2-704/7

2-704/7

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

4 FEBRUARI 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten in de context van de ontwikkeling van de informatiemaatschappij


AMENDEMENTEN


Nr. 44 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ In artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) In het eerste lid worden de woorden « ... direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk » ingevoegd tussen de woorden « in welke vorm ook » en de woorden « te reproduceren »;

B) In het vierde lid, worden de woorden « , met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, » ingevoegd tussen de woorden « volgens ongeacht welk procédé » en de woorden « aan het publiek »;

C) Deze paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid :

« Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht elke vorm van distributie van het origineel van het werk of van kopieën ervan aan het publiek, door verkoop of anderszins, toe te staan. »

Verantwoording

1º De definitie van het begrip reproductierecht in de wet wordt aangepast aan de terminologie van de richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij.

Reeds geruime tijd wordt in de rechtsleer en rechtspraak aanvaard dat het reproductierecht een ruim begrip is, en dat het zowel de directe als indirecte reproductie omvat, alsook de tijdelijke reproductie (van voorbijgaande aard, zoals het bewaren in het geheugen van een computer) en duurzame reproductie. De ontworpen tekst bevestigt dus de huidige ruime draagwijdte van het woord reproductie, en beperkt op geen enkele wijze de bestaande rechtspraak.

2º Het recht op mededeling aan het publiek op grond waarvan de auteur de mogelijkheid wordt geboden zijn werk op enige wijze mee te delen of niet mee te delen, is door de richtlijn (artikel 3, § 1, van richtlijn 2001/29/EG) gewijzigd teneinde rekening te houden met de nieuwe mogelijkheden tot mededeling van een werk in het informatietijdperk. Thans is het immers mogelijk een werk op zodanige wijze ter beschikking van het publiek te stellen dat eenieder op het tijdstip en de plaats van zijn keuze toegang tot het werk kan hebben. Het ideale voorbeeld van die mogelijkheid is een werk on line via het internet beschikbaar te stellen. De richtlijn heeft dan ook betrekking op die interactieve toegang « op verzoek » tot de betrokken werken en voorwerpen, te weten na een individuele keuze via een internetverbinding.

De ontworpen tekst vermindert noch beperkt de klassieke ruime draagwijdte van het recht op mededeling aan het publiek, zoals dat sinds geruime tijd door rechtspraak en rechtsleer aanvaard is, meer bepaald als een gevolg van de woorden « volgens ongeacht welk procédé » in artikel 1, § 1, vierde lid, van de wet van 30 juni 1994.

Niettemin is het met het oog op de duidelijkheid en de rechtszekerheid absoluut noodzakelijk dat het Belgisch recht een bepaling bevat waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het recht van de auteurs om hun werken al dan niet on line op het internet te plaatsen.

Zoals considerans 23 van voormelde richtlijn 2001/29/EG aangeeft, moet aan het recht van mededeling aan het publiek een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezige publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.

Eveneens wordt het recht van beschikbaarstelling voor het publiek geacht alle handelingen van beschikbaarstelling te bestrijken voor niet op de plaats van oorsprong van de beschikbaarstelling aanwezige leden van het publiek, en geen andere handelingen te bestrijken (considerans 24 van voormelde richtlijn 2001/29/EG).

3º Ten slotte wordt krachtens richtlijn 2001/29/EG een distributierecht ingevoerd met betrekking tot werken en voorwerpen beschermd door naburige rechten. Dit recht is alleen van toepassing op de materiële exemplaren van een werk. Overeenkomstig het Belgische recht is dit recht alleen uitdrukkelijk verleend aan de uitvoerende kunstenaars (artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 30 juni 1994), aan de producenten van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films (artikel 39, derde lid, van de wet van 30 juni 1994), evenals aan de omroeporganisaties [artikel 44, b), van de wet van 30 juni 1994]. De wet voorziet niet in dit recht ten aanzien van de auteurs maar logischerwijs wordt hen dit recht krachtens de rechtspraak toegekend.

Voornoemde omzetting van richtlijn 2001/29/EG in Belgisch recht biedt dan ook de gelegenheid om dit distributierecht expliciet in artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994 op te nemen.

In considerans 29 van voornoemde richtlijn wordt erop gewezen dat het probleem inzake uitputting van het recht zich niet voordoet in geval van diensten, in het bijzonder on-linediensten. Dit geldt eveneens voor een materiële kopie van werken of andere voorwerpen vervaardigd door een gebruiker van een dergelijke dienst met toestemming van de houder van het recht. Bijgevolg geldt hetzelfde voor de verhuur en de uitlening van het origineel van het werk of van kopieën ervan, die van nature diensten zijn. In tegenstelling tot cd-roms of cd-i's, waarbij de intellectuele eigendom in een materiële drager, te weten in een goed, is geïntegreerd, is elke on-linedienst in feite een handeling die aan toestemming is onderworpen wanneer het auteursrecht of het naburige recht dit vereist.

De woorden « elke vorm van » dienen voor het woord « distributie » toegevoegd te worden om conform te zijn aan artikel 4, eerste lid, richtlijn 2001/29/EG.

Nr. 45 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 2bis (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 2bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 2bis. ­ In artikel 3, § 3, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) In het tweede lid worden de woorden « deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de reclamewereld, voor zover het werk bestemd is voor die activiteit en » geschrapt;

B) Het derde lid wordt vervangen als volgt :

« Elke overdracht van rechten is van rechtswege intuitu personae en dient te gebeuren conform de algemeen geldende standaardvoorwaarden en -minimumvergoedingen die een billijke en waardige vergoeding zijn voor elk van de door de auteur overgedragen rechten, rekening houdende met de exploitatie ervan door de verkrijger van de rechten;

Ongeacht andersluidende overeenkomsten tussen partijen, zal, bij gebreke aan algemeen geldende standaardvoorwaarden en -minimumvergoedingen, elke overdracht van rechten van rechtswege herleid worden, in omvang, reikwijdte en duur, tot het éénmalig gebruik door de verkrijger van de rechten noodzakelijk voor zijn hoofdexploitatie of tot één andere exploitatie overeen te komen tussen partijen;

Ongeacht andersluidende overeenkomsten tussen partijen, zullen, bij gebreke aan algemeen geldende standaardvoorwaarden en -minimumvergoedingen, bij overdracht voor één of meerdere exploitatiewijzen en/of exploitatievormen aan de verkrijger van de rechten, de vergoedingen van de auteur worden berekend voor elk van de toegelaten exploitatiewijzen en/of exploitatievormen;

Een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de algemeen geldende standaardvoorwaarden en -minimumvergoedingen als de wijze waarop deze tot stand dienen te worden gebracht, in overleg met de vertegenwoordigers van de sector; er moet bij het overleg binnen de sector gestreefd worden naar een zo groot mogelijke vertegenwoordiging van de betrokken categorieën van Auteurs en van de betrokken sectoren. »

Verantwoording

Wij verwijzen u voor de verantwoording van deze wijzigingen naar de studie van de heer Eddy Cochez « De free-lance fotograaf en cameraman in de print- en audiovisuele media ».

Nr. 46 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 2ter (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 2ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 2ter. ­ Artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met een punt f), luidende :

« f) alle auteurs van visuele werken, die, deels of geheel, rechtstreeks of onrechtstreeks, door hun eigen werk bijdragen tot het oorspronkelijk karakter van het audiovisueel werk. »

Verantwoording

Wij verwijzen u voor de verantwoording van deze wijzigingen naar de studie van de heer Eddy Cochez « De free-lance fotograaf en cameraman in de print- en audiovisuele media ».

Nr. 47 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 2quater (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 2quater (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 2quater. ­ In artikel 21, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden « die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven », ingevoegd tussen de woorden « voor onderwijsinstellingen » en de woorden « is de toestemming vereist. »

Verantwoording

Amendement 3 van senator Monfils en amendement 16 van de regering die de woorden « tenzij dit niet mogelijk blijkt » toevoegen, moeten geschrapt worden.

De voorwaarde tot bronvermelding en de naam van de auteur moet behouden blijven, zoals ze vroeger was. Indien men de vermelding « tenzij dit niet mogelijk blijkt » toevoegt, schendt men artikel 10.3 van de Conventie van Bern dat bepaalt dat minstens de bron steeds vermeld dient te worden. Overweging 19 van de richtlijn 2001/29/EG verwijst bovendien uitdrukkelijk naar deze Conventie van Bern in het kader van de uitoefening van de morele rechten.

Indien men de voorwaarde van de richtlijn toch wil toevoegen, moet men duidelijk vermelden wat moet worden verstaan onder « tenzij dit niet mogelijk blijkt ». In ieder geval, moeten de criteria duidelijk worden vastgesteld en met name de voorwaarde van de goede trouw moet ingelast worden.

In het licht van artikel 5.2, c), van de richtlijn, artikel 21, derde lid, dient te worden verduidelijkt dat de samenstelling van een bloemlezing enkel is toegestaan voor onderwijsinstellingen die geen rechtstreeks of onrechtstreeks commercieel voordeel nastreven.

Zoals overwegende 42 van de richtlijn het aangeeft, moet de niet-commerciële aard van de betrokken activiteit worden bepaald door de activiteit als zodanig.

De organisatiestructuur en de financiering van de betreffende instelling zijn in dit opzicht niet de doorslaggevende feiten.

Nr. 48 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 3

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 3. ­ In artikel 22 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) de bepaling onder § 1, 4º, wordt vervangen als volgt :

« 4º de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst of van korte fragmenten uit andere werken op papier of op een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privé-gebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk »;

B) de bepaling onder § 1, 4ºbis, wordt vervangen als volgt :

« 4ºbis de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst of van korte fragmenten uit andere werken op papier of op een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, en zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld »;

C) de bepaling onder § 1, 4ºter, wordt vervangen als volgt :

« 4ºter de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst of van korte fragmenten uit andere werken, op welke drager dan ook, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, en zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld »;

D) de bepaling onder § 1, 5º, wordt vervangen als volgt :

« 5º de reproductie, op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, van werken, gemaakt zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, die in familiekring geschiedt, en alleen daarvoor bestemd is »;

E) in § 1, wordt een 5ºbis ingevoegd, luidende :

« 5ºbis de reproductie van uitzendingen op welke drager dan ook, zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, door erkende instellingen zoals ziekenhuizen, gevangenissen, of instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg, voor hun eigen specifieke doeleinden en voor het exclusieve gebruik door de daar verblijvende natuurlijke personen »;

F) in § 1, wordt een 5ºter ingevoegd, luidende :

« 5ºter tijdelijke reproductiehandelingen van voorbijgaande of incidentele aard die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel :

­ de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of

­ een rechtmatig gebruik

van een beschermd werk, waarbij die handelingen geen zelfstandige economische waarde bezitten »;

G) aan § 1, wordt een 9º toegevoegd, luidende :

« 9º de reproductie met het oog op de archivering van werken, op welke drager dan ook, wanneer dat gebeurt door de Koninklijke Bibliotheek van België, onverminderd het recht van de auteur om bij overeenkomst de reproductie toe te staan aan instellingen met een cultureel of educatief oogmerk, die officieel door de overheid zijn erkend of georganiseerd met dat oogmerk, en die niet het behalen van een direct of in indirect economisch of commercieel voordeel nastreven »;

H) aan § 1, wordt een 10º toegevoegd, luidende :

« 10º de mededeling of raadpleging ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek of als toelichting bij het onderwijs, via speciale terminals, aan of door particulieren in de lokalen van de instellingen en onder de voorwaarden bedoeld in het 9º, van werken die deel uitmaken van hun verzameling en die niet aan licentie- of aankoopvoorwaarden onderworpen zijn »;

I) aan § 1, wordt een 11º toegevoegd, luidende :

« 11º de reproductie wanneer het gaat om het gebruik ten behoeve van mensen met een handicap, voor zover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is en geen enkel direct of indirect, commercieel of economisch voordeel nastreeft en voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur »;

J) Paragraaf 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 2. Het gebruik van een werk in een verslag over een actuele gebeurtenis, moet uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd zijn, en de bron waaronder de naam van de auteur, moet vermeld worden; »

Verantwoording

Artikel 22, § 1, 4º en 4ºbis :

Deze wijzigingen hebben tot doel artikel 22, § 1, 4º, en 4ºbis, van de wet, in overeenstemming te brengen met de uitzondering voor reprografie, bepaald in artikel 5.2, a), van de richtlijn. De wet van 30 juni 1994 voorzag in een dwanglicentie voor reprografie op basis van de aard van de gekopieerde werken. Volgens dat systeem was het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden, zonder toestemming van de auteur, artikels, grafische werken of fragmenten te reproduceren uit werken die zijn vastgelegd op een grafische of een soortgelijke drager.

Voortaan wordt de dwanglicentie voor reprografie echter afhankelijk gemaakt van de wijze van reproductie. De reproductie op papier of soortgelijke drager (zoals microfiches of transparanten) wordt voortaan aan het systeem van de dwanglicentie voor reprografie onderworpen. De nieuwe benadering brengt grote veranderingen teweeg in het Belgische systeem. Zo zal bijvoorbeeld het uitprinten van een gedownloade tekst die beschermd is, desgevallend kunnen gekwalificeerd worden als een reprografie. Anderzijds zal het louter inscannen van beschermde werken niet langer onder de dwanglicentie voor reprografie kunnen vallen, maar desgevallend onder deze voor kopiëren voor eigen gebruik.

Dit artikel wordt tevens aangepast om een uitzondering op de dwanglicentie voor reprografie te voorzien met betrekking tot bladmuziek.

De omschrijving van de categorieën van werken evenals de « korte fragmenten » moet behouden blijven, zoniet zal het bijvoorbeeld voor een gebruiker toegelaten zijn een volledig boek te fotokopiëren. Dit zou in strijd zijn met de test in drie stappen die bepaalt dat de uitzonderingen slechts in bepaalde bijzondere gevallen mogen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.

Met betrekking tot de uitzonderingen betreffende het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (artikel 22, § 1, 4ºbis en 4ºter) moet de niet-winstgevende doelstelling van de betrokken activiteit worden bepaald door de activiteit als zodanig. De organisatiestructuur en de financiering van de betreffende instelling zijn in dit opzicht niet de doorslaggevende feiten (considerans 42 van voormelde richtlijn).

Overeenkomstig artikel 5.3, a), van de richtlijn wordt artikel 22, § 1, 4ºbis, van de wet aangepast, om de vereiste van bronvermelding toe te voegen.

Artikel 22, § 1, 4ºter en 5º :

Deze wijzigingen beogen het artikel 22, § 1, 4ºter en 5º, in overeenstemming te brengen met de uitzondering voor kopiëren voor eigen gebruik, voorzien in artikel 5.2, b), van de richtlijn. De wet van 30 juni 1994 voorzag immers een dwanglicentie voor kopiëren voor eigen gebruik op basis van de aard van de gekopieerde werken (geluidswerk of audiovisueel werk).

De richtlijn maakt echter geen onderscheid op basis van de aard van de gekopieerde werken, maar voorziet in de nood aan een « billijke compensatie » voor de reproductie van beschermd materiaal, op welke drager ook, door een natuurlijk persoon voor privé-gebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk. Deze nieuwe benadering houdt in dat thans bijvoorbeeld teksten die van het net worden gedownload op een digitale drager onder de dwanglicentie voor « kopiëren voor eigen gebruik » komen te vallen. Er zullen zich aldus meer categorieën van rechthebbenden aandienen voor een compensatie die gekoppeld is aan de dwanglicentie voor kopiëren voor eigen gebruik, dan voorheen het geval was. Dit alles zal grondige wijzigingen inhouden van de besluiten die het wettelijke kader nader uitwerken.

Overeenkomstig artikel 5.3, a), van de richtlijn wordt artikel 22, § 1, 4ºter, van de wet aangepast, om de vereiste van bronvermelding toe te voegen.

Artikel 22, § 1, 5ºbis :

De afspraak om een inspanning te leveren voor de ziekenhuizen, gevangenissen, en instellingen voor jeugd- en gehandicaptenzorg, wordt in dit amendement geconcretiseerd door de invoeging van een artikel 22, 5ºbis.

De woorden « de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken » in het amendement 4 van senator Monfils dienen aangepast te worden aan de tekst van artikel 5.2 (e) van de richtlijn 2001/29/EG en dienen bijgevolg vervangen te worden door het woord « uitzendingen ».

Artikel 22, § 1, 5ºter :

Deze wijziging beoogt de omzetting van artikel 5.1 van de richtlijn 2001/29/EG.

In considerans 33 van richtlijn 2001/29/EG wordt het volgende gesteld : « Er moet in een beperking op het uitsluitende reproductierecht worden voorzien, teneinde bepaalde reproductiehandelingen van voorbijgaande of incidentele aard mogelijk te maken, die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé en uitsluitend worden uitgevoerd ten behoeve van hetzij de efficiënte doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon, hetzij het geoorloofde gebruik van een beschermd werk of ander materiaal. De betrokken reproductiehandelingen mogen op zich geen economische waarde bezitten. Voor zover zij aan deze voorwaarden voldoen, moet deze beperking ook gelden voor handelingen die elektronisch bladeren (browsing) en caching mogelijk maken, onder andere met het oog op het doelmatig functioneren van doorgiftesystemen, op voorwaarde dat de tussenpersoon de informatie niet modificeert en niet intervenieert bij het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatig gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie. Het gebruik wordt als geoorloofd beschouwd indien het door de rechthebbende is toegestaan of niet bij wet is beperkt. »

Wat het auteursrecht betreft, is deze uitzondering in artikel 22, § 1, van de wet van 30 juni 1994 ingevoegd veeleer dan in een nieuw artikel 23ter.

Deze benadering is inderdaad logischer, aangezien deze uitzondering aldus opgenomen wordt in de lijst van uitzonderingen van de wet van 30 juni 1994. Bovendien bepaalt artikel 23bis van de wet van 30 juni 1994 : « De bepalingen van de artikelen 21, 22, 22bis en 23, §§ 1 en 3, zijn van dwingend recht. » Door de verplichte uitzondering van artikel 5.1 van voormelde richtlijn 2001/29/EG op te nemen in de lijst van uitzonderingen van artikel 22, wordt door de wetgever expliciet duidelijk gemaakt dat het hier gaat om een bepaling die van dwingend recht is.

Om conform te zijn aan artikel 5.1 van de richtlijn 2001/29/EG dient het woord « bijkomstig » vervangen te worden door « incidenteel ».

Artikel 22, § 1, 9º en 10º :

Deze uitzondering is aanvaardbaar op voorwaarde dat de uitzondering beperkt blijft tot de Koninklijke Bibliotheek.

Deze uitzonderingen zijn slechts conform aan de richtlijn 2001/29/EG indien de strikte voorwaarden gerespecteerd worden.

Artikel 22, § 1, 11º :

De bepaling die beoogt een artikel 22, § 1, 11º, in te voegen in de wet van 30 juni 1994, voorziet een specifieke uitzondering ten behoeve van gehandicapte personen. Overeenkomstig considerans 43 van voormelde richtlijn 2001/29/EG, zijn de begunstigde personen, personen die lijden aan een handicap die hen verhindert zelf gebruik te maken van werken, meer bepaald rekening houdend met toegankelijkere formaten.

Indien deze uitzondering opgenomen wordt, moet een billijke vergoeding in het voordeel van de rechthebbenden voorzien worden, en het artikel 61bis, die al een vergoeding voorzag, moet ook gewijzigd worden.

Artikel 22, § 2 :

Dit amendement moet in verband gebracht worden met artikel 22, § 1, 1º, uit de huidige wet waarin wordt bepaald dat de auteur zich niet kan verzetten tegen de reproductie en de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten uit werken of integrale werken van beeldende kunst in een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht.

Een werk mag enkel zonder de toestemming van de auteur gereproduceerd worden indien het deel uitmaakt van de actualiteit. De bron en de naam van de auteur dient steeds vermeld te worden.

Over het algemeen, zoals artikel 5.5 van de richtlijn 2001/29/EG het stelt, dient het gebruik van uitzonderingen op het auteursrecht te geschieden in overeenstemming met de terzake geldende internationale verplichtingen. De uitzonderingen mogen slechts in (1) bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij (2) geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en (3) de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad (zogenaamde driestapstoets). Zowel de reeds in de wet van 30 juni 1994 bestaande uitzonderingen, als deze voorzien in huidig amendement, dienen deze drie voorwaarden te eerbiedigen.

In de geest van considerans 44 van de richtlijn 2001/29/EG moet de wetgever derhalve, wanneer hij in dergelijke uitzonderingen wenst te voorzien, daarbij met name naar behoren rekening houden met de sterkere economische uitwerking welke die uitzonderingen in de nieuwe elektronische omgeving kunnen hebben.

De nieuwe uitzonderingen die in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten opgenomen worden dienen conform te zijn aan de driestapstoets. Niettemin kan artikel 5.5 van voormelde richtlijn ook als richtsnoer dienen voor de Hoven en rechtbanken bij de toepassing van de wet.

Nr. 49 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 6bis (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 6bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6bis. ­ Artikel 53 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende :

« § 4. De auteurs en de houders van naburige rechten kunnen hun rechten als bedoeld in artikel 51 niet overdragen. Deze bepaling is van dwingend recht.

Het in artikel 51 bedoelde recht komt niet in aanmerking voor de in artikelen 18 en 36 bedoelde vermoedens. »

Verantwoording

Wij verwijzen u voor de verantwoording van deze wijzigingen naar de studie van de heer Eddy Cochez « De free-lance fotograaf en cameraman in de print- en audiovisuele media ».

Nr. 50 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Hoofdstuk IV

Het opschrift van het hoofdstuk IV wijzigen als volgt :

« Het kopiëren voor eigen gebruik van werken in de familiekring ».

Nr. 51 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 6ter (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 6ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6ter. ­ In artikel 55, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht. »

A) de woorden « de uitgevers, » worden ingevoegd tussen de woorden « de auteurs, » en de woorden « de uitvoerende kunstenaars »;

B) na het cijfer 5 worden de cijfers « 5ºbis », « 9º » en « 11º » ingevoegd. »

Verantwoording

Ten gevolge van de wijziging van artikel 22, § 1, 5º, dienen de categorieën van rechthebbenden uitgebreid te worden, aangezien nu niet enkel meer geluids- en audiovisuele werken gereproduceerd mogen worden, maar alle categorieën van werken. De uitgevers hebben dus eveneens recht op een vergoeding voor de reproductie van teksten.

Indien de nieuwe uitzonderingen 5ºbis, 9º en 11º ingevoegd worden in artikel 22, § 1, moet een billijke vergoeding in het voordeel van de rechthebbenden voorzien worden.

Nr. 52 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 6quater (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 6quater (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6quater. ­ Artikel 58, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) de woorden « naar rata van een derde » worden vervangen door de woorden « in gelijke delen »;

B) de woorden « de uitgevers » worden toegevoegd tussen de woorden « de auteurs » en de woorden « de uitvoerende kunstenaars. »

Verantwoording

De verdelingssleutels moeten worden gewijzigd aangezien een nieuwe categorie van rechthebbenden wordt toegevoegd.

Ten gevolge van de wijziging van artikel 22, § 1, 5º, dienen de categorieën van rechthebbenden uitgebreid te worden, aangezien nu niet enkel meer geluids- en audiovisuele werken gereproduceerd mogen worden, maar alle categorieën van werken. De uitgevers hebben dus eveneens recht op een vergoeding voor de reproductie van teksten.

Nr. 53 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 6quinquies (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 6quinquies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6quinquies. ­ Artikel 61 van dezelfde wet wordt aangevuld met een nieuw lid, luidende :

« De auteurs kunnen geen afstand doen van de vergoedingen als bedoeld in de artikelen 59 en 60. Deze bepaling is van dwingend recht. »

Verantwoording

Auteurs worden vaak onder druk gezet om hun deel van 50 % op de reprografierechten over te dragen aan hun uitgever en/of werkgever. De doelstelling van de huidige auteurswet bestaat erin zowel auteurs als uitgevers die een inkomstenverlies lijden door de kopieën van hun werken een billijke vergoeding toe te kennen. Er wordt afbreuk gedaan aan de doelstelling van huidige wet indien auteurs er toe gedwongen worden hun deel van reprografierechten over te dragen aan hun uitgever.

De vergoedingen die aan de rechthebbenden worden toegekend in ruil voor de wettelijke licenties mogen niet overdraagbaar zijn.

Verder verwijzen wij u voor de verantwoording van deze wijziging naar de studie van de heer Eddy Cochez « De free-lance fotograaf en cameraman in de print- en audiovisuele media ».

Nr. 54 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 6sexies (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 6sexies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6sexies. ­ In dezelfde wet wordt een hoofdstuk Vbis (nieuw) ingevoegd, met het opschrift « De vergoedingen », dat een artikel 61bis (nieuw) bevat, luidende :

« Art. 61bis. ­ De auteurs en de uitgevers van werken hebben recht op een vergoeding voor de reproductie van hun werken onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 22, § 1, 4ºter, 9º, 10º, en 22bis, § 1, 3º. De auteurs van databanken hebben recht op een vergoeding voor de mededeling van hun databanken onder de voorwaarden bepaald in artikel 22bis, § 1, 4º. De uitvoerende kunstenaars, de producenten van fonogrammen en de producenten van de eerste vastleggingen van films hebben recht op een vergoeding voor de reproductie van hun prestaties onder de voorwaarden bepaald in artikel 46, 3ºbis. »

Verantwoording

Indien de nieuwe uitzonderingen 4ºter, 9º en 10º, ingevoegd worden in artikel 22, § 1, moet een billijke vergoeding in het voordeel van de rechthebbenden voorzien worden.

Nr. 55 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 6septies (nieuw)

In het wetsvoorstel een artikel 6septies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6sexies. ­ Artikel 64 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 3, luidende :

« § 3. De auteurs en de uitvoerende kunstenaars kunnen geen afstand doen van de vergoedingen als bedoeld in de artikel 62, §§ 1 en 2. Deze bepaling is van dwingend recht. »

Verantwoording

Rechthebbenden worden vaak onder druk gezet om hun vergoeding voor het leenrecht over te dragen aan hun uitgever en/of werkgever. De doelstelling van de huidige auteurswet bestaat erin de auteurs die een inkomstenverlies lijden door de uitlening van hun werken een billijke vergoeding toe te kennen. Er wordt afbreuk gedaan aan de doelstelling van huidige wet indien auteurs er toe gedwongen worden hun vergoeding voor het leenrecht over te dragen aan hun uitgever/werkgever.

De vergoedingen die aan de rechthebbenden worden toegekend in ruil voor de wettelijke licenties mogen niet overdraagbaar zijn.

Verder verwijzen wij u voor de verantwoording van deze wijziging naar de studie van de heer Eddy Cochez « De free-lance fotograaf en cameraman in de print- en audiovisuele media ».

Nr. 56 VAN DE HEREN DEDECKER EN VAN QUICKENBORNE

Art. 9 (nieuw)

Aan het wetsvoorstel een artikel 9 (nieuw) toevoegen, luidende :

« Art. 9. ­ In artikel 88, § 3, van dezelfde wet, worden de woorden « , met uitzondering van de bepalingen in artikel 2bis, » ingevoegd tussen de woorden « doet » en de woorden « geen afbreuk. »

Verantwoording

Wij verwijzen u voor de verantwoording van deze wijziging naar de studie van de heer Eddy Cochez « De free-lance fotograaf en cameraman in de print- en audiovisuele media ».

Jean-Marie DEDECKER.
Vincent VAN QUICKENBORNE.