2-275

2-275

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 13 MAART 2003 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over zijn «open brief aan mijn Israëlische vrienden» (nr. 2-1276)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - In de open brief over de cassatie-uitspraak inzake de draagwijdte van de zogenaamde genocidewet, die de vice-eerste minister op 25 februari jongstleden aan twee Israëlische kranten heeft gericht, staat: "Israël en België zijn landen met een diepgewortelde democratie, die dezelfde idealen van vrijheid en verdraagzaamheid nastreven."

Die uitspraak is in theorie zeker juist, maar ze leidt tot de vaststelling dat beide landen de genoemde idealen op dezelfde wijze in de praktijk omzetten. Objectieve handelingen van de Israëlische regering tonen echter duidelijk aan dat dit niet het geval is.

Om te beginnen is er de permanente schending van VN-resoluties. De enkele Palestijnse leden van de Knesset, die 20% van de bevolking vertegenwoordigen, werden de jongste jaren door de Israëlische regering gemolesteerd. Palestijnen mogen in Israël geen grond kopen van de joodse inwoners. Er is de deelname aan het kabinet-Sharon van de extreem-rechtse Nationale Unie, die Palestina wil vernietigen. Het Israëlische staatsburgerschap wordt in zijn volle waarden enkel toegekend aan de joodse, maar niet aan de Arabische inwoners van Israël.

Hoe verzoent de vice-eerste minister deze feiten, die duidelijk ondemocratisch zijn, met de Belgische idealen van vrijheid en verdraagzaamheid?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - In mijn brief van 25 februari heb ik inderdaad gesteld dat Israël en België landen zijn met een diepgewortelde democratie. Ik handhaaf die uitspraak. Democratie is voor iedereen een ideaal, maar geen verworvenheid. Daarom had ik het in mijn brief over `nastreven'.

Voor sommigen zijn bepaalde aspecten van het Israëlisch staatsbestel voor kritiek vatbaar, net zoals ik zeker ben dat ook Israël op ons land kritiek heeft. De recente perscampagne in Israël laat hierover weinig twijfel bestaan. Naar mijn oordeel is die kritiek echter grotendeels onterecht.

De Arabische leden van de Knesset, die inderdaad 20% van de bevolking vertegenwoordigen, genieten dezelfde rechten en immuniteiten als de overige leden. Vóór en tijdens de jongste verkiezingscampagne waren er enkele incidenten, onder meer in verband met de verkiesbaarheid, maar deze betroffen geenszins alleen Arabische kandidaten. Uiteindelijk konden alle Arabische kandidaten aan de verkiezingen deelnemen.

De beperkingen waarmee de Arabische Israëli's geconfronteerd worden wanneer ze onroerende eigendommen willen verwerven, vormen reeds sinds het ontstaan van Israël een probleem. In 2000 had het Opperste Gerechtshof een beslissing genomen die verdere discriminatie bij het verwerven van onroerende eigendommen in principe onmogelijk moest maken. Een wetsontwerp van 2002, dat voorzag in de mogelijkheid om landeigendommen voor te behouden voor Joden, waarover ik vorig jaar in ons Parlement werd geïnterpelleerd, is nog steeds niet opnieuw aan de Knesset voorgelegd. Op het terrein zijn heel wat problemen, die mee voortvloeien uit de feitelijke verdeling van de grond tussen de joodse en de Arabische gemeenschap.

Uiteraard wil ik geen commentaar geven bij de samenstelling van de nieuwe Israëlische regering. De vraag van de heer Maertens betreft de deelname van een uiterst rechtse partij, meer in het bijzonder de Nationale Unie. In zover ik goed ben ingelicht, heeft die partij zich niet uitgesproken over de vernietiging van Palestina, maar alleen over de mogelijkheid van een transfer van Palestijnen uit de bezette gebieden. Ik meen te weten dat een dergelijke plan ook in Israël enkel door randfiguren wordt geponeerd en kan alleen maar vaststellen dat eerste minister Sharon in zijn investituurtoespraak gewag heeft gemaakt van een Palestijnse staat, hieraan evenwel toevoegend dat dit een controversieel thema was binnen zijn regering.

Het Israëlisch burgerschap houdt voor de joodse en Arabische inwoners dezelfde rechten en plichten in, behalve op het gebied van de legerdienst. Ik veronderstel echter dat de vraag een toespeling is op het feit dat het staatsburgerschap wordt toegekend aan alle joodse immigranten, maar niet aan de Arabische vluchtelingen. Die opmerking raakt uiteraard de essentie en de geschiedenis zelf van het ontstaan van de Israëlische staat. Een bevredigende oplossing voor deze kwestie kan mijns inziens alleen worden gevonden in het kader van een algehele vredesregeling tussen de Israëli's en de Palestijnen.

Il me paraît important que les relations entre la Belgique et Israël puissent être revisitées, consolidées, et que l'on tente de restaurer un minimum de confiance entre les deux pays. La meilleure manière d'apporter notre contribution au processus de paix consiste à retrouver, bon gré mal gré, une certaine crédibilité quant à cette confiance. Il faut essayer de reconstruire des relations bilatérales qui, si elles ne peuvent aujourd'hui être normales, devraient le redevenir.

La lettre ouverte que j'ai envoyée à nos amis Israéliens était une tentative de main tendue pour permettre au moins une perception juste de la réalité et pour rappeler que dans notre pays, comme dans le leur, la séparation des pouvoirs est un principe de base puisque ce sont des démocraties. La fameuse plainte déposée contre le ministre Sharon est évidemment liée à ce principe. Il n'entre pas dans les intentions du gouvernement belge ni d'un ministre quelconque d'interférer avec la justice et, donc, de mettre à mal la séparation des pouvoirs. C'est l'unique chose que j'ai rappelée. Pour le reste, j'ai voulu indiquer que la Belgique était disponible pour avoir un échange de vues quant au fond. Cela nous donnerait l'occasion de plaider une nouvelle fois en faveur de ce qui a toujours été notre position, à savoir la reconnaissance de deux États vivant côte à côte dans la paix. Il est absolument nécessaire de reprendre le processus de paix, lequel ne peut se concevoir que dans le cadre d'un dialogue.

Je redis que notre position est équitable, qu'elle vise à juger tout le monde à l'aune des mêmes critères et d'une même mesure. Nous ne pouvons cautionner l'option militaire. Nous n'avons pas cessé de dire et de redire que la paix ne saurait venir de cette option. Nous n'avons pas changé d'avis sur cette question. Le fait d'avoir cette position nous autorise encore, me semble-t-il, à essayer de rapprocher les points de vue.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. We kunnen er achter staan. We erkennen de goede bedoelingen die hij had met deze open brief, die waarschijnlijk ook effect heeft gehad. Ik meen echter toch te mogen onthouden dat het principe van de democratie in Israël wel bestaat, maar dat de concrete uitwerking ervan verre van ernstig te nemen is. De permanente schending van de VN-resoluties is daarvan het bewijs. Ook over de onvooringenomen houding van ons land, waarover de minister het had, moeten we nog eens verder discussiëren, want in bepaalde gevallen kan dat helemaal niet meer au sérieux worden genomen.