(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De artikelen 2, 5 en 16 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken voeren een belasting van 10 % in op de uitreiking van liquidatie-uitkeringen (hierna « belastingheffing op de liquidatie-uitkeringen » genoemd).
Uit de uiteenzetting van de motieven van het wetsvoorstel blijkt dat de wetgever van mening is dat er een roerende voorheffing van 10 % moet worden ingevoerd op de inkomsten die worden uitbetaald of toegekend in het geval van een volledige of gedeeltelijke verdeling van de activa van een vennootschap (stuk. 1918/001, blz. 24). In dat opzicht rekent artikel 2 van de wet « de bedragen die door de artikel 186, 187 en 209 als dividenden worden gedefinieerd in het geval van een volledige of gedeeltelijke verdeling van de activa van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap of de verwerving van aandelen door een dergelijke vennootschap » tot de dividenden.
1. Artikel 210, § 1, WIB 1992 bepaalt dat voor de toepassing van de vennootschapsbelasting bepaalde verrichtingen gelijkgesteld worden met een vereffening. Het gaat met name om (i) fusies, splitsingen en met fusies gelijkgestelde operaties die niet van het stelsel van neutraliteit van artikel 211, WIB 1992 (artikel 210, § 1, 1o, WIB 1992) kunnen genieten; (ii) ontbindingen zonder dat de maatschappelijke activa worden verdeeld (artikel 210, § 1, 2o, WIB 1992); (iii) het aannemen van een andere juridische vorm, behalve in de gevallen die men op het oog heeft in het Wetboek der vennootschappen (artikel 210, § 1, 3o, WIB 1992); (iv) het overbrengen naar het buitenland van het hoofdkantoor, de hoofdvestiging, de zetel van de directie of de administratieve zetel (artikel 210, § 1, 4o, WIB 1992); en (v) de officiėle erkenning als investeringsmaatschappij met vast kapitaal in onroerende zaken of niet-beursgenoteerde aandelen, door de Commissie voor bank- en financiewezen (artikel 210, § 1, 5o, WIB 1992).
De verdeling van de maatschappelijke activa bij een fusie of een splitsing van vennootschappen brengt enkel de uitgifte van nieuwe aandelen van de vennootschap die de inbreng ontvangt ten voordele van de aandeelhouders van de opgeslorpte of gesplitste vennootschap met zich. Het is dan ook moeilijk voorstelbaar dat de opgeslorpte of gesplitste vennootschap een roerende voorheffing van 10 % moet « inhouden » op de waarde van de nieuwe aandelen die ze aan haar aandeelhouders toekent.
Bovendien is het zo dat in de verrichtingen die men op het oog heeft in de artikelen 210, § 1, 3o, 4o en 5o, WIB 1992 de vennootschap niet overgaat tot de verdeling van de maatschappelijke activa zodat er geen sprake is van verrijking van de aandeelhouders.
Kan u mij bevestigen dat de binnenlandse vennootschappen die de verrichtingen uitvoeren die genoemd worden in artikel 210, § 1, WIB 1992 een roerende voorheffing van 10 % op de liquidatie-uitkeringen verschuldigd zijn ?
Als dat zo is, kan u me dan ook zeggen of :
het op zich nemen van de voorheffing voor de bovenbedoelde vennootschappen niet de verplichting meebrengt om krachtens artikel 268, WIB 1992 het inkomen te bruteren;
artikel 198, 1o, WIB 1992 niet van toepassing is op het bedrag van de verschuldigde roerende voorheffing van 10 %, waardoor die een aftrekbare uitgave vormt in de zin van artikel 49, WIB 1992 ?
2. De Belgische fiscale rechtspraak en doctrine hebben onveranderlijk bevestigd dat men zich wat betreft de toepassing van de Belgische fiscale wetgeving op buitenlandse situaties of transacties, zich moet beroepen op het buitenlands gemeen recht (waarvan het vennootschapsrecht deel uitmaakt) en niet op het buitenlands fiscaal recht (Brussel, 4 juni 1975, JDF, 1975, blz. 82-86, Brussel, 28 februari 1985, AFT, 1985, blz. 166-168; A. Tiberghien, Inleiding tot het Belgisch fiscaal recht, 1986, Kluwer, blz. 128), tenzij een Belgische fiscale bepaling daarvan uitdrukkelijk afwijkt.
Ik denk daaruit te kunnen afleiden dat voor aandeelhouders (natuurlijke personen) van een buitenlandse vennootschap die Belgische ingezetenen zijn, de nieuwe regeling voor belastingheffing op de liquidatie-uitkeringen zou moeten worden toegepast op een totale of gedeeltelijke vereffening van een buitenlandse vennootschap of op alle andere verrichtingen die volgens het gemeen recht dat van toepassing is op de buitenlandse vennootschap, met een vereffening gelijkgesteld zijn.
Brengt de debitering van de roerende voorheffing in hoofde van de Belgische aandeelhouders (natuurlijke personen) van een buitenlandse vennootschap feitelijk niet de verrichtingen mee die krachtens artikel 210, WIB 1992 gelijkgesteld zijn met een vereffening, omwille van het feit dat de fictie die door die bepaling wordt ingevoerd, enkel van toepassing is op Belgische vennootschappen. Het aannemen van een andere juridische vorm door een buitenlandse vennootschap, noch het overbrengen van haar hoofdkantoor naar een derde land of naar Belgiė brengt de debitering van de nieuwe belasting op de liquidatie-uitkeringen mee, tenminste voor zover een dergelijke transactie de continuļteit van de rechtspersoonlijkheid van de buitenlandse vennootschap niet treft. Ik zou u dankbaar zijn als u dat standpunt zou kunnen bevestigen.