Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-70

ZITTING 2002-2003

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Financiën

Vraag nr. 2622 van de heer de Clippele d.d. 24 januari 2003 (Fr.) :
BTW. ­ Boetes. ­ Bezwaar. ­ Opschortend effect en houding van de ontvangers.

Als een BTW-plichtige van mening is dat er redenen bestaan om zijn BTW-boetes kwijt te schelden, kan hij een gratieverzoek indienen bij de minister van Financiën, die het onderzoek van dergelijke verzoeken heeft overgedragen aan de gewestelijke directeurs van de BTW, ambtenaren tot wie de belastingplichtigen zich overigens richten in een dergelijke situatie.

Die verzoeken zijn het voorwerp van een bericht van ontvangst, vervolgens van een onderzoek en dan van een beslissing.

Ik heb vernomen dat wanneer een belastingplichtige de belasting heeft betaald, waarvan hij erkent dat hij ze moet betalen, alsook de opgelegde verwijlinteresten, en alleen de boetes waarvoor hij zoals hierboven uiteengezet is, een gratieverzoek heeft ingediend, onbetaald heeft gelaten, hij bestookt wordt door zijn BTW-ontvanger, die hem een ingebrekestelling, een bevelschrift en een bericht van inbeslagneming voor het bedrag van de boetes stuurt.

Het feit dat er een gratieverzoek werd ingediend met betrekking tot die boetes, dat dat verzoek wordt onderzocht en dat het bewijs ervan aan de ontvanger is voorgelegd, verandert niets aan de houding van die laatste.

Overweegt de geachte minister om tussenbeide te komen door middel van een rondzendbrief ?

Antwoord : De aandacht van het geachte lid wordt gevestigd op het feit dat geen enkele wettelijke bepaling een schorsend effect toekent aan een verzoekschrift tot kwijtschelding van geldboeten inzake BTW. Dit vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat een dergelijke beslissing een zuivere genademaatregel inhoudt.

Een BTW-ontvanger heeft derhalve het recht om vervolgingen in te stellen met het oog op het bekomen van de volledige betaling van de BTW-schuld (rechten, interesten, boeten en kosten) door een belastingplichtige, zelfs indien deze een verzoekschrift tot kwijtschelding van de geldboeten heeft ingediend.

In de veronderstelling dat de hoofdsom en de interesten zijn betaald en de belastingplichtige een verzoekschrift heeft ingediend dat er toe strekt de kwijtschelding van de boeten te bekomen, houden de beginselen van behoorlijk bestuur evenwel in dat de BTW-ontvangers zich onthouden van alle uitvoeringsmaatregelen om deze in te vorderen, tenzij in de gevallen, die aan de beoordeling van de ontvangers worden overgelaten, waarin de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of waarin het verzoekschrift een duidelijk dilatoir karakter vertoont.

Rekening houdend met de omstandigheden eigen aan elk dossier en met de persoonlijke geldelijke verantwoordelijkheid van de ontvangers, is het in dit verband niet gerechtvaardigd richtlijnen op te stellen.