2-1255/3

2-1255/3

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

8 JANUARI 2003


Wetsvoorstel tot interpretatie van artikel 7, eerste lid, van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN MEVROUW NYSSENS C.S.

Art. 2

In dit artikel, de woorden « van toepassing is » vervangen door de woorden « vervolgingen toelaat ».

Verantwoording

Het amendement verduidelijkt de draagwijdte van de voorgestelde interpretatie, in die zin dat de afwezigheid van de vermoedelijke dader(s) geen invloed mag hebben op noch de bevoegdheid, noch de uitoefening van deze bevoegdheid, noch de toelaatbaarheid of de ontvankelijkheid van de strafvordering. De oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel zou immers aanleiding kunnen geven tot een interpretatie waarbij men de draagwijdte van de voorgestelde wet zou beperken tot enkel de bevoegdheid als dusdanig. Uit de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 16 april 2002 en vooral 26 juni 2002 is echter al gebleken dat niet deze bevoegdheid een probleem oplevert, doch wel de voorwaarden voor de uitoefening ervan.

Clotilde NYSSENS.
Alain DESTEXHE.
Jean CORNIL.
Vincent VAN QUICKENBORNE.
Josy DUBIÉ.
Georges DALLEMAGNE.
Meryem KAÇAR.
Philippe MAHOUX.
Fatma PEHLIVAN.
Martine TAELMAN.

Nr. 2 VAN MEVROUW NYSSENS

Opschrift

Het opschrift van de wet vervangen als volgt :

« Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. »

Nr. 3 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Artikel 12 van hoofdstuk II van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wordt aangevuld als volgt :

« De misdrijven bedoeld in hoofdstuk I van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht worden vervolgd ongeacht de plaats waar de vermoedelijke dader kan worden aangetroffen. »

Verantwoording

In zijn advies nr. 34.153 betreffende dit wetsvoorstel, meent de Raad van State dat gezien de uiteenlopende interpretaties van de bedoeling van de wetgever, zoals die is weergegeven in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1993, het in beginsel geoorloofd is gebruik te maken van een interpretatieve wet. Omdat de interpretatieve wet terugwerkende kracht heeft, mag de wetgever slechts met zo'n wet werken als hij de grondwettelijke en verdragsrechtelijke beginselen naleeft, zoals het beginsel dat strafwetten niet mogen terugwerken en dat de strafprocedure voorzienbaar moet zijn.

Bovendien is het zeer de vraag of de voorgestelde interpretatie wel bestaanbaar is met de geldende wetgeving. De Raad van State benadrukt met name dat op 18 juli 2001 een artikel 12bis is ingevoegd in hoofdstuk II van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

Die invoeging en het ontbreken van een uitdrukkelijke afwijking van artikel 12 van dezelfde titel voor de misdrijven genoemd in de internationale verdragen waarnaar artikel 12bis verwijst, leidt voor de misdrijven die onder die verdragen vallen, (met name genocide ­ Verdrag van Parijs van 9 december 1948) en oorlogsmisdaden [(Verdragen van Genève van 12 augustus 1949) gepleegd in het kader van een internationaal gewapend conflict (aanvullend protocol I bij die verdragen)], tot afwijzing van iedere interpretatie luidens welke artikel 7 van de genoemde wet van 16 juni 1993 afwijkt van het genoemd artikel 12 van de voorafgaande titel.

Sedert de goedkeuring van de genoemde wet van 18 juli 2001, kan een interpretatieve wet nog slechts betrekking hebben op een gedeelte van de werkingssfeer van artikel 7, eerste lid, van de wet 16 juni 1993.

Bovendien lost een wet tot interpretatie van artikel 7, eerste lid, van de wet van 16 juni 1993, dat betrekking heeft op de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van de in deze wet bedoelde misdaden, het probleem van de ontvankelijkheid van de vervolgingen niet op. Het interpretatieprobleem betreft immers niet de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van misdrijven, maar de ontvankelijkheid van vervolgingen in België, in het licht van artikel 12 van hoofdstuk II van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, als de verdachte zich niet op het Belgisch grondgebied bevindt.

De enige oplossing lijkt dus een wijziging van artikel 12 van hoofdstuk II van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Aangezien algemeen wordt aangenomen dat een wet met betrekking tot de strafprocedure onmiddellijk van toepassing is, zou het aldus geamendeerde voorstel ook van toepassing zijn op nog aanhangig zijnde procedures. Aangezien de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van misdrijven hier niet wordt uitgebreid ­ de bedoeling van de wetgever op dat punt blijkt duidelijk uit de parlementaire voorbereiding : de Belgische rechtscolleges zijn bevoegd om kennis te nemen van misdrijven ongeacht de plaats waar de vermoedelijke dader kan worden aangetroffen ­, kan het beginsel dat strafwetten niet terugwerken, in dit geval opzij worden geschoven.

Nr. 4 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subsidiair amendement op amendement nr. 3)

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Artikel 7, eerste lid, van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht dient in die zin uitgelegd te worden dat het, met betrekking tot de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van misdrijven en tot de ontvankelijkheid van vervolgingen in België, van toepassing is ongeacht de plaats waar de vermoedelijke dader kan worden aangetroffen. »

Verantwoording

Artikel 7, eerste lid, van de wet van 16 juni 1993 behoeft een nadere interpretatie niet wat betreft de bevoegdheid, maar de ontvankelijkheid van de vervolgingen in België.

Clotilde NYSSENS.

Nr. 5 VAN DE HEER MONFILS

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Artikel 8 van het Statuut van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda moet geïnterpreteerd worden als zijnde van toepassing ongeacht de plaats waar de vermoedelijke dader van het misdrijf aangetroffen wordt. »

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe alle daden van onderzoek in het dossier van de para's in Rwanda te behouden. De indiener van het amendement wil de families van de 10 Belgische para's die in Rwanda vermoord werden, waarborgen dat een proces gevoerd wordt dat hun lijden compenseert.

In de huidige stand van de wetgeving zijn de daden van onderzoek betreffende de vermoorde para's om de volgende redenen niet in gevaar :

1. Het Internationaal Tribunaal voor Rwanda en onze nationale rechtbanken zijn rationae materiae bevoegd om verdachten van volkerenmoord, van misdaden tegen de menselijkheid, en van schendingen van artikel 3 van de verdragen van Genève en het Aanvullend Protocol II te berechten.

Aangezien artikel 8 van het Statuut van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda aan nationale rechtbanken gelijkwaardige bevoegdheden toekent als aan het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda, kunnen zowel het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda als de nationale rechtbanken kennis nemen van de zaak betreffende de Belgische para's.

2. Aangezien de wet van 22 maart 1996 betreffende de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Rwanda in artikel 2 bepaalt dat « België volgens de bepalingen van deze wet zijn verplichtingen tot samenwerking voortvloeiende uit de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op grond van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties aangenomen resoluties (...) 955 (1994) zal nakomen », is het statuut van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda in onze wetgeving opgenomen.

3. Wegens de voorrang van internationale normen op nationale normen, heeft artikel 8 van het Statuut voorrang op artikel 7 van de wet van 1993 en stelt het een werkelijke universele bevoegdheid in die uitgeoefend kan worden ongeacht of de verdachte zich op ons grondgebied bevindt of niet.

In de huidige stand van de wetgeving kan de geldigheid van de proceshandelingen in het kader van het dossier van de Belgische para's niet in twijfel getrokken worden. Om iedere twijfel weg te nemen stelt de indiener van dit amendement niettemin voor om door middel van een uitleggingswet duidelijk te stellen dat wat de zaken betreft waarvoor zowel de Belgische rechtbanken als het Internationaal Tribunaal voor Rwanda bevoegd zijn, de dader van het misdrijf zich niet noodzakelijk op het Belgische grondgebied moet bevinden om door de Belgische rechtbanken berecht te worden.

De indiener van het amendement stelt vast dat in de zaak van de vermoorde para's reeds daden van onderzoek uitgevoerd zijn maar dat het geding nog niet bij de rechtbanken aanhangig is gemaakt. Er is dus geen inmenging van de wetgevende macht in de rechterlijke macht.

Deze uitleggingswet stemt dus overeen met arrest nr. 189/2002 van 19 december 2002 van het Arbitragehof, dat bepaalt dat : « Indien blijkt dat de terugwerkende kracht bovendien tot gevolg heeft dat de afloop van gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken over een aanhangig gemaakte rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. »

De bij dit amendement ingevoerde uitleggingsbepaling die beperkt is tot het dossier van de para's in Rwanda, zal dus wellicht niet vernietigd worden.

Philippe MONFILS.