2-1489/1

2-1489/1

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

19 FEBRUARI 2003


Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot de aftrekbaarheid van de verzekeringspremies voor beschermde gebouwen

(Ingediend door de heer Olivier de Clippele)


TOELICHTING


Veel van de beschermde gebouwen zijn niet of onvoldoende verzekerd tegen de risico's die verband houden met onroerend goed.

Alhoewel die beschermde gebouwen geen grote handelswaarde hebben, dekt de verzekering een herstelling of het heropbouwen in nieuwe toestand. Er zijn dan ook veel eigenaars van voor het publiek toegankelijke beschermde gebouwen die premies moeten betalen van meer dan 2 500 euro.

Wanneer er schade is aangericht, zijn de kosten voor herstelling en vernieuwing echter veel hoger en vallen zij gedeeltelijk ten laste van de gemeenschap. Deze heeft er dus alle belang bij om preventief op te treden en de eigenaars ertoe aan te zetten zich behoorlijk te verzekeren.

Artikel 104, 8º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen maakt het mogelijk de uitgaven voor werken aan die beschermde gebouwen fiscaal af te trekken, voor zover die onroerende goederen voor het publiek toegankelijk zijn. Het lijkt dan ook onlogisch dat men werken kan aftrekken die absoluut noodzakelijk zijn na een schadegeval, terwijl men niet preventief zou kunnen optreden door zich tegen de risico's die met dit soort schade verband houden, te verzekeren.

Iedereen weet dat beschermde monumenten vaak ten prooi vallen aan brand, stormschade, waterschade, diefstal en vandalisme. De schade aan die gebouwen wordt vaak nooit hersteld, omdat de gebouwen niet of onvoldoende verzekerd waren. Zonder verzekering is er geen herstelling en zonder herstelling stort het gebouw uiteindelijk in, zodat iedereen er tenslotte bij verliest : de eigenaar ­ vanwege zijn gebrek aan voorzorg of aan middelen ­ en de gemeenschap, aangezien het erfgoed haar door zijn culturele waarde indirect toebehoort.

De kosten van de verzekering dienen uiteraard verdeeld te worden over de Staat en de eigenaar. Als men het eens is over het feit dat deze goederen tot ons erfgoed behoren en dat zij in die hoedanigheid beschermd moeten worden en tot het openbaar bezit gerekend kunnen worden, moet dit normalerwijze leiden tot het delen van de verzekeringspremie voor die gebouwen.

Deze verdeling mag echter niet beschouwd worden als een fiscaal cadeau. Ze zou de vorm aannemen van een fiscaal aftrekbare uitgave, wat de eigenaar ertoe moet aanzetten nog lange tijd een goede conservator te blijven van een semi-openbaar bezit.

Een bijkomend pluspunt van het verzekeren en beschermen van dit soort erfgoed is dat een gedeelde verzekeringspremie in het voordeel van de Staat werkt, in die zin dat de Staat, ingeval de verzekering schade en verlies kan voorkomen, erfenisrechten kan innen wanneer het bewaarde erfgoed overgaat naar de volgende generatie.

Verder kan de Staat door het invoeren van de verzekering voor beschermde gebouwen, aangezien de overheid deelt in de kosten van de premie, inzagerecht doen gelden in het verzekeringscontract.

Olivier de CLIPPELE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 104, 8º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden, voor de woorden « de helft », de woorden « de verzekeringspremies die worden betaald aan een erkende verzekeringsmaatschappij om de volgende risico's te dekken : brand, storm, hagel, waterschade, natuurrampen, daden van terrorisme of van vandalisme, diefstal of vernietiging van kunstwerken die door incorporatie of bestemming deel uitmaken van het gebouw, alsook » ingevoegd.

7 november 2002.

Olivier de CLIPPELE.