2-1491/1

2-1491/1

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

19 FEBRUARI 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 768 en 1107 van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van een artikel 29bis in het Wetboek van strafvordering

(Ingediend door de heren Josy Dubié en Philippe Mahoux)


TOELICHTING


In de nationale pers van 22 juni 2001 (1) werd ruchtbaarheid gegeven aan de opzet van 25 advocaten die een gemeenschappelijke brief hebben gericht aan de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en aan de politici die zich bijzonder bekommerd tonen om de effectieve inachtneming, zowel feitelijk als vormelijk, van het beginsel van de gelijkheid van de partijen tijdens het stafproces. Daaraan wordt nu afbreuk gedaan door de bevoorrechte plaats van de aanklager op de terechtzittingen van de strafgerechten.

Die advocaten zetten in die brief uiteen dat almaar meer rechtzoekenden ­ als beklaagde of als burgerlijke partij ­ (en advocaten) het er echt moeilijk mee hebben de bevoorrechte plaats van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie in een strafzaak te begrijpen en te aanvaarden : die vertegenwoordiger verschijnt immers ter terechtzitting samen met de rechter, staat dicht bij zijn verhoogde plaats en zijn tafel en trekt zich na de sluiting van de debatten met hem terug in de raadkamer (de plaats van beraadslaging), hoewel de Justitie van een democratische Staat geacht wordt de in het geding zijnde partijen voor de rechter op een zelfde hoogte te stellen.

Men kan er best van overtuigd zijn dat die positie van het openbaar ministerie op de terechtzitting ten opzichte van de andere pleiters geen voordeel oplevert en dat geen enkele substituut of advocaat-generaal die zich samen met de rechter alleen in de raadkamer bevindt, er zou aan denken deze of gene beraadslaagde zaak ter sprake ter brengen, toch heeft het er alle schijn van, hetgeen volstaat om bij de rechtzoekenden twijfels en vermoedens te doen rijzen. Die mensen spreken er dan over met hun advocaat, die ten aanzien van die archaïsche toestand al even versteld staat, zeker nu we helemaal in de 21e eeuw leven.

Er valt evenwel niet langer te betwisten dat het openbaar ministerie in strafzaken een « partij in het geding » is ­ en niet de minste ­ die haar stellingen wil doordrukken en wil overtuigen en er dus noodzakelijkerwijs toe gebracht wordt haar argumentatie in die zin te ontwikkelen. Een en ander brengt met zich mee dat het openbaar ministerie zich niet aan strikte objectiviteit en onpartijdigheid zal houden. In die logica zou het niet mogen kunnen dat de aanklager zich met de rechter op de verhoging bevindt ­ wie voor het eerst met het gerecht in aanraking komt, krijgt zo de indruk dat de aanklager een rechter is ­ en de rechtbank naar de raadkamer vergezelt.

Het loont ook de moeite er het in 1998 geredigeerde werk « Amour sacré de la Justice » van de heer Foulek Ringelheim (2), die toen rechter te Nijvel was, op na te slaan en vast te stellen dat zelfs magistraten bij een dergelijke toestand tijdens een strafzaak niet onbewogen blijven :

« Le quiproquo est à son comble quand le procureur, après la clôture des débats, par une sorte de lapsus judiciaire, accompagne avec un naturel confondant, les juges dans la salle des délibérés. »

Rechtscolumnist Philippe Toussaint van zijn kant merkt het volgende op (3) :

« Je ne crois pas que beaucoup de prévenus en correctionnelle ou d'accusés aux assises, tiennent pour négligeable que les procureurs requièrent de plus haut que les avocats ne plaident. On aura beau s'époumoner à expliquer que les droits de la défense font fi de ces considérations accidentelles, il continuera de paraître aux justiciables que la partie n'est pas égale. »

Meer nog, de opstelling van de strafrechtelijke terechtzitting, die gekenmerkt wordt door die heel opvallende plaats van één van de bij de zitting betrokken actoren en door diens aanwezigheid, alleen met de rechter, in de raadkamer ­ de wettelijke plaats voor de beraadslaging (4) ­ zou in de meest onbetekenende burgerlijke of handelszaak, waarin immers de meest strikte gelijkheid tussen de partijen heerst, terecht als volstrekt onduldbaar worden beschouwd en als dusdanig worden aangepakt.

Het komt ons voor dat het heel vaak (om niet te zeggen stelselmatig) voorkomt, dat de rechtzoekenden op de terechtzittingen in strafzaken, zij het als beklaagde, als burgerlijke partij of als lid van het publiek dat het proces komt bijwonen, de rechter en de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie door elkaar halen : het publiek krijgt deze laatsten immers te zien als zij samen de zittingszaal vanuit een zelfde ruimte (de raadkamer) betreden en samen zitting hebben op de verhoging, het gedeelte van de zaal dat ten aanzien van de andere personen is verheven.

De advocaat mag dan al aan de rechtzoekenden die hem daarover vragen stellen, uitleggen dat men een onderscheid moet maken, dat het openbaar ministerie in de debatten geen rechter maar een van de partijen is, dat zijn requisitoir nog niet het vonnis is, ... Meestal is die uitleg tevergeefs, want enkele ogenblikken later koestert de cliënt dezelfde twijfels en heeft hij weer dezelfde gewettigde vragen. Hoe zou men hem immers kunnen verwijten op een dwaalspoor te zitten, gelet op de opvallende positie van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie op de strafzitting : hij neemt deel aan het proces en verschijnt er feitelijk bijna met de uiterlijke kenmerken van een rechter, door de plaats die hij er heeft ­ op het verhoogde gedeelte, rechts van de rechter ­, en door het feit dat hij de rechter vergezelt wanneer die de zittingszaal betreedt en verlaat en met hem de belendende ruimte, de raadkamer, deelt. Toch zij erop gewezen dat de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie eertijds, samen met de advocaten, hun plaats hadden op de plankenvloer van de zittingszaal, aan de « balie », aan de voet van de verhoging waarop de rechters gezeten waren. Vandaar komt trouwens de uitdrukking « het parket », om naar het openbaar ministerie te verwijzen (5).

Zowel in Italië als Portugal werd het openbaar ministerie al enkele jaren geleden opnieuw zijn plaats van weleer gegeven, blijkbaar de enig juiste : aan de balie, samen met de overige pleiters. Overigens mag het openbaar ministerie zich niet langer in afwezigheid van de andere partijen samen met de rechter in de raadkamer bevinden. In de ogen van de mensen op het terrein heeft dit in de gerechtelijke wereld geleid tot een ingrijpende en heilzame mentaliteitswijziging en bij de rechtzoekenden tot een gewijzigde perceptie.

Het zou een misvatting zijn de plaats van de diverse partijen in de inrichting van de zittingszaal als een onbenulligheid of als een onbelangrijk detail af te doen. Integendeel, voor de rechtzoekenden is die opstelling het enig zichtbare (en toegankelijke) deel van de werking van de strafrechtspleging; die is dan ook doorslaggevend voor de beeldvorming ervan. In dat verband is het trouwens typisch dat als het publiek het bij televisiedebatten en dergelijke over de justitie heeft, het daarbij steevast het strafgerecht ter sprake brengt.

Het zou niet correct zijn te stellen dat het aangekaarte aspect alleen de verdachten (de beklaagden) en niet de slachtoffers (de burgerlijke partijen) zou aanbelangen of beroeren, en op die manier het vraagstuk te minimaliseren door te stellen dat men, alles bij elkaar genomen, niet al te zwaar hoeft te tillen aan het feit dat personen tegen wie een vervolging loopt, worden berecht in omstandigheden die de aanklager bevoordelen.

Zulks zou niet alleen een aanfluiting zijn van de beginselen die in het rechtsbestel van een rechtsstaat moeten primeren, maar zou tevens betekenen dat men uit het oog verliest dat het geregeld voorkomt dat de vraag van het slachtoffer (de burgerlijke partij) geheel of gedeeltelijk stuit op het afwijkend standpunt van het openbaar ministerie; gelet op de opvallende plaats die het openbaar ministerie inneemt, (al te) dicht bij de rechter, komt zulks bij de betrokken burgerlijke partij over als evenzoveel hinderpalen en handicaps om zijn standpunt op dat van de aanklager te doen zegevieren. Het gevolg is dat ook van de slachtoffers kritiek en een ongunstige beoordeling uitgaat ten aanzien van de thans in strafzaken en in het strafgerecht in het algemeen geldende opstelling in de zittingszaal.

Het onderwerp lijkt ons nog actueler daar bij het Internationaal Strafgerechtshof voor ex-Joegoslavië in Den Haag ­ waarbij Belgische ambtenaren van het ministerie van Justitie zijn ingeschakeld ­ een volstrekte gelijkheid van de partijen geldt, zonder dat een bevoorrechte plaats wordt toegekend aan de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, die op een zelfde niveau als de verdediging en de burgerlijke partijen staat; voorts staat hij niet bijzonder dicht bij de rechters, die hij uiteraard nooit alleen in de raadkamer, de plaats van beraadslaging, mag vergezellen.

Het is ook treffend vast te stellen dat de Servische en Kroatische beschuldigden en slachtoffers op die manier voor die rechtbank, die onder meer door België is ingesteld, waarborgen genieten inzake gelijkheid van de partijen en dus ook inzake een billijk proces, die de Belgische rechtzoekenden voor hun nationale rechtbanken niet in dezelfde mate genieten.

Ons land beroemt zich voorts terecht op haar vooruitstrevende wetgeving die het buitenlandse slachtoffers van buiten België gepleegde misdaden tegen de menselijkheid mogelijk maakt de plegers ervan voor onze strafgerechten te doen brengen; dan mag onze strafprocedure toch niet blootstaan aan de kritiek van rechtsonderhorigen die in hun interne regeling de meest strikte gelijkheid kennen tussen alle in het geding zijnde partijen, de aanklager inbegrepen.

Voorts vragen de gerechtelijke autoriteiten van ons land regelmatig om de instelling van een Europees strafrecht en /of strafgerecht, vooral met betrekking tot de bestraffing van witteboordencriminaliteit.

Maar zullen de Belgische gerechtelijke autoriteiten de dag dat die wens wordt verwezenlijkt en de eerste terechtzitting van dat Europees strafgerecht plaatsheeft, dan de andere Europese Staten en meer bepaald Groot-Brittannië, Italië, Portugal enzovoort in alle redelijkheid kunnen doen aanvaarden dat de Belgische vertegenwoordiger van het openbaar ministerie plaatsneemt op het verhoogde gedeelte, rechts van de rechter, dicht bij zijn tafel, en hem bovendien vergezelt naar de raadkamer, de plaats van beraadslaging, waar niemand hen ziet en in afwezigheid van de andere partijen ?

Die vraag stellen betekent in onze ogen ze ook beantwoorden. We zullen ons die dag immers uiteraard moeten schikken naar wat nu al zo elementair en evident lijkt dat er opnieuw kritiek zal komen op het gerecht in ons land en zijn onbekwaamheid om de nodige verbeteringen en hervormingen uit te voeren vóór die van buitenaf of door de gebeurtenissen worden opgelegd.

Die vraag is trouwens bijzonder actueel, aangezien in het Belgisch Staatsblad van 1 december 2000 de wet van 25 mei 2000 houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome op 17 juli 1998, werd gepubliceerd.

De pers heeft het (historisch) standpunt van de minister van Justitie ten opzichte van een terugkeer van het openbaar ministerie in strafzaken naar een zelfde niveau als de andere in het geding zijnde partijen overgenomen : « Le Parquet au plancher » en « Verwilghen veut rabaisser le siège du ministère public » zijn er de sprekende titels van (6).

Tot op heden is dat standpunt van de minister van Justitie echter bij een intentieverklaring gebleven; toch heeft het ook een historische dimensie en derhalve een belangrijke waarde, aangezien dat vraagstuk nog nauwelijks kan worden afgedaan als onbetekenend detail of een « timmerfout », zoals sommigen met neerbuigende ironie verklaren aan degenen die de zaak ter harte nemen.

We kunnen niet nalaten hier te herinneren aan de woorden van de heer Fonteyne, een van de parlementsleden die betrokken waren bij de uitwerking van het enig artikel van de wet van 19 april 1949, dat in 1967 artikel 768 van het Gerechtelijk Wetboek is geworden (7) en dat bepaalt dat het openbaar ministerie in het kader van de beraadslaging niet samen met de rechter in de raadkamer aanwezig mag zijn (een bepaling die dagelijks wordt ontzenuwd door de aanwezigheid van het openbaar ministerie in de raadkamer, alleen met de rechter, die zich nochtans beraadt over talrijke zaken waarin de betrokken substituut partij is) :

« Nous n'ignorons pas que, dans la très grande majorité des cas, la délicatesse et la loyauté des représentants du ministère public suffisent à assurer le respect des principes en la matière.

Il n'est cependant pas admissible qu'une matière aussi importante demeure abandonnée à la prudence des représentants du ministère public et ne soit pas formellement réglée par des dispositions impératives.

(...)

Mesdames, Messieurs, j'ai l'habitude de parler franchement. Je déteste l'hypocrisie et je n'aime pas du tout que, dans une matière de ce genre, on accuse ceux qui veulent apporter certaines améliorations et cherchent à mettre fin à des abus ou prévenir des possibilités d'abus connus de tout le monde, d'offenser la magistrature et de porter atteinte au respect qui lui est légitimement dû.

Ce n'est pas offenser la magistrature ni la justice que de vouloir introduire dans son statut des textes qui rendent des abus impossibles, et je crois que notre corps judiciaire ne peut qu'applaudir et applaudit effectivement à l'introduction de dispositions de ce genre qui protègent précisément sa respectabilité.

Notre magistrature doit être respectée. Pour qu'elle le soit, il ne suffit pas que nous affirmions qu'elle doit l'être; il ne suffit pas que nous en soyons personnellement convaincus; il faut aussi qu'elle soit à l'abri de toute suspicion, même injuste.

Tous les praticiens savent que, contrairement à ce que M. le ministre nous disait il y a quelques instants, à savoir qu'il n'y a jamais eu de critiques dans l'ordre d'idées qui m'a amené au dépôt de la proposition qui nous est soumise, tout le monde sait que les justiciables, à tous moments, élèvent des critiques au sujet d'apparences auxquelles il faut mettre fin.

On voit dans certains tribunaux les représentants du ministère public se retirer avec les magistrats. Dans certains tribunaux, ­ bien entendu, ce n'est pas le cas dans la plupart ­ on voit parfois, à l'audience, les représentants du ministère public se lever de leur siège et converser avec les magistrats. Evidemment, nous sommes convaincus que les représentants du ministère public qui agissent ainsi ne songent pas du tout à influencer les délibérations du tribunal.

Ils ne cherchent pas à se mêler de cette dernière, mais ils en donnent l'apparence, et cela suffit.

(...)

M. le ministre de la Justice nous disait il y a un instant, que le parlement ne doit s'occuper que de choses importantes. En matière de justice, une des choses les plus importantes dont nous puissions nous occuper, c'est la garantie des droits de la défense et la protection des justiciables contre une influence exercée, sans possibilité de contradiction, par le parquet vis à vis du siège » (8).

Een ander parlementslid, senator Ancot, merkte inzake het enig artikel van de wet van 19 april 1949 het volgende op (nog steeds in 1948, dus ruim 52 jaar geleden, maar zijn woorden zijn in het licht van de huidige werking van onze rechtbanken verontrustend actueel gebleven) :

« Il est encore assez déplaisant, par exemple, de voir, dans des tribunaux où siège un juge unique, le magistrat du ministère public, appelé à siéger à quelque distance du juge, se glisser auprès de lui, entamer avec lui des conversations que je suppose inoffensives et innocentes, mais qui provoquent chez le public qui assiste au procès une impression désagréable, et peuvent lui faire supposer qu'une certaine influence pourrait s'exercer ou que la cause dont le magistrat assis aura à juger pourrait se débattre au cours de ces entretiens ou encore que ces conversations pourraient se prolonger de manière plus dangereuse lorsque le tribunal sera appelé à se retirer en chambre du conseil (...) » (9).

We kunnen er niet omheen dat de wetgever in 1949 duidelijk wenste dat er een einde kwam aan de te grote nabijheid van het parket ten opzichte van de rechters op de terechtzitting en in de raadkamer, en dat de Belgische wetgever al in 1949 de belangrijkheid van de vorm benadrukte. 30 jaar later wordt zulks bekrachtigd door het Europees Hof voor de rechten van de mens en heel terecht uitgedrukt door de van gezond verstand getuigende formule : « Justice must not only be done, it must also be seen to be done. »

Feit is echter dat de nochtans duidelijk geformuleerde wil van de wetgever dode letter is gebleven, aangezien het dagelijks voorkomt dat de openbare aanklager en de rechter elkaar in de raadkamer treffen zonder dat de andere partijen en hun advocaat aanwezig zijn, wat de rechtzoekende begrijpelijkerwijze versteld doet staan en meebrengt dat bij hem een stil wantrouwen ten opzichte van het strafgerecht groeit.

Het is niet onbelangrijk erop te wijzen dat tijdens de voornoemde parlementaire besprekingen de al aangehaalde senator Ancot te kennen heeft gegeven dat het wellicht niet nodig was een wet uit te vaardigen om komaf te maken met die aan de kaak gestelde nabijheid; omstandige instructies van de minister van Justitie of van de procureurs-generaal aan hun procureurs en substituten zouden, zo stelde hij, kunnen volstaan om dat te bereiken.

Die instructies zijn er niet alleen blijkbaar nooit gekomen, maar zelfs de wet, die nochtans overbodig werd geacht, is er niet in geslaagd dat te verhelpen, waaruit valt op te maken dat dit aspect van het verloop van de strafzitting voordelen oplevert waarvan sommigen kennelijk geen afstand konden doen.

Het betekent ook dat het om een allesbehalve onschuldig onderwerp gaat en dat degenen die de ernst ervan willen minimaliseren weinig geloofwaardig zijn. Mocht het immers om een echt onbelangrijk onderwerp gaan, een detail, dan ligt het voor de hand dat die ondubbelzinnige reactie van de wetgever en het eruit voortgevloeide enig artikel van de wet van 19 april 1949 ­ een bepaling die in 1967 als artikel 768 in het Gerechtelijk Wetboek is overgenomen ­ een einde hadden moeten maken aan de gehekelde aanwezigheden van de aanklager bij de rechter in de raadkamer.

Als de wil van de Belgische wetgever in 1949 in de praktijk geen effect heeft gehad, vermits aan die verboden bijeenkomsten in de raadkamer nooit een einde is gekomen, dan is dat eigenlijk te wijten aan het feit dat de wetgever van 1949 helaas heeft nagelaten ook wetgevend op te treden om ervoor te zorgen dat het openbaar ministerie terugkeert naar zijn plaats van weleer, aan de balie met de andere in het geding zijnde partijen; door het openbaar ministerie op het verhoogde gedeelte te laten, aan de tafel van de rechter, heeft de wetgever jammer genoeg de configuratie intact gelaten die ertoe aanzet dat hun te grote nabijheid op de terechtzitting tot in de raadkamer blijft voortduren.

Een terugkeer van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie naar zijn plaats van weleer, aan de balie, zoals Italië en Portugal enkele jaren geleden hebben gedaan, is derhalve nodig om de daadwerkelijke inachtneming van de gelijkheid van de partijen op een strafproces te waarborgen, zowel feitelijk als vormelijk (en de naleving van artikel 768 van het Gerechtelijk Wetboek); anders duren praktijken voort die de fundamentele rechtsbeginselen in een door gelijkheid gekenmerkte democratische Staat blijvend tarten (10).

Een hervorming in die zin zou ook makkelijker zijn, precies omdat er hoe eigenaardig ook geen wet of enig besluit is dat de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie toestaat een opvallende en bevoorrechte plaats in te nemen ten opzichte van de andere in het geding zijnde partijen, op het verhoogde gedeelte van de rechter, en nog minder hem te vergezellen naar de raadkamer, de plaats van de beraadslaging (wat de wetgever van 1949 en 1967 daarentegen uitdrukkelijk, maar tevergeefs, heeft willen verbieden).

Tot slot merken we terloops nog op dat de fiscale administratie, die evenzeer het openbaar belang van de samenleving vertegenwoordigt en die daarbovenop de strafvordering bij douanemisdrijven (11) instelt, op de terechtzitting daarom niet over enige bevoorrechte plaats beschikt, maar optreedt aan de balie en dezelfde toegangsdeur tot de zittingszaal gebruikt als de andere in het geding zijnde partijen en de advocaten. Toch wordt er inzake fiscale aangelegenheden en douanemisdrijven daarom niet minder goed recht gesproken.

Er lijkt ons dan ook niets in de weg te staan voor een terechte terugkeer van het openbaar ministerie naar zijn plaats van weleer, tenzij eventueel de gevoeligheden van sommigen en de zin voor een zekere superioriteit van anderen, allemaal elementen die geen voorrang mogen krijgen op de verzuchting van de rechtzoekende naar meer gelijkheid en toegankelijkheid in de justitie.

Opmerkelijk is trouwens dat er een gelijksoortig vraagstuk bestaat inzake het verloop van de terechtzittingen in het kader van de burgerlijke zaken die « mededeelbaar » zijn aan het openbaar ministerie (onder andere inzake gezinsrecht, sociaal recht enzovoort), waarin het openbaar ministerie de rechter advies over de betrokken zaak verstrekt.

Ook bij die terechtzittingen is de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie alleen met de rechters in de raadkamer, de plaats van beraadslaging, en neemt hij plaats aan hun tafel op het verhoogde gedeelte.

Het feit dat de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie in dergelijke burgerlijke zaken ten opzichte van de andere in het geding zijnde partijen een verheven en opvallende plaats inneemt, is eventueel te begrijpen omdat hij niets vordert (vraagt), maar louter advies geeft; toch laat het de rechtzoekenden niet onberoerd te moeten vaststellen dat de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die eventueel een aan hun stelling tegengesteld advies heeft gegeven en derhalve niet langer neutraal is ten opzichte van de inzet van het geschil, de rechters naar de raadkamer, de wettelijke plaats van beraadslaging, mag vergezellen zonder dat de partijen aanwezig zijn.

Ook in die mededeelbare burgerlijke zaken zou dus een einde moeten worden gesteld aan de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie met de rechters in de raadkamer. Die aanwezigheid brengt immers op nodeloze en schadelijke wijze verwarring teweeg bij de rechtzoekenden.

Josy DUBIÉ.
Philippe MAHOUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 768 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :

« Onverminderd het eerste lid is het openbaar ministerie in geen geval samen met de rechters in de raadkamer aanwezig als de partijen in het geding of hun advocaat er afwezig zijn, zulks op straffe van nietigheid van de procedure. Het openbaar ministerie heeft alleen toegang tot de zittingszaal via de toegangsdeur van de advocaten en het publiek, zulks op straffe van nietigheid van de procedure. »

Art. 3

Artikel 1107 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :

« Onverminderd artikel 768, eerste lid, is het openbaar ministerie in geen geval samen met de raadsheren bij het Hof van Cassatie in de raadkamer aanwezig als de partijen in het geding of hun advocaat er afwezig zijn, zulks op straffe van nietigheid van de procedure. Op de terechtzitting in strafzaken treedt het openbaar ministerie uitsluitend op aan de balie, bij de bank van de burgerlijke partij, en heeft alleen toegang tot de zittingszaal via de toegangsdeur van de advocaten en het publiek, zulks op straffe van nietigheid van de procedure. »

Art. 4

In het Wetboek van strafvordering wordt een artikel 29bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 29bis. ­ Onverminderd artikel 768, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is het openbaar ministerie in geen geval samen met de rechters in de raadkamer aanwezig als de partijen in het geding of hun advocaat er afwezig zijn, zulks op straffe van nietigheid van de procedure.

Op de terechtzitting treedt het openbaar ministerie uitsluitend op aan de balie, bij de bank van de burgerlijke partij, en heeft alleen toegang tot de zittingszaal via de toegangsdeur van de advocaten en het publiek, zulks op straffe van nietigheid van de procedure. »

Art. 5

Deze wet is van toepassing op alle terechtzittingen die plaatshebben vanaf de dag volgend op die van haar inwerkingtreding. Ze heeft geen weerslag op de regelmatigheid van de procedure van de lopende of gesloten gedingen wat het verloop van de aan de inwerkingtreding voorafgaande terechtzittingen betreft.

12 februari 2003.

Josy DUBIÉ.
Philippe MAHOUX.

(1) « Le Soir », 22 juni 2001, blz. 4; « La Libre Belgique », 22 juni 2001, blz. 5.

(2) F. Ringelheim, « Amour sacré de la Justice », éditions Labor, 1998, blz. 28.

(3) Ph. Toussaint, « L'accident de menuiserie », in « Journal des Procès », 1996, nr. 303, blz. 5.

(4) Zie artikel 768 van het Gerechtelijk Wetboek.

(5) Zie « Revue Pratique de droit belge », deel 8, ministère public, blz. 172, nr. 7 : « C'est apparemment lorsque le ministère public fut pressenti par le Prince, au 15e siècle, pour assumer une fonction politique de surveillance des juges en marge de son rôle judiciaire, que sa place à l'audience fut rehaussée au niveau de celle du juge, car comment exercer la moindre surveillance utile en étant placé en contrebas de l'estrade et comment surtout faire ressentir cette présence au magistrat en se tenant si loin et plus bas que lui ? »

(6) « La Libre Belgique », 24 september 1999, blz. 1 en 5.

(7) Het gaat om het enige artikel van de wet van 19 april 1949, voortgekomen uit een wetsvoorstel van 22 april 1948 en momenteel in het Gerechtelijk Wetboek opgenomen als het huidige artikel 768 : « Het openbaar ministerie woont de beraadslaging van de rechters niet bij, wanneer dezen zich in de raadkamer terugtrekken om over het vonnis te beslissen, zulks op straffe van nietigheid van de beslissing. »

(8) Parlementaire Handelingen, Senaat, zitting 1948-1949, vergadering van 10 november 1948, blz. 21-24.

(9) Ibidem.

(10) Het heeft geen zin daartegen in te brengen dat een dergelijke hervorming aanleiding zou geven tot aanzienlijke verbouwingskosten van de verhoogde gedeelten in de zittingszalen, omdat daarin zogezegd de huidige plaats van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zou moeten worden weggehaald. Die plaats kan best aan de getuigen worden toegekend, zodat ze hun verklaring kunnen afleggen ten overstaan van zowel de rechtbank als de in het geding zijnde partijen, wat nu niet het geval is; tijdens hun getuigenis staan de getuigen met hun rug naar de burgerlijke partij en de beklaagde, en kijken hen niet aan.

(11) Zie de artikelen 267 tot 285 van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen; Cass., 11 februari 1997, Pas. I, blz. 164; H.-D. Bosly & D. Vandermeersch, « Droit de la procédure pénale », Brugge, Die Keure, 1999, blz. 101.