2-1209/3 | 2-1209/3 |
19 MAART 2003
De commissie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 13 november 2002, 29 januari en 19 maart 2003.
Het voorliggende wetsvoorstel beperkt zich tot een aspect van een ruimer probleem, met name de onderhoudsplicht. Er is een maatschappelijk debat op gang gebracht over de zin van het al dan niet handhaven ervan. Hier wordt alleen het fiscale aspect geviseerd.
In de huidige situatie is het zo dat wanneer bejaarden die in een rust- en verzorgingstehuis verblijven over onvoldoende financiële middelen beschikken om hun maandelijkse factuur te kunnen betalen, het OCMW, als exploitant, de kinderen van de betrokkenen aanspreekt op grond van hun onderhoudsplicht tegenover hun ouders (artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek). Indien de onderhoudsplichtige effectief financieel tussenkomt, dan kan die het door hem betaalde bedrag ten belope van 80 % in mindering brengen van zijn totale netto-inkomen (artikel 104, 1º, WIB 1992).
Anderzijds wordt dit bedrag ten belope van 80 % in aanmerking genomen voor de berekening van het belastbare netto-inkomen van de ouder(s) (artikelen 90, 3º en 4º, en 99, WIB 1992). Aangezien die al sowieso over een onvoldoende inkomen beschik(t)(en) om zijn (hun) reguliere facturen te betalen, heeft dit laatste weinig zin. Het enige wat theoretisch mogelijk wordt is dat het betrokken OCMW beslag gaat leggen op het pensioen van de bejaarde.
De huidige regeling inzake de onderhoudsplicht is enerzijds opgenomen in de OCMW-wet, anderzijds, voor wat het fiscale aspect betreft, verwijst artikel 90, 3º, WIB 1992 gewoon naar artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek.
Het voorliggende wetsvoorstel strekt ertoe om de aftrekmogelijkheid voor de onderhoudsplichtigen te behouden doch de betaalde bedragen niet langer op te nemen in de diverse inkomsten van de begunstigde bejaarde. Dit laatste enerzijds wegens zinloos en anderzijds wegens de moeilijkheden die zich in de praktijk voordoen om de belastingen erop te innen.
De heer de Clippele is het eens met de doelstelling van het wetsvoorstel doch vreest dat het in de praktijk tot veel misbruiken zou kunnen leiden.
De heer D'Hooghe betwist dit. Hij wijst erop dat hij niets wil wijzigen aan de aftrekmogelijkheid van de onderhoudsplichtige (artikel 104, 1º, WIB 1992).
De heer de Clippele stelt dat er op het eerste zicht geen grenzen gesteld worden aan de hoogte van aftrekbare bedragen. Het gevaar is dan ook groot dat de belastbare basis sterk wordt uitgehold bij de onderhoudsplichtigen en dat die bedragen anderzijds van een totale fiscale vrijstelling genieten in hoofde van de begunstigde ouders. Die kunnen vervolgens onderhands een deel of de totaliteit van de ontvangen bedragen aan hun kinderen terugbezorgen uit middelen waarover zij beschikken en waarvan de fiscus geen kennis heeft. Om dit misbruik te voorkomen moeten duidelijker grenzen worden aangegeven.
De heer D'Hooghe gaat ervan uit dat het OCMW enkel tussenkomt in de kosten van het verblijf in een rusthuis wanneer zij na onderzoek van oordeel zijn dat de betrokken bejaarden onvoldoende vermogend zijn. Pas dan zal het OCMW overgaan tot terugvordering bij de onderhoudsplichtige kinderen.
De auteur geeft toe dat de toelichting bij zijn wetsvoorstel duidelijker kon zijn geweest in het omschrijven van de bedoeling. Wetgevingtechnisch kon hij evenwel niets anders voorstellen dan de schrapping van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek uit artikel 90, 3º, WIB 1992. Het is niet de bedoeling dat kinderen op eigen initiatief onderhoudsgelden gaan betalen met het oogmerk belastingen te ontduiken.
Net als de heer de Clippele acht ook de heer Ramoudt de doelstelling achter het wetsvoorstel nobel maar vreest hij eveneens voor misbruiken. Hij vraagt zich af hoe kan worden vermeden dat onderhoudsgelden worden betaald die de behoeftes van de begunstigden overtreffen en al dan niet gedeeltelijk belastvrij aan de betaler worden terugbetaald.
De heer D'Hooghe herhaalt dat het in de praktijk het OCMW is die een onderzoek instelt en de hoogte van de betalingen door de onderhoudsplichtigen vastlegt. Het OCMW moet hiervoor ook een attest afleveren. Op vrijwillige basis meer onderhoudsgeld betalen en vervolgens dit bedrag in mindering brengen van het belastbare inkomen, is onmogelijk omdat in die gevallen geen fiscaal attest wordt afgeleverd.
De heer Guilbert is het eens met de heren De Clippele en Ramoudt. Hij meent trouwens dat er erg uiteenlopende situaties bestaan. Sommige rusthuizen vragen een normale prijs, andere zijn heel luxueus. Mag iemand die zich die luxe niet kan veroorloven een beroep doen op zijn kinderen, die de onderhoudsgelden dan ten belope van 80 % kunnen aftrekken van hun totale netto-inkomen ?
De heer Guilbert vindt dat de aftrekbare bedragen begrensd moeten worden. Om de misbruiken die zijn collega's vrezen, te voorkomen, stelt hij voor om de rekeningen rechtstreeks door de kinderen te doen betalen.
De heer Siquet wijst erop dat ook de begunstigden van de onderhoudsgelden voor een gedeelte van hun inkomen belastingvrijstelling genieten. Op bepaalde onderhoudsgelden worden helemaal geen belastingen geheven. Heeft het voorstel van de heer D'Hooghe betrekking op onderhoudsgelden die de van belasting vrijgestelde bedragen overschrijden ? Als die bedragen niet worden overschreden, heeft de discussie geen zin.
Volgens de heer D'Hooghe bedragen de rusthuisfacturen in België gemiddeld 1 125 euro per maand. Op jaarbasis wordt de belastingvrije som dus gemakkelijk overschreden.
De heer Moens werpt op dat in belastingszaken als algemeen principe geldt dat als een uitgave in hoofde van de betaler aftrekbaar wordt gemaakt, datzelfde bedrag als inkomen belastbaar wordt in hoofde van de genieter ervan. Het wetsvoorstel wil van deze regel afwijken. De vraag rijst dan ook of er hiervoor reeds precedenten zijn.
De minister van Financiën verklaart dat het voorliggend wetsvoorstel enerzijds te beperkt is en anderzijds iets te ver gaat. Het is te beperkt omdat het slechts op een beperkt deel van de problematiek van het alimentatiegeld slaat. Zo gaat het voorbij aan de alimentatiegelden te betalen aan de echtgenoot, aan de kinderen, enz. Ook daar doen zich drama's voor.
Anderzijds is het wetsvoorstel ook te breed omdat de schrapping in artikel 90, 3º, WIB 1992, van de verwijzing naar artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek, ertoe leidt dat alle onderhoudsgelden, dus ook die betaald aan ouders die niet in een OCMW rust- en verzorgingstehuis verblijven, eveneens vrijgesteld worden. Dit schijnt niet de bedoeling van de auteur van dit wetsvoorstel te zijn.
Voorts bevestigt de minister dat het wetsvoorstel tot gevolg zou hebben dat het evenwicht tussen de aftrekbaarheid en de belastbaarheid zou worden doorbroken. Daarenboven neemt het ook de historische verantwoording weg van de begrenzing van de aftrekbaarheid tot 80 %. Om sociale redenen werd de genieter immers niet op 100 % van de ontvangen onderhoudsgelden belast. Vandaar werd de aftrekbaarheid bij de onderhoudsplichtige eveneens beperkt tot 80 %. Het eventueel aanvaarden van dit wetsvoorstel zou er dus toe leiden dat deze laatste beperking niet langer kan worden verantwoord.
De minister belooft na te gaan of er in de vigerende wetgeving andere gevallen voorkomen waarin enerzijds de aftrek wordt toegestaan en anderzijds het voordeel niet wordt belast.
De heer D'Hooghe stelt dat hij zeer bewust het toepassingsgebied van zijn wetsvoorstel heeft willen beperken tot onderhoudsuitkeringen ten gunste van ouders die behoeftig zijn. Het uitgangspunt is de problematiek binnen de rusthuizen waar men vaststelt dat de OCMW's moeten tussenkomen, die tussenkomsten proberen te recupereren bij de onderhoudsplichtige kinderen en waarbij ten slotte de behoeftige bejaarden worden belast op de van hun kinderen of kleinkinderen ontvangen gelden. Dit laatste is voor de heer D'Hooghe onaanvaardbaar.
Wat het argument betreft dat de onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek, breder is dan wat hij hier voor ogen had, is de heer D'Hooghe bereid in zijn wetsvoorstel te specificeren dat het gaat om onderhoudsgelden betaald aan behoeftige bejaarden verblijvend in rust- en verzorgingstehuizen. Uit de bepalingen moet ook duidelijk blijken dat de aftrek enkel mogelijk is mits een attest wordt afgeleverd door het betrokken OCMW.
De heer De Grauwe meent dat als de commissie hierop ingaat, er dan een ongeoorloofde discriminatie wordt gecreëerd tussen bejaarden die wel en diegene die niet in een rust- en verzorgingstehuis verblijven en gelden van hun (klein)kinderen ontvangen voor hun eigen onderhoud.
De heer Ramoudt sluit zich hierbij aan. Hij vreest overigens dat dit voorstel ertoe zou leiden dat zelfs mensen die nog perfect zelfstandig kunnen wonen, om fiscale redenen door hun (klein)kinderen ertoe zouden worden aangezet om zich in een rust- en verzorgingstehuis te laten opnemen. Dit zou regelrecht indruisen tegen bijvoorbeeld de Vlaamse politiek op dit vlak.
De heer D'Hooghe wijst erop dat hij in zijn wetsvoorstel zoals het is ingediend, geen onderscheid maakt tussen bejaarden die wel en anderen die niet in een rust- en verzorgingstehuis zijn opgenomen. Hij onderstreept dat het pas op suggestie van de minister van Financiën is dat hij de specificatie, en dus de « discriminatie », heeft gesuggereerd.
De enige kritiek die de heer D'Hooghe weerhoudt, is dat moet worden nagegaan of er effectief misbruiken mogelijk zijn. Hij denkt hierbij aan kinderen die niet onderhoudsplichtig zouden zijn, maar uit eigen beweging zouden tussenkomen, het geld zouden recupereren en toch van een belastingaftrek zouden genieten. De heer D'Hooghe vraagt de minister om daarover duidelijkheid te verschaffen. Persoonlijk wenst deze spreker de aftrekbaarheid te beperken tot betalingen voor behoeften bepaald door een officiële instantie. Op die manier denkt hij misbruiken uit te sluiten.
Inzake discriminatie tussen bejaarden die wel en diegene die niet in een rust- en verzorgingstehuis verblijven, wijst de heer D'Hooghe erop dat de gemeenschappen voor de ene categorie wel toelagen geven en voor de andere niet. Het vergelijken van twee personen die zich in een verschillende situatie bevinden, acht hij persoonlijk geen discriminatie. Hij wil dat iets gedaan wordt aan het probleem van de duizenden mensen die hun rusthuisfactuur niet kunnen betalen.
De heer Siquet meent dat onderhoudsgelden een bepaalde invloed hebben op afhankelijke personen die een uitkering voor bejaarden of een integratie-uitkering (als zij nog niet pensioengerechtigd zijn) genieten.
De onderhoudsgelden hebben voorts ook een invloed op het ziekenfondsstatuut van de WIGW's: er wordt minder terugbetaald.
Moet volgens de heer D'Hooghe rekening worden gehouden met de onderhoudsgelden bij het onderzoek naar het inkomen voor, bijvoorbeeld, de afhankelijkheidsuitkeringen en de uitkeringen voor bejaarden die het ministerie van Sociale Voorzorg betaalt ?
De heer D'Hooghe antwoordt dat zijn wetsvoorstel aan die situatie niets wijzigt. De aard van de inkomsten van de bejaarde is van geen belang. Er wordt enkel nagegaan of ze volstaan om de rusthuisfactuur te betalen. Als er in totaal voldoende middelen zijn, dan zijn de kinderen niet onderhoudsplichtig. Het is enkel wanneer het OCMW de onderhoudsplicht bevestigt, dat de hier voorgestelde regeling van toepassing zou worden.
De minister meent dat er verwarring heerst over de term « alimentatiegeld ». Het Burgerlijk Wetboek spreekt uitsluitend van tussenkomst van de kinderen naar rato van de behoeften van hun ouders. Het zegt niets over de vorm waarin die tussenkomst dient te gebeuren. Dit impliceert dat zulks kan bijvoorbeeld door betaling van een factuur van het OCMW ongeacht aan wie die factuur is gericht, door de tenlasteneming van een elektriciteitsfactuur, door een regelmatige storting, enz. Op fiscaal gebied wordt enkel opgelegd dat alimentatiegeld regelmatig moet worden betaald. Dit begrip is overigens onvoldoende gedefinieerd. Vandaar veroorzaakt het soms problemen.
De minister verklaart dat niets de onderhoudsplichtige kinderen belet om meer onderhoudsgeld te betalen dan wat hun ouders strikt nodig hebben om de OCMW-factuur te kunnen betalen zodat deze ook andere normale sociale behoeften hebben kunnen voldoen.
Inzake misbruiken stelt de minister dat er nu reeds worden vastgesteld. Kinderen krijgen het door hen gestorte geld terug en genieten een serieus belastingvoordeel terwijl de ouders weinig of zelfs geen belastingen betalen op de ontvangen bedragen. De fiscale administratie staat machteloos vermits ze geen toegang heeft tot de privé-rekening van de betrokkenen. Zij kan alleen voortgaan op de inkomsten als vermeld in de belastingaangifte.
De hoogte van de aftrekbare onderhoudsgelden wordt beperkt door het Burgerlijk Wetboek tot wat « nodig » is. De beoordeling van dit bedrag door gewone belastingambtenaren doet in de praktijk nogal wat problemen rijzen. Bijgevolg zijn er nu reeds veel geschillen rond de problematiek van de alimentatiegelden.
De heer D'Hooghe vraagt dat de fiscale administratie steekproefsgewijze zou nagaan of er misbruiken zijn inzake alimentatiegelden verschuldigd specifiek ingevolge artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek.
Na een eerste bespreking van zijn wetsvoorstel dient de heer D'Hooghe 3 amendementen in in een poging tegemoet te komen aan de eerder geuite opmerkingen omtrent mogelijke misbruiken (zie stuk Senaat, nr. 2-1209/2).
Amendement nr. 1 strekt ertoe het opschrift te wijzigen. Het vloeit voort uit het amendement nr. 2 dat het artikel 2 wil vervangen. Het voorziet in een belastingvrijstelling ten belope van maximaal 1 000 euro per maand in hoofde van personen opgenomen of verzorgd in een rust- of verzorgingstehuis voor de bedragen die onderhoudsplichtigen betalen aan die rust- of verzorgingstehuizen. De beperking tot ouderen opgenomen in dergelijke instellingen is nieuw. De aftrekmogelijkheid ten belope van 80 % voor de onderhoudsplichtigen blijft behouden.
Het amendement nr. 3 wil een bepaling aan dit voorstel toevoegen om het in werking te laten treden vanaf het aanslagjaar 2003.
De minister van Financiën is van oordeel dat de amendementen weinig verhelpen aan de reeds eerder aangehaalde problemen.
De beperking van de bedragen zoals voorzien door amendement nr. 2 geven op jaarbasis recht op een maximale aftrek van 12 000 euro voor indexatie. Rekening houdend met het feit dat de onderhoudsplichtigen slechts het verschil dienen te betalen tussen de kostprijs van de opname van de gerechtigden en het pensioen van deze laatsten, lijkt het toch nog om een vrij groot bedrag te gaan. Met andere woorden : in de praktijk gaat het niet echt om een beperking.
De heer De Grauwe blijft bij zijn opmerking dat het niet opgaat dat aan de ene kant de verkrijger vrijgesteld wordt van belastingen tot 1 000 euro per maand, terwijl aan de andere kant de onderhoudsplichtige een aftrek van 80 % van het betaalde bedrag geniet.
De heer D'Hooghe merkt op dat de begunstigden mensen zijn die een laag pensioen genieten waarop ze weinig of geen belastingen betalen. Dit pensioen volstaat al niet om de facturen voor het rust- of verzorgingstehuis waar zij verblijven te betalen. Het is dan ook zinloos de door hen of voor hun rekening ontvangen onderhoudsgelden in hun hoofde te belasten vermits die bedragen integraal naar het rust- of verzorgingstehuis gaan. De betrokkenen hebben dus niet de middelen om op die sommen belastingen te betalen. De Schatkist moet dan veel moeite doen om in te vorderen en zal niettemin weinig of geen resultaat te behalen.
Volgens de heer D'Hooghe zorgt de verplichting om de uitkeringen rechtstreeks aan een rust- of verzorgingstehuis te betalen ervoor dat afspraken tussen onderhoudsplichtigen en -gerechtigden met de bedoeling belastingen te ontlopen, onmogelijk worden.
De heren Moens en De Grauwe laken het feit dat hier afgeweken wordt van het algemeen principe waarbij wat voor de betaler aftrekbaar is, belastbaar wordt in hoofde van de genieter.
Op de vraag van de heer de Clippele of de administratie een idee heeft van de budgettaire kost die het aannemen van dit wetsvoorstel met zich zou brengen, antwoordt de minister van Financiën dat die op basis van de inkomsten 2001 en in de veronderstelling dat gemiddeld 5 000 euro per jaar zou worden betaald, op jaarbasis 7 miljoen euro bedraagt.
Het aanvullen van artikel 99, WIB 1992, met een nieuw lid zoals amendement nr. 2 voorstelt, leidt ook tot interpretatieproblemen.
Dit artikel bepaalt immers eerst dat men 80 % van het effectief betaalde of aan de begunstigde toegekende bedrag in aanmerking neemt. Vervolgens worden nog eens 1 000 euro per maand niet aanmerking genomen. De vraag is dan of dat 1 000 euro zijn van het reeds tot 80 % herleide bedrag of van het volledige betaalde bedrag.
Dat klinkt verwarrend vanuit technisch oogpunt.
De heer D'Hooghe vraagt of zijn voorstel meer kans maakt indien hij het maximale bedrag zou verlagen.
De minister wijst erop dat er ook nog het aspect is van de mogelijke discriminatie te opzichte van ouderen die bijvoorbeeld een woning huren en het moeilijk hebben om de huur te betalen en ook geholpen worden door hun kinderen.
Dit belet niet dat hij er zich ten volle bewust van is dat de problematiek geschetst door de heer D'Hooghe een heel reëel probleem is.
De heer D'Hooghe laat opmerken dat hij geen nieuwe discriminatie invoert vermits zij reeds bestaat.
De heer Lozie stelt dat algemeen aanvaard wordt dat er niet tweemaal belasting wordt geheven op dezelfde som. A contrario kan men evenmin eenzelfde som tweemaal vrijstellen. Dat is nochtans wat hier wordt voorgesteld. Vermits het niet de algemene regel is moet dit minstens voldoende worden gemotiveerd.
De heer Roelants du Vivier vreest vooral dat gezien de demografische evolutie in ons land, steeds meer mensen een beroep zullen doen op rust- en verzorgingstehuizen. De budgettaire kost van deze maatregel zou dus wel eens exponentieel kunnen toenemen. Heeft men daar schattingen over gemaakt ?
De minister antwoordt hierop ontkennend.
De heer Siquet vraagt of er een verschil bestaat tussen de onderhoudsgelden zoals die hier worden gedefinieerd en de beslagen die het OCMW uitvoert om de sommen die aan de rusthuizen verschuldigd zijn, aan te vullen.
De minister vindt het woord « beslag » een beetje kras. De financiële inspanning die de kinderen leveren om te voorzien in de behoeften van hun ouders, wordt beschouwd als een onderhoudsgeld. Het Burgerlijk Wetboek verplicht de kinderen daartoe. Het fiscaal recht kent geen specifieke regels over onderhoudsgelden.
De heer De Grauwe ziet problemen zowel met de budgettaire kost, met de afwijking van de algemene principes in fiscale zaken als met de mogelijke discriminatie. Daarenboven vreest hij afspraken binnen families om de totale belastingdruk naar beneden te halen.
De heer Steverlynck komt terug op de problematiek van het doen betalen van belastingen door bejaarden op een inkomen waarover ze niet vrijelijk beschikken. Nadat het OCMW een eerste keer is tussengekomen om de instelling te betalen en om haar interventie op de kinderen te verhalen, moet datzelfde OCMW weer tussenkomen om de belastingschuld te betalen. Het is toch duidelijk dat hier iets schort.
De heer De Grauwe wijst anderzijds op de fiscale aftrek in hoofde van de kinderen. Vermits die normaal belast worden tegen een hoger marginaal tarief dan hun ouders, blijft er globaal een netto-belastingsbesparing voor de betrokken families.
De heer D'Hooghe acht het handhaven van de belastbaarheid van de onderhoudsgelden in hoofde van de genieters hypocriet. Immers, men weet pertinent dat die belasting in de meeste gevallen toch niet kan en zal betaald worden.
Het veroorzaakt alleen een hoop miserie in de instellingen en de OCMW's; het roept frustraties op zowel bij de ouderen als bij hun kinderen. Deze laatsten genieten nu reeds de aftrekmogelijkheid. Bijgevolg creëert dit wetsvoorstel geen bijkomende mogelijkheden tot misbruik.
Ten aanzien van de heer Lozie stelt de heer D'Hooghe dat de motieven achter zijn wetsvoorstel heel duidelijk sociaal zijn. De tarieven in de rust- en verzorgingstehuizen zijn zo hoog geworden dat het pensioen van ongeveer een derde van de betrokkenen niet volstaat om de factuur te betalen. De hier voorgestelde maatregel kan bijdragen tot de algemene bekommernis om de bejaardenzorg betaalbaar te houden.
De heer D'Hooghe twijfelt ook aan de raming met betrekking tot de budgettaire kost die zijn wetsvoorstel zou meebrengen. Hij meent dat praktisch geen belastingen effectief geïnd worden op die 80 % van de onderhoudsgelden die belast worden in hoofde van de betrokken ouderen.
De heer Siquet wijst erop dat in de rust- en verzorgingstehuizen ook vaak koppels verblijven. De financiële noden zijn dan nog veel groter. De kinderen kunnen die onderhoudsgelden dan nog moeilijk opbrengen.
De minister wijst erop dat die materie wordt geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Men houdt rekening met de noden van de begunstigden en met het inkomen van de schuldenaar. Beide elementen bepalen de omvang van het verschuldigde onderhoudsgeld.
In de praktijk interpreteert de fiscus die bedragen.
Ondanks het feit dat de voorzitter vaststelt dat de commissie inzake dit wetsvoorstel voorlopig niet tot een consensus komt, dringt de heer D'Hooghe op een stemming aan.
Artikel 1 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen. Dit houdt de verwerping van het wetsvoorstel in zijn geheel in.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 10 aanwezige leden.
| De rapporteur, Olivier de CLIPPELE. |
De voorzitter, Paul DE GRAUWE. |