs non négligeable si on en juge par les chiffres puisque le commerce en question génère pour l'ensemble du pays un chiffre d'affaires estimé entre 1 et 1,5 milliard d'euros.

Ce projet traduit aussi un souci louable d'apaisement politique. En effet, si ma mémoire est bonne, un gouvernement Maertens a chuté sur cette question à l'automne 1991 ; un important marché économique fut perdu en mai 2000 lorsque le Mexique, lassé des hésitations belges, annula ses commandes à la FN de Herstal ; enfin, Mme Aelvoet a laissé son poste de ministre en août 2002 lors de la discussion des ventes d'armes au Népal.

Ce projet est simple dans sa formulation ; je souhaiterais résumer ses caractéristiques essentielles en cinq points. Comme je l'ai dit, ce matin, lors de la discussion de l'autre projet, ce projet ne représente pas une victoire d'une communauté sur une autre. Certes, ce sont souvent, sinon toujours, les licences demandées par des entreprises wallonnes qui ont fait l'objet de difficultés et se sont heurtées à des refus ou à des conditions rendant le marché difficile, entre autres à cause du fait que les discussions s'étalaient au grand jour. Mais c'est l'image de la Belgique tout entière qui en a pâti, c'est l'ensemble du pays qui est apparu sous un jour négatif auprès des pays tiers concernés par les licences en question et qui ont pu dès lors revoir les conditions de leur commerce avec la Belgique.

Les chiffres révèlent par ailleurs que, dans le commerce de l'armement, la Flandre est, elle aussi, largement concernée, selon l'article publié, hier, dans Le Soir. Le nombre de licences accordées à des entreprises du nord du pays a, selon l'expression utilisée par une certaine presse, littéralement explosé, subissant une augmentation de 33% en volume et de 50% en valeur, pour près de 460 millions d'euros. Ce projet ne porte pas préjudice, au contraire. L'économie, tant au sud qu'au nord du pays, en bénéficiera. Et j'avoue ne pas très bien comprendre la connotation communautaire que l'on a voulu y donner. Cela me paraît inutile et superflu. Ce jeu va à l'encontre de nos propres intérêts.

Je rappelle un deuxième élément : le pouvoir fédéral conserve ses compétences dans les domaines les plus sensibles. Le projet réserve en effet au seul pouvoir fédéral la compétence relative aux licences d'exportation, d'importation ou de transit concernant l'armée et la police.

Troisième élément : le commerce des armes est évidemment une activité susceptible d'engendrer des suspicions sur le plan éthique. Je me réjouis que ces considérations éthiques aient été abordées en commission et qu'elles aient été incorporées dans le projet. Le code de bonne conduite européen a fait l'objet d'une interprétation technique et juridique. Dès lors que le code de bonne conduite était intégré dans la loi de 1991, laquelle a été modifiée dans les circonstances que l'on sait en avril 2003, il avait acquis en droit belge une force contraignante qu'il n'a pas par lui-même. La crainte était, pour certains, que les régions, désormais autonomes en la matière, ne modifient cette législation de référence par voie décrétale et ne suppriment la référence au code européen de bonne conduite. Le gouvernement a manifesté clairement son souci de préserver les considérations éthiques qui avaient prévalu lors de la modification de la loi de 1991 en avril dernier et l'amendement a été accepté.

M. René Thissen (CDH). - Qui a déposé cet amendement, madame Defraigne ?

Mme Christine Defraigne (MR). - Je me tourne vers M. Brotcorne en le regardant avec les yeux de Chimène, mais je le dis.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). - C'est plus élégant !

Mme Christine Defraigne (MR). - L'amendement de M. Brotcorne a été accepté et le vice-premier ministre a clairement dit que l'on avait tenu compte de son souci et de sa préoccupation ; je m'en réjouis. Je suppose que c'est également votre cas et que la suite nous montrera à quel point vous êtes satisfait de l'adoption de cet amendement. Sur ce point, les régions ne pourront donc pas utiliser pleinement leur autonomie décrétale au mépris des considérations éthiques.

Quatrième élément : l'existence d'une union économique implique la libre circulation des marchandises entre les diverses composantes institutionnelles de l'État. La licence accordée par une région a la même valeur que celle accordée aujourd'hui par le pouvoir fédéral. La seule licence accordée par une région doit permettre l'importation, l'exportation ou le transit sur l'ensemble du territoire. La mise en application pratique de ces principes découle d'ailleurs également du principe de loyauté fédérale.

Enfin, dernier élément, conformément à l'avis du Conseil d'État, aucune disposition constitutionnelle ne requiert le maintien de l'ensemble des aspects des relations internationales du pays à la seule autorité fédérale. La question de la cohérence internationale n'est donc pas mise en cause par la régionalisation aujourd'hui envisagée. Il existe d'autres exemples que celui que nous vivons aujourd'hui. Les régions devront, dans le cadre de leurs compétences, prouver cette autonomie qui se conciliera avec les considérations d'ordre éthique, de loyauté fédérale et de cohérence internationale.

Les cinq éléments que j'ai rappelés étant des considérations positives pour les deux communautés, le groupe MR votera donc ce projet.