2-1623/1

2-1623/1

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

9 APRIL 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van strafvordering teneinde een tolk te kunnen benoemen voor de burgerlijke partij van een proces over feiten die strafbaar zijn met criminele straffen

(Ingediend door mevrouw Nathalie de T' Serclaes c.s.)


TOELICHTING


In het Belgisch stellig recht bepaalt artikel 332 van het Wetboek van strafvordering dat de beschuldigde en de getuige in een zaak die voor het hof van assisen berecht wordt, door een tolk moeten worden bijgestaan indien zij de taal van de rechtspleging voor dat rechtscollege niet kennen. Niet-naleving van die bepaling leidt tot nietigheid.

Dit voorstel strekt ertoe aan de verplichting om een tolk te benoemen, een gelijklopende mogelijkheid toe te voegen voor de burgerlijke partij die de taal van de rechtspleging voor het hof van assisen niet kent, zodat alle partijen een billijk geding krijgen.

Het strekt er ook toe diezelfde billijkheid te waarborgen bij de onderzoeksgerechten. Artikel 332 beperkt zich immers tot het hof van assisen, dat een feitengerecht is.

Gezien de recente ontwikkelingen van het strafgeding moet het gerecht attent worden gemaakt op de gewettigde verwachtingen van de burgerlijke partijen.

Daarom bepaalt het voorstel dat wanneer voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling de rechtspleging geregeld wordt van een zaak handelend over feiten waarop een criminele straf staat, de burgerlijke partij het recht heeft te vragen door een tolk te worden bijgestaan. De indieners hebben de mogelijkheid verkozen boven de verplichting op straffe van nietigheid, aangezien niet alle burgerlijke partijen bij het proces aanwezig zijn. Het is dus niet nodig overbodige kosten te veroorzaken.

Tevens strekt het voorstel ertoe artikel 333 van het Wetboek van strafvordering betreffende de rechten van de doofstomme beschuldigde voor het hof van assisen te wijzigen. De noodzaak om krachtens dat artikel rekening te houden met de specifieke handicap van de beschuldigde, brengt met zich dat de burgerlijke partij met een soortgelijke handicap op gelijke voet moet worden behandeld.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Artikel 127 handelt over de rechtspleging voor de raadkamer.

De indieners van het voorstel hebben ervoor gekozen het recht op de bijstand van een tolk, waarvan de kosten ten laste komen van de Schatkist, te beperken tot de burgerlijke partijen in criminele zaken.

Dat recht is echter niet gekoppeld aan de vordering van de procureur des Konings. Wanneer deze laatste tot een buitenvervolgingstelling of tot vervolging van de misdaad voor de correctionele rechtbank beslist, kan de burgerlijke partij de hulp van een tolk krijgen, aangezien de wet zegt dat ze die hulp geniet « indien het feit van die aard is dat het strafbaar is met criminele straffen en het aanleiding kan geven tot de toepassing van artikel 133 van het Wetboek van strafvordering ».

Op basis van de vordering van de procureur des Konings kan men niet vooruitlopen op de beslissing die de raadkamer zal nemen. Ze kan immers de buitenvervolgingstelling of de vervolging voor de correctionele rechtbank uitspreken, maar kan ook oordelen dat de zaak onder de bevoegdheid van het hof van assisen valt en ze overeenkomstig artikel 133 van het Wetboek van strafvordering uit handen geven aan de kamer van inbeschuldigingstelling.

Artikel 3

De burgerlijke partij in een zaak betreffende een feit dat strafbaar is met criminele straffen, krijgt hetzelfde recht in het raam van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstellling, of ze nu geadieerd is met toepassing van artikel 133 ­ de raadkamer heeft de zaak uit handen gegeven aan de kamer van inbeschuldigingstelling omdat het gaat om een feit dat strafbaar is met criminele straffen ­ of met de toepassing van artikel 135, § 1, ­ de burgerlijke partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling of van vervolging voor de correctionele rechtbank uitgesproken door de raadkamer. Ook hier loopt men immers niet vooruit op de beslissing die de kamer van inbeschuldigingstelling zal nemen.

Artikel 4

Artikel 332 wordt gewijzigd om een burgerlijke partij van een zaak die door het hof van assisen wordt berecht, de mogelijkheid te bieden de benoeming van een tolk te vragen, wanneer ze de taal van de rechtspleging niet kent.

Artikel 5

Artikel 333 geeft de doofstomme burgerlijke partij het recht zich door een tolk te laten bijstaan, zoals dat het geval is voor de verdachte en de getuige die in een identieke situatie verkeren.

Nathalie de T' SERCLAES.
François ROELANTS du VIVIER.
Jean-Pierre MALMENDIER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 127 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt tussen het zevende en het achtste lid het volgende lid ingevoegd :

« Indien het feit van die aard is dat het strafbaar is met criminele straffen en het aanleiding kan geven tot de toepassing van artikel 133 van het Wetboek van strafvordering, kan de burgerlijke partij die niet dezelfde taal of hetzelfde idioom spreekt als de verdachte of als één van hen, de voorzitter van de raadkamer vragen een tolk de benoemen, die ten minste eenentwintig jaar oud is en die de eed moet afleggen dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken. De kosten voor de tolk komen ten laste van de Schatkist. »

Art. 3

In artikel 223, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 augustus 1920 en gewijzigd bij de wet van 16 februari 1961, worden de woorden « en vragen te worden bijgestaan door een tolk » ingevoegd tussen de woorden « zich laten vertegenwoordigen » en de woorden « met inachtneming van de regels ».

Art. 4

In artikel 332 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juni 2000, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :

« Indien de burgerlijke partij in dezelfde toestand verkeert, kan zij de voorzitter vragen een tolk te benoemen die voldoet aan de voorwaarden waarvan sprake is in het vorige lid. De kosten voor de tolk komen ten laste van de Schatkist. »

Art. 5

Artikel 333 van hetzelfde Wetboek wordt gewijzigd als volgt :

A) Het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Indien de beschuldigde of de burgerlijke partij doofstom zijn en niet kunnen schrijven, benoemt de voorzitter ambtshalve tot hun tolk de persoon die het meest gewoon is met hen om te gaan. »;

B) In het vierde lid worden de woorden « , aan de burgerlijke partij » ingevoegd tussen de woorden « aan de beschuldigde » en de woorden « of de getuige ».

13 maart 2003.

Nathalie de T' SERCLAES.
François ROELANTS du VIVIER.
Jean-Pierre MALMENDIER.