2-1612/1

2-1612/1

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

9 APRIL 2003


Voorstel tot invoeging van een artikel 96bis in het Reglement van de Senaat, betreffende de belangengroepen

(Ingediend door de heer Vincent Van Quickenborne)


TOELICHTING


1. Inleiding

Het gebruik van de term « lobbying » zou teruggaan tot de 19e eeuw. Generaal Grant, achttiende president van de Verenigde Staten van Amerika, zou aan de oorsprong van het woord liggen. Na de brand van het Witte Huis moest de president in een naburig hotel logeren. Naar verluidt zou Grant, wiens militaire reputatie ver boven diens politieke roeping uitstak, hebben geklaagd over het feit dat hij werd bestookt door mensen die hem opwachtten aan de ingang, de fameuze lobby, teneinde hem te beïnvloeden (1), aldus de auteurs Jacqueline Nonon en Michel Clamen.

Anderen stellen dat het woord lobby voortvloeit uit het Hoogduitse woord : « Loumba » wat zou staan voor een plaats dicht bij de macht (2).

Los van deze etymologische discussie is alvast duidelijk dat lobbyen zo oud is als de democratie. Dit blijkt onder meer uit volgende passage : « Zo werd er in de Republiek van Athene, vijf eeuwen voor Christus, bij het uitvaardigen van de principes van een grondwet door Solon in voorzien dat de burgers van de republiek alle mogelijkheden kregen om hun individuele en collectieve belangen te verdedigen. Los van de risico's die het tussenkomen van de burger inhield (verbannen, terdoodveroordeling door populaire rechtbanken, enz.) deed men een beroep op de talenten van de redenaars om bepaalde standpunten te verdedigen. Zo deed men een beroep op Demosthenes om de burgers te overtuigen van de noodzaak om de vloot te versterken, een speciale bewapeningsbelasting in te voeren, ... Demosthenes riep, na enkele jaren te zijn verbannen wegens een financieel schandaal, op tot een opstand tegen de Macedoniërs, hierin gesteund door de meerderheid van de bevolking. De revolte werd verpletterd en Demosthenes vergiftigde zich in de tempel van Poseidon. Ziehier een mediatiek einde van een ongelukkige lobbyist » (3).

Andere voorbeelden zijn onder meer de determinerende invloed van Cicero in de Romeinse republiek op het politieke leven. Zo haalde hijzelf aan dat hij op een bepaald moment bevoegd was voor de bevoorrading van Rome. Het graan was een schaars goed geworden. Hij slaagde er echter in om de prijs van graan op de Romeinse markt te drukken door dit vanuit Sicilië, in grote hoeveelheden tegelijk, te laten verzenden. Nog steeds maakt graan het voorwerp uit van een van de belangrijkste lobby's ter wereld.

Op een enquête omtrent lobbyen in het Britse Parlement van professor Michael Rush van de universiteit van Exeter, stelde een Brits Lagerhuislid het kort en bondig : « Parliament is there to be lobbied ! » (4).

Het zij duidelijk : lobbyen is van alle tijden. De toelichting bij dit voorstel zal vooreerst proberen lobbyen en zijn werking kort te omschrijven, waarna het dieper zal ingaan op de diverse vormen van lobbyen bij het Parlement. Vervolgens zal worden nagegaan in hoeverre de wetgever hierin dient tussen te komen.

2. Het fenomeen lobbyen

Hoe « lobbying » te vertalen ? Het woord heeft nog geen Franse of Nederlandse vertaling. Professor Milbrath omschrijft het begrip als volgt : « Lobbying is the stimulation of a communication, by someone other then a citizen acting on his own behalf, directed to a governmental decision-maker with the hope of influencing his decision. »

Journalist Ludwig Verduyn stelt het als volgt : « België werd al geregeerd door lobbygroepen toen het woord nog moest worden uitgevonden. Alleen heetten ze toen gewoon zuilen : levensbeschouwelijk getinte machtsbastions van politieke partijen, vakbonden, ziekenfondsen, banken, verzekeringsinstellingen, scholen, jeugdbewegingen, naaikringen, zangvereniging en tutti quanti » (5).

De Nederlandse politicoloog Van Schendelen definieert lobbyen als « het informeel pogen gezagsdragers te beïnvloeden » (6). Dit is echter een te vage omschrijving. Immers : de begrippen « informeel » en « formele gezagsdragers » liggen niet vast. Waar de een het schrijven van een brief aan leden van een Kamercommissie formeel noemt, zal een ander het informeel vinden. Hetzelfde kan worden gezegd van het aanbieden van een petitie. Bovendien richt een lobbyist zich ook tot andere mede- of tegenstanders dan alleen binnen de overheid. Zo kunnen opvallende coalities ontstaan, bijvoorbeeld tussen patiëntenverenigingen en het bedrijfsleven.

Door de explosieve stijging van het aantal journalisten en de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, komen beleidsvoornemens steeds vroeger in het nieuws. De toename van het aantal communicatie-adviseurs bij de overheid is hiervoor een aanwijzing. Dit proces noemt men wel eens de mediatisering van de politiek.

Tot voor enkele jaren stond lobbyen in onze contreien bijna gelijk met corruptie. Sedert kort komt hierin verandering, mede onder invloed van de aanwezigheid van de Europese instellingen (7).

Wat telt is niet zozeer de definitie van lobbyen, wel het doel, met name de legitieme politieke belangenbehartiging. Dit kan via verschillende wegen verlopen : informeel, formeel, in het middelpunt van de publiciteit, of juist op de achtergrond. Dit voorstel zal vooral ingaan op het informele deel van de beïnvloeding, wegens het veronderstelde gebrek aan democratische controle.

2.1. Soorten lobby's, een overzicht

Ook in het Belgisch systeem bekleden drukkingsgroepen een belangrijke plaats. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben privé-organisaties van diverse origine zich geleidelijk aan ontwikkeld ­ ondernemingsgroeperingen, financiële organismen, beroepsverenigingen, vakbonden, ziekenfondsen ... ­ alsook vertegenwoordigers van meer particuliere belangen ­ Boerenbond, Bond van grote gezinnen, Vereniging voor de rechten van de mens, Artsen zonder grenzen, ...

Sommige van die groeperingen hebben in de marge van hun netwerk economische activiteiten ontwikkeld en specifieke inkomstenbronnen die hen hebben toegelaten hoofdrolspelers te worden in de economische wereld. Bovendien zetelen deze groeperingen in heel wat adviserende comités die uit zichzelf reeds over een spectaculaire invloed beschikken (8).

2.1.1. Institutionele lobbyisten

De eerste categorie bestaat uit geïnstitutionaliseerde lobbyisten. Dit zijn gerespecteerde maatschappelijke organisaties die haast vanzelfsprekend onderdeel uitmaken van het politieke proces. Ambtenaren en parlementsleden zullen hen regelmatig consulteren. Deze bevoorrechte positie danken deze lobbyisten aan hun grote achterban, hun expertise of de onmisbaarheid van hun organisatie. Voorbeelden zijn de werkgeversorganisaties (VBO, VEV), de syndicale organisaties (zoals het ACW), doch tevens de consumentenverenigingen, de Koning Boudewijnstichting.

Een aantal van deze maatschappelijke lobby's maken deel uit van het formele politieke systeem. Hierbij denken wij onder meer aan de Nationale Arbeidsraad, en de ziekenfondsen : « Hun nabijheid bij de macht is geïnstitutionaliseerd; zo komen zij regelmatig samen met andere actoren (geneesheren, overheid, ...) teneinde het niveau van vergoedingen van medische handelingen te bepalen » (9).

2.1.2. De issue-gebonden lobbyisten

De tweede groep lobbyisten is verreweg het grootst in aantal en bestaat uit tal van bedrijven, beroepsgroepen, brancheorganisaties, patiëntenverenigingen en andere organisaties die zich issue gebonden in het politieke arena begeven, aldus de Nederlandse onderzoekers Van de Haar en Scholten (10). Zij zijn actief als er onderwerpen op de politieke agenda staan die hen direct raken. Bekende voorbeelden zijn de diverse ordes en beroepsverenigingen.

2.1.3. De commerciële lobbyisten

De jongste twintig jaar is er een derde categorie ontstaan. Dit zijn de commerciële adviesbureaus die op basis van uurtarieven organisaties en personen assisteren bij het behartigen van hun politiek belang. Dit kan variëren van eenmanszaken van journalisten, ex-politici, tot public affairs-bureaus met tal van medewerkers en advocatenkantoren. Ook politici die, al dan niet betaald, hun kennis, expertise en contacten aanbieden aan organisaties, rekenen de onderzoekers Van de Haar en Scholten tot deze categorie. Zij stellen hieromtrent :

« De commerciële lobbyist adviseert zijn cliënt over de omgang met politiek-maatschappelijke kansen en bedreigingen. Een professional zal daarbij zelden op de (publicitaire) voorgrond treden en zelf de politieke belangenbehartiging ter harte nemen. Vertegenwoordigers van de betreffende organisatie zelf dienen de lobbyboodschap uit te dragen, opdat de boodschap effectiever en geloofwaardiger overkomt. De commerciële lobbyist doet onderzoek en adviseert over argumentatie, toonzetting, route van belangenbehartiging en inzet van politieke hulpmiddelen. »

Een bijzondere categorie van lobbyisten zijn de ex-militairen die na hun pensionering door defensie-bedrijven in dienst worden genomen omdat zij de wegen kennen die leiden tot contracten (11).

Lobbyist Daniel Guéguen formuleert de rol van een lobbyist als volgt : « Le lobbyist est au contraire indispensable au bon fonctionnement de la démocratie : en bref, son rôle consiste à représenter auprès des décideurs publics les intérêts légitimes d'entreprises, de fédérations professionnelles ou autres groupements. En usant, évidemment, de son influence pour que les décisions ne lèsent pas les intérêts de ses clients » (12).

2.2. De werkzaamheden van de lobbyist

De lobbyist is vooreerst een informatiemakelaar. Hij moet vertrouwd zijn met de politieke en maatschappelijke processen, de procedure, de status van de beleidsvorming en de andere spelers en hun belangen. Monitoring is primordiaal. Vervolgens moet de informatie geanalyseerd en worden aangegeven wat relevant is voor de cliënt. De kansen en potentiële problemen moeten worden geïdentificeerd. De lobbyist dient zich een uitstekend beeld te vormen van de organisatie waarvoor hij werkt. Vervolgens zal de lobbyist een strategie uitstippelen om bepaalde punten onder de aandacht van de politiek te brengen. Belangrijke keuzes zijn : al of niet politieke actie ondernemen, high of low profile acties, ... Op basis van de uitgekozen strategie gaat de lobbyist over tot actie. Dit kan variëren van het schrijven van mails en het versturen van persberichten, het geven van mediatraining en het voorbereiden van gesprekken tot het organiseren van conferenties of het versturen van petities.

3. Analyse van de invloed van lobbyen in de parlementaire werking

Wat betreft het samenspel tussen lobby en parlement is er in België weinig studiewerk verricht. Dit hoofdstuk is dan ook hoofdzakelijk gebaseerd op studies uit Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, alsook Canada en de Verenigde Staten.

Reeds in 1986 stelde een rapport van The Select Committee on Members' Interests het volgende vast : « ... there is an increasing lobbying activity in Westminster, ... it will continue to increase, and ... conflict of interest will more frequently confront Members » (13). Er kan tevens worden verwezen naar het hogeraangehaalde citaat « Parliament is there to be lobbied ».

Men kan stellen dat waar er aan politiek wordt gedaan, er drukkingsgroepen zullen aanwezig zijn. Eens er een bepaald beleid wordt aangekondigd, zal er een spontane neiging zijn bij hen die door dit beleid worden geaffecteerd om te pogen de uitkomst te beïnvloeden. Dit is bovendien niet enkel onvermijdelijk, het maakt intrinsiek deel uit van de democratie.

De lobbyisten zijn zich reeds lang bewust van de noodzaak om toenadering te zoeken tot de parlementsleden. Er is niet één parlementslid dat niet regelmatig aanvragen krijgt van belangengroepen. Voor de verkiezingen worden alle parlementsleden uitgenodigd door de lobbyisten om de meest gevarieerde beloften te ondertekenen, aldus de Franse onderzoeker Gilles Lamarque (14).

Er zijn weinig gronden om eraan te twijfelen dat de beleidsmakers in België grotendeels (op het federaal niveau) geconcentreerd zijn op het regeringsniveau en dat de drukkingsgroepen en andere actoren zich hiervan bewust zijn. Waarom blijven drukkingsgroepen dan toch in grote mate via het Parlement werken ?

Er zijn omstandigheden waarbij het Parlement de effectieve beslissingsmacht heeft, doch dit is veelal de uitzondering. Tevens maken de parlementsleden soms (in ethische kwesties bijvoorbeeld) gebruik van de « free vote ». Dit volstaat echter niet om de grote omvang van het lobbyen bij het Parlement te verklaren.

Zo betreurde de Nederlandse minister van Onderwijs, Jo Ritzen, dat lobbyisten zich steeds meer tot de Tweede Kamer richten, omdat daarmee de centrale rol van de vakminister wordt aangetast. Om tegendruk te bieden diende hij zelfs « briefings » te organiseren (15).

De Study of Parliament Group Survey kwam tot de vaststelling dat 75 % van organisaties regelmatig of frequent contact hadden met een parlementslid, 66 % had geschreven argumenten aan parlementaire commissies voorgelegd, 49 % had mondelinge toelichtingen gegeven aan commissies, 48 % had contact met interparlementaire groeperingen. Tevens mag men niet uit het oog verliezen dat parlementsleden soms zelf lid zijn van een drukkingsgroep en er soms ook bestuursfuncties in bekleden.

Parlementsleden kunnen verschillende acties ondernemen tengevolge van drukkingsgroepen. Hier volgen er enkele : parlementaire vragen, amendementen en resoluties indienen, proberen een dringend debat te bekomen, meetings inrichten met de minister, debatten verdagen, parlementaire hoorzittingen tussenlassen, de agenda vastleggen, etentjes houden(al dan niet in het Parlement), een interparlementaire werkgroep vormen, een persconferentie inlassen, persberichten versturen.

« L'amendement est la carte maîtresse du lobbyist » (16). Aldus onderzoeker Gilles Lamarque, die overigens volgende hulpmiddelen ziet voor de drukkingsgroepen binnen het Parlement :

­ de socio-professionele oorsprong van de parlementsleden om corporatistische acties te ondersteunen;

­ het oprichten van studiegroepen;

­ de politieke aandacht die een onderwerp met zich kan meebrengen teneinde een onderzoekscommissie of een hoorzitting te bekomen;

Professor Michael Rush voert drie mogelijke redenen aan voor het aanzienlijke lobbyen in het Parlement (alhoewel het onderzoek handelde over het Verenigd Koninkrijk geldt hetzelfde voor België) (17) :

1) de organisaties hebben een verkeerde perceptie van de invloed van het Parlement in de besluitvorming;

2) het Parlement wordt enkel aangewend als de druk elders heeft gefaald en het normale consultatieproces heeft niet tot de verwachte resultaten geleid;

3) het Parlement heeft wel degelijk een impact op het beleid.

Het lijdt geen twijfel dat sommige organisaties een misvatting hebben wat betreft de perceptie dat het Parlement de sleutels heeft van het overheidsbeleid. Het merendeel van de drukkingsgroepen weet perfect hoe de besluitvorming verloopt.

Wat betreft het tweede punt staat het buiten kijf dat een mislukking inzake beïnvloeding op het regeringsniveau kan leiden tot een nieuwe poging op het vlak van de federale parlementen, doch de stelling dat dit de enige rol is van het Parlement wat betreft beïnvloeding is fout, aldus professor Michael Rush.

Mocht dit zo zijn, dan mag men redelijkerwijze verwachten dat « insider groups » die met de nauwste banden met de regeringsdepartementen en welke onvermijdelijk worden geconsulteerd in de beleidsvoorstellen die hun belangen beïnvloeden) minder contact zouden hebben met het Parlement dan « outsider groups » (die welke minder frequent worden geraadpleegd).

Uit zijn onderzoek blijkt dat « insider groups » meer actief zijn in bijna elke vorm van parlementair contact.

Het Parlement heeft wel degelijk rechtstreekse invloed, onder meer wat betreft het wijzigen van specifieke regelingen die niet de essentie van een ontwerp vormen. De regering zal op details meestal toegeven aan wijzigingen, terwijl zij resoluut enige aanpassing van de hoofdbestanddelen zal bevechten. Het zijn meestal de detailregelingen die de drukkingsgroepen aanbelangen. Wel is het zo dat veel amendementen van wetgevende initiatieven namens de regering worden ingediend, waardoor het Parlement enkel het vehikel is om een bepaalde regeling te wijzigen.

Professor Michael Rush concludeert als volgt : « Parliaments role in pressure politics, then, is a mixture of the direct and indirect, sometimes contributing clearly to the policy-making process, more often part of the « noise » that surrounds that process, at any stage of which the government may be influenced by representation through parliament as policy evolves. Moreover, Parliament's position as the representative body to which the government is constitutionally responsible confers a degree of legitimacy on representations made in and through parliament, which has its attractions for outside interests and, more mundanely, brings issues more fully into the public domain, itself a potentially pourerful form of pressure should it attract the attention of public opinion. »

4. Welke houding dient de wetgever aan te nemen bij lobbyen ?

De Grondwet kent een zekere terughoudendheid wat betreft lobbyen : de volksvertegenwoordiger vertegenwoordigt de Natie en niet een specifieke kieskring, de verkozen mandataris geniet een volledige onafhankelijkheid jegens zijn kiezers, een imperatief mandaat is verboden. De verplichtingen die de vertegenwoordiger aangaat bij de kiescampagne hebben een louter morele waarde. Het mandaat is onherroepelijk. De onafhankelijkheid van het parlementslid ten aanzien van de lobby's is verankerd in de Grondwet.

De serieuze kritiek ten aanzien van lobbyen concentreert zich in hoofdzaak op de veronderstelling dat lobbyisten een negatieve invloed hebben op de democratie.

Dit is onterecht, lobbyen hoort bij een moderne democratie. Drukkingsgroepen bouwen voort op twee fundamentele rechten : het recht op vrije meningsuiting en het recht op vergadering en vereniging. Ook politici onderkennen de waarde van de lobbyist als informatieverschaffer.

PVDA-Kamerlid Marjet van Zuijlen stelde hieromtrent : « Uiteraard kunnen Kamerleden ook zelf op onderzoek uitgaan, deskundigen en wetenschappers raadplegen, stages lopen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de informatie uit het veld bij het vormen van de mening van groot belang is » (18).

VVD-minister Jorritsma stelde eveneens : « Goede informatie bij de besluitvorming is van essentieel belang. Public Affairs en lobby in het bijzonder is nodig voor het goed functioneren van politiek en bedrijfsleven » (19).

Zoals hoger aangegeven is het doel de relevantie van lobbyen, met name de legitieme politieke belangenbehartiging.

Het eventueel regulerend optreden van de parlementen inzake drukkingsgroepen dient uit te gaan van volgende richtsnoeren :

­ vrije toegang tot de wetgever is fundamenteel en van algemeen belang, een systeem van registratie mag de vrije en publieke toegang tot de wetgever niet verhinderen;

­ lobbyen is een legitieme activiteit;

­ de wetgever en het publiek dienen te weten wie probeert de wetgever te beïnvloeden.

Sommige stellen dat men een strikte gedragscode dient op te leggen wat betreft lobbyen.

Dit is naar onze mening niet nodig. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat een goede reputatie voor een lobbyist van levensbelang is. Als er regelgeving wordt overtreden, zowel geschreven als ongeschreven, dan is ook lobbyen niet meer legitiem. Ingeval van formele overtreding van wetgeving is dat duidelijk. Als ongeschreven regelgeving wordt overtreden is dat allicht nog schadelijker voor de lobbyist.

Dit voorstel wil echter, in navolging van het Europees Parlement dat deze problematiek reeds in 1997 onderkende, een oplossing aanreiken voor het gegeven dat de belangenbehartiging onvoldoende transparant verloopt. Het wil meer transparantie brengen en sluit aan bij de hoger vermelde richtsnoeren waaraan een reglementair voorstel rond deze problematiek dient te beantwoorden.

Professor Rush stelt omtrent het aanleggen van openbare registers dat hun doel duidelijk dient te worden omschreven en dat deze enkel het aanbieden van een « source of information » kunnen zijn. « It is a major means of bringing in the public eye who is interested in lobbying Parliament. »

Het hoofdoel van dit voorstel is bijgevolg het vertrouwen van de burger in en de transparantie van de Parlementen te vergroten. Het sluit aan bij de sterke ontwikkeling die het beroep heeft gekend in diverse landen en waar een weinig stringente reglementering werd ingesteld met als hoofddoel het garanderen van de transparantie die noodzakelijk is voor een democratie.

Bij het opstellen van registers dient men rekening te houden met volgende elementen :

1) « enforcement ». Dit is waarschijnlijk het minst problematisch. Lobbyisten bekomen een laissez-passer, door zich aan te melden bij de quaestuur. Indien zij het intern reglement dat samenhangt met het bekomen ervan niet naleven, kan dit leiden tot het intrekken van de geleibrief die aan de betrokken persoon en desgevallend aan hun onderneming is verleend;

2) registers dienen « up to date » te zijn : het laissez-passer geldt maximaal voor een jaar;

3) de toegankelijkheid van de registers moet worden gewaarborgd;

4) men dient te voorkomen dat het toekennen van een laissez-passer wordt beschouwd als het impliciet toekennen van een kwaliteitslabel professor M. Rush formuleert het als volgt : « Less than scrupulous lobbying firms in the United States have led would-be clients to believe that being on the register bestows official recognition, even approval. »

Vincent VAN QUICKENBORNE.

VOORSTEL


Enig artikel

A. In titel V van het Reglement van de Senaat wordt een hoofdstuk IX, met als opschrift « Belangengroeperingen » ingevoegd, dat een artikel 96bis bevat, luidende :

« Hoofdstuk IX. ­ Belangengroepen

Art. 96bis. ­ De quaestoren verstrekken een op naam gesteld laissez-passer, dat maximaal één jaar geldig is, aan personen die ten behoeve van zichzelf of van derden frequent toegang tot de gebouwen van het Parlement wensen te hebben met het oog op de informatieverstrekking aan de leden in het kader van hun parlementair mandaat en aan personen die de titel dragen van beroepsjournalist, zoals bepaald in de wet 30 december 1963 betreffende de erkenning en de bescherming van de titel van journalist.

Deze personen dienen :

­ de in een bijlage bij het Reglement opgenomen intern reglement na te leven;

­ zich in te schrijven in een register dat door de quaestoren wordt bijgehouden.

Dit register wordt op louter verzoek ter beschikking van het publiek gesteld.

De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden in een bijlage bij het Reglement vastgesteld. »

B. De bijlagen van het Reglement van de Senaat worden aangevuld als volgt :

« Bepalingen ter uitvoering van artikel 96bis van het Reglement van de Senaat

Artikel 1

Het laissez-passer bestaat uit een geplastificeerde kaart, voorzien van een pasfoto van de houder, zijn naam en voornamen en de naam van de firma, organisatie of persoon voor welke hij werkzaam is en de vermelding « Het toekennen van dit laissez-passer houdt geen kwaliteitsoordeel in wat de houder van deze kaart betreft ».

Op straffe van intrekking moet het laissez-passer permanent en zichtbaar door de houder worden gedragen in alle gebouwen van het Parlement.

Het laissez-passer onderscheidt zich qua vorm en kleur van de pasjes die aan incidentele bezoekers worden verstrekt.

Het laissez-passer wordt slechts verlengd indien de houder heeft voldaan aan de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 96bis van het Reglement van de Senaat.

Elke betwisting door een lid van de activiteit van een vertegenwoordiger of belangengroep wordt verwezen naar de quaestoren, die de kwestie bestuderen en een besluit nemen over handhaving of intrekking van het betrokken laissez-passer.

Het laissez-passer geeft in geen geval toegang tot andere vergaderingen van de Senaat en zijn organen dan die welke openbaar zijn.

Artikel 2

In hun betrekkingen met het Parlement zijn de personen die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 96bis van het Reglement van de Senaat ertoe gehouden :

a) de bepalingen artikel 96bis en van deze bijlage na te leven;

b) aan de leden van het Parlement, hun personeel of aan ambtenaren van de instelling opgave te doen van hun hoedanigheid en de belangen die zij vertegenwoordigen.

In hun betrekkingen met derden is het de personen die zijn ingeschreven in het register verboden zich op enigerlei officiële relatie met het Parlement te beroepen.

Het is de personen die zijn ingeschreven in het register verboden profijt te trekken uit het verspreiden onder derden van kopieën van documenten die bij het Parlement zijn verkregen.

Elke overtreding van dit intern reglement kan leiden tot het intrekken van het laissez-passer dat aan de betrokken personen en in voorkomend geval aan hun onderneming is afgegeven. »

24 maart 2003.

Vincent VAN QUICKENBORNE.

(1) Nonon, J. en Clamen, M., « L'Europe et ses couloirs, lobbying et lobbyistes », Dunod éditeur, Parijs, 1991, blz. 20.

(2) Jean-Jacques, « Groupe de pression, Antichambre ou lobby, les couloirs du pouvoir », « Trends Tendances ».

(3) Nonon, J. en Clamen, M. « L'Europe et ses couloirs, lobbying et lobbyistes », Dunod éditeur, Parijs, 1991, blz. 21.

(4) Rush, M., « Lobbying Parliament », « Parliamentary Affairs, a journal of comparative politics », Oxford University Press, april 1990.

(5) Verduyn, L., « De macht in België : de top-20 van de pressiegroepen,'t is een lobby », Humo, 20 februari 2001

(6) Schendelen, MCPM, Lobbyen in Nederland. Professie en profijt, Den Haag, 1998, blz. 12., aangehaald door Van De haar, E. en Scholten, J., « Lobbyen in liberale ogen », Liberaal Reveil, nr. 2, blz. 68.

(7) Tassier, M., « De kunst van het lobbyen », De Standaard, 27 september 1997.

(8) Van Caloen, A., « Le Boerenbond, syndicat agricole, a montré sa capacité d'influence dans des dossiers cruciaux, la face cachée des agriculteurs Flamands », « La Libre Belgique », 8 juli 1999.

(9) Laloy, D., « Les mutualités, chantres d'une santé solidaire », « La Libre Belgique », 19 augustus 1999.

(10) Van de haar, E. en Scholten, J., « Lobbyen in liberale ogen », Liberaal Reveil, nr. 2, blz. 69.

(11) VB, « Une panoplie d'armes en coulisses », « La Libre Belgique », 12 augustus 1999.

(12) B., J., « Le jeu dangereux du lobbyiste », « Le Soir », 31 januari 1997.

(13) « Report of the Select Committee on Members' Interests », « HC 110 », 1986-87.

(14) Lamarque, G., « Le lobbying », « Que sais-je ? », Presses universitaires de France, 1994, blz. 60.

(15) Jo Ritzen, De minister. Een handboek, Amsterdam, 1998, blz. 133, aangehaald door Van de haar, E. en Scholten, J., « Lobbyen in liberale ogen », Liberaal Reveil, nr. 2, blz. 76.

(16) Lamarque, G., « Le lobbying », « Que sais-je ? », Presses universitaires de France, 1994, blz. 73.

(17) Rush, M., « Lobbying Parliament », « Parliamentary Affairs, a journal of comparative politics », Oxford University Press, april 1990, blz. 142.

(18) Schendelen, MCPM, Lobbyen in Nederland. Professie en profijt, Den Haag, 1998, blz. 154.

(19) Van De Kerkhof, T., « Pssst, mag ik even met u praten. Lobbyen : bedrijven moeten ook standpunten kunnen verkopen », in Management Team, 20 oktober 1995.