2-1377/2 | 2-1377/2 |
7 JANUARI 2003
Art. 2
Dit artikel aanvullen met twee nieuwe leden, luidende :
« Indien de in artikel 3 opgesomde taken, om bepaalde redenen, niet door de overeenkomstig het vorig lid door de Koning aangewezen ambtenaren kunnen uitgeoefend worden, wordt dit onverwijld door de voor de organisatie van de in deze wet bedoelde taken verantwoordelijke ambtenaar of zijn gevolmachtigde gemeld aan de bevoegde ambtenaren van de lokale en federale politiediensten, die vanaf deze melding instaan voor de uitvoering van deze taken.
De Koning bepaalt de in het vorige lid bedoelde redenen die door de verantwoordelijke ambtenaar of zijn gevolmachtigde kunnen worden aangehaald teneinde de in artikel 3 opgesomde taken te laten uitvoeren door de federale of lokale politiediensten, alsook de wijze van melding aan en taakverdeling tussen de lokale en federale politiediensten. »
Verantwoording
Terzake werd slechts ten dele rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State aangaande de toepasselijkheid van artikelen 37 en 107 van de Grondwet volgens dewelke het bepalen van de organisatie en structuur van de dienst wordt opgedragen aan de Koning.
De politiediensten blijven evenwel terzake bevoegd, zodat men kan spreken van een concurrerende bevoegdheid.
Evenwel merkte de Raad van State op dat in de memorie van toelichting bij het voorontwerp te lezen stond dat, indien de opgesomde taken niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden uitgeoefend door de beambten, de politiediensten de taken moeten overnemen, maar dit moet volgens de Raad nader geregeld worden in de wet zelf. De onderscheiden gevallen dienen uitdrukkelijk te worden geregeld, en aan de Koning moet de macht worden gegeven de regels van samenwerking nader te bepalen.
Onderhavig amendement houdt rekening met de opmerkingen van de Raad van State.
Art. 4
Het 2º van het eerste lid van dit artikel aanvullen als volgt :
« De basisvoorwaarden voor de indienstneming van deze personeelsleden worden bepaald door de Koning. »
Verantwoording
Het artikel bepaalt verder de voorwaarden en gevolgen van een overgang van militairen.
Er wordt evenwel niets bepaald aangaande statutairen. Op grond van artikelen 37 en 107 van de Grondwet kan de Koning een aantal basisvoorwaarden stellen. Het is op basis van de Wet inderdaad niet duidelijk wie instaat voor het bepalen van de voorwaarden waaraan de statutairen dienen te voldoen om in aanmerking te komen voor indienstneming. De bevoegdheid van de Koning terzake is ook in deze materie erkend door de Raad van State in haar advies (zie hieromtrent blz. 20, stuk nr. 50-2001/001 en het geciteerde advies 25.764/2 van diezelfde Raad).
Art. 6
Dit artikel wijzigen als volgt :
A) Het 1º vervangen als volgt :
« 1º gebruik van geweld bij het vervullen van zijn in artikel 3 bedoelde opdrachten, rekening houdend met de risico's die zulks meebrengt, om een wettig doel na te streven dat niet op een andere wijze kan worden bereikt.
Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel.
Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden. »
B) Het 4º aanpassen als volgt :
1) Tussen de woorden « aanwezig in » en « de », de woorden « of bij de toegang tot » invoegen.
2) In de eerste zin, na het woord « minderjarigen », de voorgestelde tekst vervangen als volgt :
« Wanneer :
1º een persoon hen hindert in het vervullen van hun in artikel 3 bepaalde taak, door het verkeer dat toegang geeft tot de bovenvermelde gebouwen of instellingen te hinderen;
2º een persoon de openbare rust daadwerkelijk verstoort;
3º van een persoon, ten aanzien van wie er op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, op redelijke gronden kan gedacht worden dat hij voorbereidingen treft om een misdrijf te plegen dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in gevaar brengt, met als doel hem te beletten een dergelijk misdrijf te plegen;
4º een persoon een misdrijf pleegt dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in gevaar brengt, teneinde dit misdrijf te doen ophouden;
5º artikel 760 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is. »
3) De tweede zin van deze littera en de daaropvolgende zinnen onderbrengen in een nieuw 4ºbis.
4) De laatste zin van het 4º vervangen als volgt :
« In geval van samenloop van een gerechtelijke aanhouding in de zin van het artikel 15, 1º en 2º, van de wet op het politieambt, met een bestuurlijke aanhouding overeenkomstig onderhavig artikel begint de termijn van vierentwintig uur te lopen vanaf de feitelijjke vrijheidsbeneming door de veiligheidsbeambte. »
C) In het 6º, na het woord « minderjarigen », de voorgestelde tekst vervangen als volgt :
« wanneer deze voorwerpen en dieren die een gevaar betekenen voor het leven en de lichamelijke integriteit van de personen en de veiligheid van goederen.
Deze voorwerpen en dieren worden na inbeslagname zonder verwijl overgedragen aan de bevoegde politiediensten. »
D) In het 7º, na het woord « personen », de voorgestelde tekst vervangen als volgt :
« wanneer :
1º zij een persoon de vrijheid ontnemen of door hem een misdrijf is gepleegd;
2º zij, op grond van zijn gedragingen, materiële aanwijzingen of omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat de persoon wordt opgespoord, dat hij heeft gepoogd of zich voorbereidt om een misdrijf te plegen of dat hij de openbare orde zou kunnen verstoren of heeft verstoord;
3º enig persoon een der bovenvermelde plaatsen wenst te betreden waar een openbare bijeenkomst plaatsvindt die een reële bedreiging vormt voor de openbare orde of wanneer deze persoon toegang heeft tot deze plaatsen en aldaar de openbare orde wordt bedreigd.
De identiteitsstukken die aan de veiligheidsbeambte overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.
Indien de persoon waarvan sprake in voorgaande paragrafen weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, verwittigt de veiligheidsbeambte zonder verwijl de bevoegde politiediensten, en mag hij de persoon ophouden tot zijn overdracht aan de politiediensten.
Evenwel moet aan de geverifieerde persoon de mogelijkheid worden geboden zijn identiteit te bewijzen op eender welke wijze.
De bij artikel 34, § 3, van de wet op het politieambt bedoelde termijn begint te lopen vanaf de feitelijke vrijheidsberoving door de veiligheidsbeambte. »
Verantwoording
A) Dit amendement houdt rekening met de kritiek van de Raad van State, die stelde dat een verwijzing naar de wet op het politieambt problemen ten gronde opleverde.
B) De Raad van State had hier als algemene opmerking dat de verwijzing naar een aantal bepalingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt een probleem oplevert wat de grond van de zaak betreft, aangezien de beambten geen politiemensen zijn.
De tekst van het ontwerp dient volgens de Raad zelf met alle vereiste preciseringen de bevoegdheden op te sommen die men wil opdragen aan het door de Koning op te richten korps.
Bovendien, en niet in het minst, is de voorgestelde tekst geheel nonsensicaal.
Artikel 31, 1º, van de wet op het politieambt bevat namelijk de volgende bepaling :
« van een persoon die hen hindert in het vervullen van hun opdracht het verkeer vrij te houden; »
Hoe rijmt men de mogelijkheid voor de beambten om in de hoven, rechtbanken en bedoelde centra iemand bestuurlijk aan te houden omdat hij het verkeer hindert ?
Vandaar de toevoeging « bij de toegang tot » (onder A), en de verduidelijking dat dergelijke aanhouding moet gebeuren bij het uitvoeren van de taken waarmee de beambten belast zijn.
Ook dient men te vermijden dat, door loutere verwijzing naar artikel 31 van de wet op het politieambt, het daarin vermelde artikel 22 toepassing vindt voor de beambten : men kan bezwaarlijk aannemen dat deze laatsten bestuurlijk personen moeten aanhouden of uit elkaar drijven bij gewelddadige of gewapende samenscholingen, zoals artikel 22 bepaalt.
Het amendement komt niet alleen tegemoet aan de kritiek van de Raad van State, maar vermijdt bovendien ernstige inconsistenties en incoherentie van de voorgestelde wetgeving.
C) De Raad van State had hier als algemene opmerking dat de verwijzing naar een aantal bepalingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt een probleem oplevert wat de grond van de zaak betreft, aangezien de beambten geen politiemensen zijn.
De tekst van het ontwerp dient volgens de Raad zelf met alle vereiste preciseringen de bevoegdheden op te sommen die men wil opdragen aan het door de Koning op te richten korps.
Deze bepaling diende volgens de Raad grondig te worden herwerkt, hetgeen is nagelaten.
De voorgestelde amendering voorkomt verregaande ongerijmdheden.
D) De Raad van State had hier als algemene opmerking dat de verwijzing naar een aantal bepalingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt een probleem oplevert wat de grond van de zaak betreft, aangezien de beambten geen politiemensen zijn.
De tekst van het ontwerp dient volgens de Raad zelf met alle vereiste preciseringen de bevoegdheden op te sommen die men wil opdragen aan het door de Koning op te richten korps.
Deze bepaling diende volgens de Raad grondig te worden herwerkt, hetgeen is nagelaten.
De voorgestelde amendering voorkomt verregaande ongerijmdheden.
Art. 9
Dit artikel wijzigen als volgt :
A) Tussen de woorden « Koning » en « bepaalt » de woorden « ten laatste voor 30 juni 2003 » invoegen.
B) De woorden « van iedere bepaling » doen vervallen.
Verantwoording
De inwerkingtreding kan volgens het ontwerp trapsgewijs, artikel per artikel gebeuren.
Het is natuurlijk de bedoeling door deze mogelijkheid het (gewild) gebrek aan effectieven voor de totale taakuitoefening te verdoezelen.
Het heeft er alle schijn van dat voor de zoveelste maal de regering een regelgeving vaststelt zonder dat er enige garantie is op snelle uitvoering ervan of praktische werkbaarheid.
Zo is het bedroevend vast te stellen dat de regering er weliswaar van uitgaat dat de uitvoering van de taken voorzien in het ontwerp de politie 600 full-time jobs kost, maar tegelijk voorziet zij amper 152 veiligheidsbeambten en 6 administratieve personeelsleden, die, zonder een datum voorop te stellen, misschien kunnen versterkt worden in de toekomst (waar er trouwens in beginsel sprake was van een oprichting met 480 effectieven).
Hoeveel lost men op door in de wet bepaalde specifieke taken te voorzien maar voor deze taken slechts een vierde van de benodigde manschappen te leveren ?
Een pleister op een houten been dus, met de enkele bedoeling de burger te misleiden en electoraal goed te scoren. Het oprichten, op papier, van een dienst is nog niet hetzelfde als deze operationeel maken en voldoende bemannen.
Dit amendement staat borg voor een snelle en efficiënte oprichting van de dienst en activering van de beambten.
| Mia DE SCHAMPHELAERE. |
Art. 3
A) In dit artikel het 4º doen vervallen.
B) In dit artikel het 5º doen vervallen.
Verantwoording
A) De omstandigheden en de voorwaarden waarin de procedures voor de verwijdering van illegalen toepassing kunnen krijgen, zijn van die aard dat alleen de politie bevoegd kan zijn om tot dergelijke maatregelen over te gaan.
B) Ook de overbrenging van minderjarigen moet tot de exclusieve bevoegdheid van de politie blijven behoren, gelet op de bijzondere en gevoelige aard ervan.
| Georges DALLEMAGNE. |