3-137/5 | 3-137/5 |
30 JULI 2003
Evocatieprocedure
De commissie voor de Justitie heeft de artikelen 33 en 34 van het ontwerp van programmawet onderzocht tijdens haar vergaderingen van 24 en 30 juli 2003, in tegenwoordigheid van de minister van Justitie.
De artikelen 33 en 34 van het ontwerp van programmawet hebben tot doel een bepaling van de wet van 16 juli 2002 te herzien. Deze wet heeft onder meer de artikelen 21 en 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering gewijzigd.
Artikel 21 vermeldt de verjaringstermijnen en de wet van 16 juli 2002 bepaalt in artikel 2 :
een termijn van vijftien jaar voor misdaden die niet in een wanbedrijf kunnen worden omgezet;
een termijn van één jaar ingeval een wanbedrijf wordt omgezet in een overtreding.
Die wijzigingen waren met name gemotiveerd door het gevaar dat de rechtsvordering met betrekking tot het eerste belangrijke misdrijf van de bende van Nijvel zou kunnen verjaren.
Die bepalingen met betrekking tot artikel 21 zijn in werking getreden op 5 september 2002.
Het oude artikel 24 dat door de wet van 11 december 1998 in het Wetboek van strafvordering is ingevoerd (de « Securitaswet ») gaf de gevallen aan van schorsing van de verjaring.
De grond voor de schorsing, die bestond uit de inschrijving voor de inleidende terechtzetting, bracht verschillende problemen mee en de berekening van de verjaringstermijnen was voor sommige dossiers bijzonder complex.
Daarom werd overeengekomen de « Securitaswet » te herzien en zich meer te richten naar de jurisprudentie van het Hof van Cassatie.
Voor alles wat de opheffing van de schorsing van de verjaring betreft had men een termijn van twaalf maanden vastgelegd om de dossiers in orde te brengen.
Sommige hoven van beroep hebben daarover echter de minister aangesproken om erop te wijzen dat bepaalde dossiers definitief zouden kunnen verjaren. Onder die dossiers kwamen onder meer zaken van mensenhandel voor, van BTW-carrousels en van verdovende middelen.
Daarom wordt voorgesteld dat de nieuwe wetgeving van 2002 met betrekking tot het doel van de schorsingsgrond slechts van toepassing zou ziijn voor feiten die vanaf 1 september 2003 zijn gepleegd.
Aldus worden als voorzorgsmaatregel alle lopende dossiers in stand gehouden, die overigens niet alleen betrekking hebben op misdaden die niet in een wanbedrijf kunnen worden omgezet.
Mevrouw Nyssens stelt vast dat de wetgeving inzake de verjaring zelden of nooit gecoördineerd is.
Vaak worden de wettelijke bepalingen terzake opgenomen in een programmawet en zijn zij bedoeld om praktische problemen op te lossen.
De minister heeft uitgelegd dat het probleem met name was dat er uiteenlopende opvattingen bestonden over het feit of de vorige wet al dan niet meteen van toepassing was.
De rechtspraak hierover loopt ook uiteen en het Hof van Cassatie heeft zich nog niet over de kwestie uitgesproken.
Spreekster vraagt of de bepalingen van het ontwerp opnieuw bedoeld zijn voor welbepaalde dossiers, dan wel of zij de knoop willen doorhakken over een discussiepunt.
Sommige griffies lijken in ieder geval al de dossiers te hebben uitgezocht die op 1 september 2003 verjaren.
Veel mensen pleiten voor de toepassing van het gemeen recht op deze materie, dus voor de onmiddellijke toepassing van de bepaling. Daardoor zouden op 1 september 2003 heel wat dossiers verjaren.
Met de voorgestelde bepalingen wenst de wetgever de toepassing van dat gemeen recht te voorkomen.
De minister antwoordt dat het inderdaad niet raadzaam is de wetgeving in verschillende etappes door te voeren, en dat het probleem van de verjaring in zijn geheel moet worden bestudeerd.
De bepalingen in het ontwerp zijn niet op maat van een bepaald dossier opgesteld.
Er zijn wel een aantal voorbeelddossiers, maar het probleem is eigenlijk van algemene aard : de onmiddellijke toepassing van de wet op de aan de gang zijnde dossiers zou risico's inhouden.
Sommige hoven van beroep, zoals het hof van beroep van Luik, hebben de nodige maatregelen getroffen naar aanleiding van de wet van 16 juli 2002, maar anderen zijn daar niet in geslaagd.
Volgens mevrouw Defraigne is iedereen het erover eens dat het vrijwaren van de niet-afgehandelde dossiers van het grootste belang is, maar het is wel erg storend dat er telkens als zich een probleem voordoet, slechts een ad hoc wetgeving wordt gemaakt.
De berekening van de verjaring is in sommige dossiers inderdaad erg ingewikkeld.
De minister heeft terecht opgemerkt dat een algemene en diepgaande bezinning zich opdrong.
Ook de verjaring bij burgerlijke zaken zal besproken moeten worden.
Spreekster benadrukt dat de bepalingen niet alleen zijn ingegeven door het streven naar rechtszekerheid, maar dat ook de werking van parketten en van de rechterlijke orde aan de kaak wordt gesteld en om een oplossing vraagt.
Spreekster is ervan overtuigd dat de verjaringswetten volgens het gemeen recht meteen van toepassing zijn.
De heer Coveliers wijst erop dat het in strafzaken de regel is dat de voor de beklaagde meest gunstige wet wordt toegepast.
De vraag is of de strafwet niet strenger wordt als de verjaringstermijn wordt gewijzigd.
Bovendien moet worden verwezen naar de redenen waarom de verjaring in ons systeem bestaat. Er zijn systemen, bijvoorbeeld het Angelsaksisch recht, waarin de verjaring niet bestaat, mar ook het verstek niet.
De reden waarom de verjaring bestaat, was dat het na een bepaalde termijn sociaal niet meer billijk was een persoon nog te vervolgen.
Voor bepaalde soorten daden lijkt dit echter niet te gelden.
Spreker kan akkoord gaan met de voorgestelde wijziging, maar benadrukt da volgens hem de kern van het probleem eigenlijk de werkwijze is van degenen die vervolgen.
Het huidige systeem van de onderzoeksrechter moet dringend worden herzien, aangezien het vaak leidt tot dubbel werk, tijdverlies en het doorschuiven van het dossier tussen de onderzoeksrechter en het parket.
Dossiers met rechtstreekse dagvaarding verjaren zelden.
Volgens de heer Zenner is de verduidelijking die de voorgestelde artikelen verschaffen, erg nuttig.
Het komt hem voor dat er de jongste tijd uitsluitend voor een verlenging van de verjaring wordt gepleit, niet alleen in de rechtsleer en in de parlementaire voorbereiding, maar ook in de rechtspraak, met name in Frankrijk.
Spreker meent dat een al te manifest a priori moet worden vermeden.
De verjaring heeft ontegensprekelijk een maatschappelijke functie en is noodzakelijk om de rechten van de verdediging te waarborgen.
De verlenging van 3 tot 5 jaar die doorgevoerd is bij de bespreking van de antiwitwaswetgeving van 1991, heeft echter als averechts effect dat bepaalde onderzoeken langer duren omdat ervan uitgegaan wordt dat er toch voldoende tijd is.
Hier wordt aangevoerd dat sommige grote zaken dreigen te verjaren om de algemene principes te herzien.
Spreker besluit dat lange verjaringstermijnen niet altijd een goede zaak zijn.
De heer Mahoux wijst erop dat iedereen recht heeft op een billijk proces en dat de redelijke termijn waarbinnen vonnissen en arresten geveld worden, een van de aspecten van die billijkheid is.
Anderzijds leidt het uitspelen van de verjaringsprocedure er soms toe dat de maatschappij haar rechten niet kan doen gelden.
Er moet dus een evenwichtige oplossing worden gevonden.
De verduidelijking die de voorgestelde bepalingen inhouden, lijkt zeer redelijk.
Mevrouw Nyssens vraagt of de toepassing van deze bepalingen in sommige dossiers niet zal botsen met de regel van de redelijke termijn.
De minister antwoordt dat dit in extreme gevallen inderdaad tot een termijn van 30 jaar zou kunnen leiden als op de laatste dag van de oorspronkelijke termijn een opschortende handeling wordt uitgevoerd.
De heer Coveliers wijst erop dat er een fundamenteel verschil bestaat in de toepassing van de regel van de redelijke termijn en van de verjaring.
In het tweede geval vervalt de strafvordering. In het eerste geval daarentegen kan de rechter de beklaagde nog schuldig verklaren en kan de benadeelde persoon zich op die verklaring baseren om een vergoeding te eisen.
De heer Vandenberghe vindt ook dat een algemeen debat nodig is over de verjaring en het verband met de regel van de redelijke termijn.
De verjaring in burgerlijke zaken en het onderscheid in dat verband tussen zakelijke en persoonlijke vorderingen moet ook worden onderzocht.
Het probleem is dat besprekingen over de verjaring altijd met spoed moeten verlopen naar aanleiding van een crisissituatie.
Het resultaat daarvan zijn opeenvolgende wetswijzigingen die de zaken nog ingewikkelder maken.
Spreker wil weten waar de voorgestelde wijziging precies toe dient.
Toen de heer Wathelet minister van Justitie was, is de verjaringstermijn voor wanbedrijven opgetrokken van 3 jaar tot 5 jaar.
In de rechtspraak is dan een controverse ontstaan over de vraag of die regel retroactieve werking had.
Zij die meenden dat de nieuwe regel enkel moest worden toegepast op feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan, vonden dat een totale termijn van 3 jaar plus 5 jaar (en niet 5 jaar plus 5 jaar) gold als op de laatste dag van de eerste termijn van 3 jaar een daad van stuiting plaatsvond.
Het Hof van Cassatie heeft die interpretaite niet gevolgd en geoordeeld dat de termijn 5 jaar bedroeg vanaf de datum van het misdrijf.
Voor niet-correctionaliseerbare misdaden voorziet de wet in een verjaringstermijn van 15 jaar (in plaats van 10 jaar).
Als men de jurisprudentie van het Hof van Cassatie over de vroegere verjaringstermijn volgt, is de wet van 2002 van toepassing op misdrijven gepleegd voor juli 2002.
Spreker begrijpt niet welk probleem men wil regelen met de voorliggende bepalingen.
De minister herinnert eraan dat het niet alleen gaat om niet-correctionaliseerbare misdaden. De schorsingsgronden hebben een algemene werkingsfeer.
Het parket van het hof van beroep van Gent worstelt bijvoorbeeld met een heel ingewikkeld dossier van een dertigtal liassen over een omvangrijke fraude in de vleessector, die gepaard gaat met witwaspraktijken en gesjoemel met subsidies. Omdat het om een correctionaliseerbare misdaad gaat, geldt een verjaringstermijn van 10 jaar (tweemaal 5 jaar).
Het dossier dateert uit 1994 en kan dus in 2004 definitief verjaren.
De huidige regeling inzake schorsingsmaatregelen is gunstiger voor het parket, maar het systeem van de wet van 2002 is gunstiger voor de beklaagde.
Daarom vraagt het parket dat voor dit dossier, en voor andere, de oude wet zou blijven gelden.
De heer Chevalier hoopt dat men niet, zoals in het verleden, een wet gaat goekeuren voor elk probleem waarmee het parket geconfronteerd wordt.
De parketten zijn soms niet behoorlijk georganiseerd. Vele magistraten zijn gedetacheerd naar ambten die niets te maken hebben met hun kerntaak, die er niet alleen in bestaat de belangen van de maatschappij te verdedigen maar ook en vooral de rechten van individuen te beschermen.
De minister antwoordt dat de parketten inderdaad ook georganiseerd moeten worden op basis van de beslissingen van de wetgever.
Zoals gezegd, is dat in sommige parketten al gebeurd.
Hier is er nood aan een dialoog met het College van procureurs-generaal.
Nu moet eerste worden gezorgd voor de vrijwaring van dossiers die eerlang gaan verjaren.
De artikelen 33 en 34 van het ontwerp van programmawet, alsook de bepalingen in hun geheel, worden aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Dit verslag is goedgekeurd bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
| De rapporteur, Jean-François ISTASSE. |
De voorzitter, Hugo VANDENBERGHE. |