3-7 | 3-7 |
De heer Paul Wille (VLD), rapporteur. - De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat heeft het voorliggende ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in twee vergaderingen behandeld.
De inleidende uiteenzetting door vice-eerste minister Michel verduidelijkte waarom de regering ertoe besloten heeft de bevoegdheid over te dragen inzake de in-, uit- en doorvoervergunningen voor wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik en voor ordehandhaving dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie en ten slotte voor producten van tweeërlei gebruik. Hij verwees naar het KB van 8 maart 1993, gewijzigd door het KB van 2 april 2003 en, wat de producten van tweeërlei gebruik betreft, naar de verordening 1334/2000 van de Raad van de EU van 22 juni, gewijzigd door diverse latere bepalingen.
Collega Van den Brande situeerde het ontwerp ten overstaan van het aangekondigde forum en had kritiek op de snelheid waarmee dit ontwerp wordt behandeld. Hij was van mening dat het ontwerp ruimer moet worden besproken en diende daartoe een aantal amendementen in. Collega's Van Hauthem, Moureaux en Guilbert namen hieromtrent uiteenlopende houdingen aan. Tevens werd verwezen naar een aantal opmerkingen in het advies van de Raad van State.
M. Brotcorne et Mme de Bethune s'étonnent de la nouvelle initiative, prise peu de temps après la publication au Moniteur Belge, le 7 juillet 2003, de la loi datée du 26 mars 2003. Le groupe CD&V dépose plusieurs amendements concernant la répartition des compétences en tant que telles.
Mme Crombé intervient en faveur du projet de loi spéciale, qui a le mérite d'augmenter la cohérence sur le plan institutionnel et qui ramènera la sérénité dans les débats à l'échelon fédéral ; il ne causera aucun préjudice aux citoyens et rendra plus clair le partage des compétences entre l'État fédéral et les entités fédérées.
Le vice-premier ministre Michel répond en détail aux questions posées ; il précise le devoir qu'ont les Régions de respecter les règles internationales, notamment le Code de conduite de l'Union européenne et la liste de biens et de technologies à contrôler, fixées par cette même Union.
De artikelsgewijze bespreking begon met een ruime uiteenzetting over de ontvankelijkheid. Enkele amendementen van mevrouw de Bethune en de heer Van den Brande beoogden immers titel IV van de Grondwet voor herziening vatbaar te verklaren en stelden een wijziging van het Kieswetboek voor.
De amendementen van de heer Van den Brande strekken ertoe om via een wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ook andere aangelegenheden te regionaliseren. Op basis van artikel 59.1, tweede lid, laatste zin, en van artikel 56.2 van het Reglement van de Senaat verklaarde de commissievoorzitter deze amendementen onontvankelijk. Ook na verdere discussie werd hierover geen consensus bereikt. De voorzitter besloot dan alleen de amendementen 10 tot 14 van de heer Van den Brande en consorten ontvankelijk te verklaren. Collega Van den Brande liet akteren dat hij hiermee niet eens was.
Vervolgens werd overgegaan tot de discussie over de artikelen en de amendementen. Artikel 1 werd zonder discussie aangenomen met 11 stemmen bij 3 onthoudingen.
En ce qui concerne l'article 2, plusieurs collègues sont intervenus sur le Code de conduite de l'Union européenne et sur l'applicabilité de ses principes aux Régions après le transfert de compétences.
Le vice-premier ministre constate qu'il existe une certaine confusion entre le Code de conduite européen, qui n'est pas contraignant, et les principes et critères dudit code, rendus contraignants à la suite des modifications apportées, en mars 2003, à la loi du 5 août 1991, et qu'il faudrait plutôt renvoyer au respect des principes et des critères du Code de conduite européen, qui sont de facto contraignants pour les Régions concernées, aussi longtemps qu'elles ne modifient pas la loi du 5 août 1991.
À la fin de ce que j'estime être du bon travail parlementaire, M. Brotcorne retire son premier amendement et le remplace par un nouvel amendement - numéro 9 - visant à compléter l'article 6, paragraphe 1er, VI, premier alinéa, 4º, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles proposé par les mots « et dans le respect des critères définis par le Code de conduite de l'Union européenne en matière d'exportation d'armements ». Il est approuvé par treize voix et quatre abstentions.
Les autres amendements sont rejetés par douze voix contre quatre. L'article 2 ainsi amendé est adopté par douze voix contre quatre et une abstention.
De commissie besloot om in artikel 3 een tekstcorrectie aan te brengen door tussen de woorden "et de matériel" en "à un usage militaire" de woorden "devant servir spécialement" in te voegen. Andere amendementen tot schrapping van dit artikel en tot instelling van een ethische commissie werden verworpen met 12 stemmen tegen 4. Het artikel werd met 12 stemmen tegen 4 en bij 1 onthouding aangenomen.
De amendementen die de invoeging van nieuwe artikelen beoogden, werden allemaal verworpen. Het ontwerp van bijzondere wet werd na amendering en correctie aanvaard met 12 stemmen tegen 4 bij 1 onthouding.
Bij de lezing van het verslag hebben enkele senatoren verder aangedrongen op een verdere explicitering van de opmerkingen van twee collega's.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Onze collega's van de VLD hebben doorheen de jaren standvastig altijd dezelfde lijn aangehouden. Ik herinner me de interviews van februari 1998 waarin de heer Verhofstadt uit de staat trad. Hij verklaarde toen dat alles moest worden veranderd en alles aan de deelstaten moest worden toegewezen. Onbezonnen praat van de heer Verhofstadt was dat en het is dus goed dat er nog evenwichtige mensen zijn die redelijke voorstellen doen over het toewijzen van verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan de verschillende bevoegdheidsniveaus.
Ik wil kort enkele zaken op een rijtje zetten en daarna zal ook collega de Bethune spreken. Minister Michel heeft gedaan wat de vorige regering niet kon: snel en efficiënt optreden. Vier jaar lang werd daarover wel gesproken, maar nu heeft de minister het gedaan. Tegen de gemaakte afspraken wordt het Overlegcomité de nieuwe basis van dialoog tussen de gemeenschappen. Zoals ik al in de commissie zei, wordt wat de wet voorschrijft, nu als een belangrijk nieuw element naar voren geschoven: het Overlegcomité zal elke maand vergaderen. Dat is de grote doorbraak! De minister heeft ook een forum aangekondigd en de ministers-presidenten zullen het overleg starten op 3 september. Onze fractie heeft grote vragen bij die aanpak van de regering en ik verwijs hiervoor ook naar mijn uiteenzetting over de regeringsverklaring. Op het ogenblik echter dat de minister een forum aankondigt om de grote problemen, conflicten, fricties tussen de twee gemeenschappen op te lossen - een betwistbaar middel, maar elke periode heeft zo haar methodes - anticipeert hij en haalt hij uit het koud buffet - een echte feestmaaltijd is het niet - dat zo mooi op tafel werd geëtaleerd, een stuk weg. Waarom werd niet gewacht op het forum om de regionalisering van de wapenexport te regelen? Volgens de recente verklaringen van de minister komt dat omdat daarover onmiddellijk een akkoord was tussen alle partijen die aan de regeringsonderhandelingen deelnamen. Dat klinkt verrassend. Van de Franstalige fracties kan ik dat heel goed begrijpen, maar niet van iemand als de heer Dewael, die volgens de methode-Houdini van de ene kist naar de ander wordt versast zonder dat het publiek goed weet hoe hij wordt weggegoocheld.
Alle Vlaamse fracties hadden dure eden gezworen en waren verbonden door de resoluties van het Vlaams Parlement. Het inzicht was gegroeid dat bepaalde bevoegdheden beter naar de deelstaten zouden gaan en dat de verantwoordelijkheden van onderuit moesten worden opgebouwd. Dat is eigenlijk de burgerdemocratie, maar dan op het niveau van een gemeenschap. Mijnheer Lionel Vandenberghe, ik herinner me levendig de momenten waarop u, uitwaaierend over de vlakte, zei dat het nodig was zelf verantwoordelijkheid te dragen voor bepaalde zaken. Zeg nu eens eerlijk - dat kunnen we hier onder mekaar rustig doen - wat we nu bespreken, kan toch uw goedkeuring niet wegdragen?
Bij de totstandkoming van de resoluties in het Vlaams Parlement was er, behoudens de financiering van de gezondheidszorg, unanimiteit tussen alle Vlaamse fracties om belangrijke stappen te zetten in de staatshervorming. De Vlaamse socialisten met wie we samen een coalitie vormden, zijn hun afspraken van toen vandaag vergeten.
Bij de VLD is het merkwaardig dat degenen die uit de staat wilden treden, herintreders zijn geworden. Gelouterd door hun ervaringen om een coalitie bij elkaar te houden, hebben ze nu gedacht dat voor hen principes, engagementen, het gegeven woord niet meer van belang waren. De leugen regeert op het vlak van wat we gemeenschappelijk hadden opgezet om te komen tot een realistische, een verantwoorde en een betere ordening van de staat.
Mijnheer de minister, u bent een wonder man. Als overtuigd Europeaan bent u groot voorstander van de Conventie en doet u afstand van de Intergouvernementele Conferentie om tot besluiten te komen. In België gaat u gewoon de weg op van een intergouvernementele Belgische conferentie en laat u het uitsluitend aan de uitvoerende macht over om, in het kader van het overlegcomité en het forum, beslissingen te nemen.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Mijnheer Van den Brande, u veronderstelt blijkbaar dat in het forum alleen de uitvoerende macht zal vertegenwoordigd zijn.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Lees het regeerakkoord.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Dat staat er niet in.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - In het regeerakkoord staan drie zaken: het overlegcomité is dé instantie waar de dialoog zal plaatsvinden. Bij uitbreiding zal een forum opgericht worden in het kader van het overlegcomité.
M. Philippe Mahoux (PS). - Permettez-moi d'intervenir dans une discussion à laquelle nous ne semblons pas conviés. J'ai l'impression en effet que vous vous adressez de manière exclusive à une partie de l'assemblée.
M. Luc Van den Brande (CD&V). - Non, non !
M. Philippe Mahoux (PS). - Si j'ai bien lu, il existe tout de même une certaine nuance entre la concertation et le forum. Et puisque vous établissez une comparaison à l'échelon européen, je dirai que le forum ressemble à une démarche de type « convention » tandis que les structures de concertation à ce que vous qualifiez « d'intergouvernemental ».
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Mijnheer Mahoux, ik zie dat ongeduld u drijft om zo snel mogelijk de regionalisering van de wapenexport goed te keuren. Uiteraard belangt dit debat alle fracties aan.
Volgens het regeerakkoord wordt het overlegcomité de instantie waar de problemen een oplossing krijgen. Het overlegcomité zal elke maand samenkomen, zoals al was overeengekomen bij de totstandkoming van de wet van 1995. Nog volgens het regeerakkoord zal in het kader van het overlegcomité een forum worden opgericht. In een tekst van twee dagen vóór het definitieve regeerakkoord stond bovendien vermeld dat dat forum zou worden "aangevuld door de voorzitters". Die woorden staan niet meer in de definitieve tekst. De regering had het blijkbaar zelfs wat moeilijk met pottenkijkers.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Om welke voorzitters ging het? De voorzitters van de Kamer en Senaat?
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Dat zou een mogelijkheid zijn geweest, maar die woorden zijn weggevallen. We staan deze keer niet voor de junta van de partijvoorzitters, maar voor de junta van enkele ministers met zeggingskracht. Dit ontwerp geeft duidelijk aan dat er geen rekening wordt gehouden met de redelijke vraag naar een beter bestuur, een bestuur van onderuit, in plaats van een centralistisch bestuur.
Ik haalde in de commissie het voorbeeld van Europa aan, waar men heeft begrepen dat het geen zin heeft om dezelfde maatregelen te nemen van Finland over Denemarken tot Sicilië, maar dat het erop aankomt een kader te scheppen waarbinnen het beleid van onderuit werkzaam is. Dat geldt ook voor het werkgelegenheidsbeleid.
Et cela vous concerne assurément, monsieur Mahoux.
Als de bevoegdheid voor het werkgelegenheidsbeleid in het belang van de mensen volledig aan het Vlaamse en het Waalse gewest, aan beide deelstaten, wordt overgedragen, dan zullen er volgens analyses in Wallonië 80.000 werklozen minder zijn. Wij moeten dus goed nadenken alvorens dit ontwerp goed te keuren. Wij hebben een aantal vragen bij de consistentie van dit ontwerp.
De Raad van State heeft geadviseerd het ontwerp grondig aan te passen, maar dat is niet gebeurd. De minister heeft enkele luttele antwoorden gegeven in een zeer beknopte inleiding. Voor hem en de Franstalige partijen komt het er uiteindelijk op aan om dit ontwerp zo snel mogelijk goed te keuren.
Wat doet hij met een wapentransport waarvoor het Waals gewest een uitvoervergunning heeft verleend, maar waarvoor het Vlaams gewest een transitvergunning moet verlenen opdat het transport via de Vlaamse havens kan gebeuren? Zullen wij dan op dezelfde verontwaardiging stuiten als bij de Amerikaanse wapentransporten naar Irak? Zal het ¡No pasarán! klinken in onze Vlaamse havens? Een vergunning die door één deelstaat wordt verleend, is niet automatisch bindend voor de andere. Hoe kan dit probleem binnen het bestek van dit ontwerp een consistente oplossing krijgen?
Mevrouw de Bethune zal ingaan op de vredespolitiek. Hoe zal conflictpreventie met brute wapenverkoop worden gerijmd? Niemand weet overigens welke weg wapens afleggen die aan een bepaalde regering of staat worden verkocht. De eindbestemming is immers nooit met zekerheid bekend. Om die reden zullen wij tegen dit ontwerp stemmen.
Sommige bevoegdheden moeten weliswaar naar de deelstaten worden overgeheveld om een krachtig beleid van onderuit te kunnen voeren, maar wij vinden het niet alleen niet ernstig, maar evenmin begrijpelijk dat de Vlaamse meerderheidsfracties au préalable akkoord gaan. Op twee domeinen wordt onmiddellijk ingegaan op Franstalige eisen. Deze vergadering toont het aan.
L'histoire se répète. De vorige zittingperiode werd als bij donderslag ingezet met de financiering van het Franstalig onderwijs. Vandaag gebeurt net hetzelfde op twee domeinen. Op termijn is dit niet houdbaar.
Van de afspraak in het Vlaamse regeerakkoord van 1999 om eindelijk hetzelfde standpunt te verdedigen op het Vlaamse en op het federale niveau zie ik niets terechtkomen. Ik stel alleen de machtsgeile flexibiliteit van de premier en van andere Vlaamse ministers vast. Gedekt door hun partij, steken zij beide handen omhoog op hun congres, maar op 11 juli kondigen zij aan dat nu de tijd is aangebroken om een aantal vragen te stellen.
Ik ben er niet op uit om beide gemeenschappen tegen elkaar op te zetten. Integendeel! Wij moeten echter logisch blijven en uit zorg voor de mensen moeten wij onze bestuurskracht opdrijven. Dit moet niet onder het motto "Wat wij zelf doen, doen wij beter." Ik heb dat overigens nooit gezegd. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat wij moeten bewijzen dat wat wij zelf willen doen, beter kunnen doen. Regionalisme, federalisme of confederalisme, of welke staatsstructuur dan ook, zijn geen doel op zich, maar wel een instrument om een aantal zaken te verwezenlijken.
Ik constateer echter dat we nu wederzijds bedrog aan het plegen zijn. Vlamingen, Walen en Brusselaars hebben recht op een beter, krachtdadiger en meer samenhangend bestuur, dat moet leiden tot een goed nabuurschap. Dat geldt voor alle domeinen: voor werkgelegenheid, gezondheidszorg, mobiliteit, justitie en ontwikkeling van kennis en onderzoek, allemaal essentiële zaken waar de burger dagelijks mee te maken heeft. Om die reden hebben we een reeks amendementen ingediend.
De voorzitter heeft sommige amendementen ontvankelijk verklaard en andere niet en daarom zijn we ervan overtuigd dat het verstandig zou zijn om deze bespreking op te schorten en een echte dialoog tussen de verschillende gemeenschappen op gang te brengen. CD&V vindt dit dus een gemiste kans. Dit ontwerp draagt niet bij tot een beter bestuur, maar betekent veeleer een vrijgeleide voor nog meer.
Ik apprecieer dat bepaalde leden van de meerderheid in de commissie op enkele amendementen zijn ingegaan. Ik weet dat ze dat gedaan hebben met dezelfde doelstelling voor ogen als mijn fractie, namelijk het belang van de burgers van ons land dienen. Ik reken erop dat ze in de plenaire vergadering dezelfde houding zullen aannemen.
Ik wens nog één zaak onder de aandacht te brengen. De voorzitter heeft in de commissie "in alle wijsheid" op een arbitraire wijze beslist om bepaalde amendementen ontvankelijk te verklaren en andere niet. Hij heeft daarvoor onder meer een beroep gedaan op artikel 59 van het Reglement van de Senaat. Hij weet nochtans dat hij als voorzitter niet autonoom kan beslissen over de ontvankelijkheid van een amendement. Het Reglement is daar zeer duidelijk over. Wanneer er twijfel is over de ontvankelijkheid van bepaalde teksten, moet het Bureau van de Senaat worden geraadpleegd. Wij zullen bijgevolg een voorstel tot wijziging van artikel 59 van het Reglement van de Senaat indienen. Wij zijn ervan overtuigd dat dit in het belang is van alle fracties, zowel van de meerderheid als van de oppositie.
Wij zijn erg gehecht aan het grondwettelijk verankerde amenderingsrecht. Het Parlement, zelfs met de huidige bevoegdheidsverdeling tussen beide kamers, moet de echo zijn van wat er in de samenleving leeft. Het moet voorstellen kunnen doen, initiatief kunnen nemen en kunnen controleren aan de hand van interpellaties of vragen. Het amenderingsrecht moet dan ook onverkort gehandhaafd blijven. Het gaat niet op te verklaren dat wijzigingen van een gewone wet in het kader van een bijzondere wet, of omgekeerd, niet mogelijk zijn. De voorzitter weet zeer goed dat een bijzondere wet wel met een bijzondere meerderheid moet worden goedgekeurd, maar dat dit geenszins afbreuk doet aan de rechtskracht van betrokken wet.
Als er discussie bestaat over de ontvankelijkheid van een amendement, moet het amendement volgens ons door de commissievoorzitter of de Senaatsvoorzitter naar het Bureau worden verwezen. Het Bureau moet dan schriftelijk verslag uitbrengen voor de commissie of de plenaire vergadering en zijn beslissing motiveren. De wijziging van artikel 59 is essentieel voor de uitoefening van de parlementaire controle en van het parlementair initiatiefrecht.
Wij kunnen dit ontwerp niet goedkeuren, zowel om inhoudelijke redenen als wegens de incoherentie tussen conflictpreventie en wapenexport. Of deze regering Verhofstadt I dan wel Paars II wordt genoemd, is van weinig belang. Wat in Nederland over paars is geschreven, is overigens betekenisvol: "Paars is heidens, paars blinkt niet, paars is dof." We kunnen moeilijk zeggen dat er met deze regering een doorbraak zal komen op het vlak van verantwoordelijkheidsdeling en goed bestuur. De organisatie van de kruispuntbank van de ondernemingen toont aan dat er van snelheid en efficiëntie geen sprake is. Deze regering baseert haar beleid op een uitsluitend Waalse regionale politiek.
M. Philippe Mahoux (PS). - En premier lieu, je préfère aborder le problème sous l'angle éthique plutôt qu'institutionnel, même si la commission des Affaires institutionnelles a traité ce projet de loi. C'est, en effet, cet aspect qui a alimenté nos âpres discussions à la fin de la législature précédente.
L'exportation des armes vers le Népal a donné lieu à une discussion aussi longue que sérieuse. L'ensemble des points de vue se sont exprimés et il était très important de pouvoir considérer la problématique qui nous est soumise maintenant sous toutes ses facettes, économique et éthique, et de tenir compte, notamment, des règles de conduite qui permettent d'exporter, ou non.
Je préfère donc aborder d'emblée le problème sous l'angle éthique, considérant que si la compétence est renvoyée vers les Régions, il est bien clair - il serait offensant pour chacune des Régions de dire le contraire - que celles-ci seront tenues de respecter les règles éthiques, le respect de ces règles éthiques étant tout aussi important, quel que soit le pouvoir qui prenne la décision.
Dire, comme je l'ai entendu à plusieurs reprises, que, si les Régions étaient responsables en cette matière, les règles éthiques qui devraient présider aux décisions, seraient beaucoup plus légères, est un non-sens et il faut vraiment insister sur ce point.
Ce n'est pas parce que le niveau de pouvoir change que, tout d'un coup, les règles éthiques se modifient fondamentalement. Défendre un tel point de vue est faire offense aux pouvoirs régionaux et nous ne pouvons évidemment pas l'accepter.
Les pouvoirs régionaux se sont d'ailleurs exprimés à ce sujet et ont assuré que si le vote était positif cet après-midi au Sénat et ensuite à la Chambre, leur volonté serait de faire appliquer les règles éthiques acceptées par une large majorité des membres de notre assemblée.
Le second élément que je voudrais souligner est le problème de la cohérence. Il est vrai que quand on transforme un État unitaire en un État fédéral, avec des compétences « défédéralisées » ou « éclatées », des conflits de compétence peuvent survenir. D'où la nécessité d'une concertation entre les exécutifs - je dis bien « concertation » et non « forum », monsieur Van den Brande.
Prenons l'exemple de l'agriculture. Les compétences fédérales en matière agricole sont vraiment résiduaires. Les points de vue que doit défendre notre ministre fédérale de l'Agriculture sont ceux des entités fédérées et la situation est donc plus complexe. De même, il se peut que la régionalisation des compétences en matière d'exportation donne lieu à certaines difficultés. Faisons toutefois confiance aux structures en place. Le fait que le Comité de concertation se réunisse de manière régulière me paraît, à cet égard, tout à fait positif.
(Exclamations sur les bancs du groupe CD&V)
Cette concertation est structurée dans la déclaration gouvernementale et je m'en réjouis. Il y a des styles différents pour assurer le dialogue entre les communautés, monsieur Van den Brande ! Vous avez pris vos responsabilités. Je considère qu'il faut respecter certaines formes pour que ce dialogue puisse avoir lieu, malgré les différences de points de vue. J'ai mémorisé certaines images, monsieur Van den Brande. Je ne vous en veux pas, vous en avez assumé la responsabilité, mais à la limite, effectivement, il y a des coqs et des chiens... Et faire mordre un coq wallon par votre chien, même symboliquement, ce n'est pas admissible.
(Protestations sur les bancs du CD&V))
Cela m'amène à la question des difficultés de cohérence qui risquent de se poser, ces difficultés existant dans tous les secteurs d'un État fédéral et je souhaite évidemment une réelle concertation dans la prise de décisions.
M. Van den Brande a d'ailleurs soulevé un exemple inadéquat. C'est vrai qu'il peut se poser des problèmes qui concernent les deux régions et le fédéral en politique étrangère, mais nous avons la chance d'avoir un ministre des Affaires étrangères qui s'occupe aussi des affaires institutionnelles.
Des problèmes peuvent se poser au niveau des Affaires étrangères, notamment en matière de prévention des conflits. Cependant, les structures mises en place doivent permettre d'aborder ces problèmes de manière positive et réaliste, en tenant compte des impératifs éthiques dont je tiens à rappeler l'importance.
Je ne voudrais pas, à l'égard du président de la commission, qui est aussi le président du Sénat, être en porte-à-faux par rapport à sa décision d'irrecevabilité de certains amendements. Il est clair que l'on ne peut aborder de manière générale toute la problématique institutionnelle, y compris revenir au programme gouvernemental, alors que cela ne concerne pas directement le fonds de la matière dont nous discutons.
Une série d'amendements ne sont pas en rapport avec le projet de loi déposé. En ce qui concerne la proposition de considérer que ce n'est pas seulement le président de la commission qui est compétent pour décider de la recevabilité, notre groupe est particulièrement ouvert. Cela fait plus de vingt ans que cet article du règlement n'a plus été modifié et tout à coup, il pose problème. Il faudrait aborder la problématique du règlement indépendamment du fait d'être dans la majorité ou l'opposition. Réfléchissons donc calmement.
Pour ce qui concerne le problème particulier dont nous discutons, effectivement il y a le forum et les comités de concertation.
Pour le projet en question, pourquoi en discuter maintenant ? Premièrement, parce qu'il existe un accord. Nous verrons si cet accord sera accepté par le Parlement, avec les majorités spéciales requises.
Deuxièmement, parce qu'il faut se souvenir de la discussion intervenue il y a quelques mois, au sujet du problème qui s'est posé à propos du Népal. Sachant que ce problème se pose régulièrement pour tout une série de cas, autant essayer de le régler, si possible anticipativement.
Troisièmement, parce qu'on présente toujours une région comme demanderesse, en cherchant à savoir quelle région est plus fédéraliste que l'autre ; je m'interroge au sujet des interventions relatives au renvoi de compétences vers les entités fédérées, de la part de ceux qui ont défendu ce point de vue pendant un certain temps et qui, par la suite, ne le défendent plus.
En tout cas, je constate que, dans se secteur-là, à en croire les indicateurs économiques, la croissance des exportations devient plus importante dans la partie flamande du pays, par rapport à la partie wallonne ou bruxelloise. Qui, pour un problème de cette nature, pourrait être considéré comme demandeur ?
Il faut poser le problème en termes d'efficacité et d'éthique, en considérant que la décision devrait être prise maintenant parce que l'opportunité se présente, en raison du consensus existant en la matière. Dans quelques heures, nous serons amenés à nous prononcer sur ce texte que notre groupe votera.
M. le président. - Nous poursuivrons nos travaux cet après-midi à 14 h 30.
(La séance est levée à 12 h 30.)