2-253 | 2-253 |
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De voorbije zomer werd de nieuwe wet op het financieel toezicht goedgekeurd. Dit gebeurde met grote eensgezindheid in beide kamers.
Samen met collega Moens en andere collega's heb ik zowel in de commissie als in de plenaire vergadering bij die gelegenheid opmerkingen geformuleerd over de handel met voorkennis. In de plenaire zitting van de Senaat heb ik zelfs nog een amendement ingediend om erop te wijzen dat door de causaliteitsvereiste de wet te soepel zou worden voor potentiële overtreders. Ik heb dat amendement in extremis ingetrokken nadat de minister had beloofd dat hierover na het reces een fundamenteel debat zou plaatsvinden in het Parlement.
Intussen blijkt uit meerdere publicaties, onder andere in Trends van vorige week en in De Standaard vandaag, dat de nieuwe wet merkelijk soepeler is voor potentiële overtreders. In een recent uitgesproken vonnis werden de verdachten vrijgesproken, weliswaar op basis van de oude wet, die een uitzondering maakt voor de holdings. Desalniettemin stelde de advocaat van de beschuldigden dat de nieuwe wet aanzienlijk soepeler is dan de oude. Een uitvoeringsbesluit had volgens hem overigens volstaan opdat zijn cliënten op basis van de nieuwe wet zijn cliënten zouden zijn vrijgesproken.
Hoeveel veroordelingen zijn er tot op heden in ons land uitgesproken voor handel met voorkennis? Bij mijn weten geen enkele.
Klopt het dat de nieuwe wet door de causaliteitsvereiste soepeler is voor potentiële misbruikers?
Is het niet raadzaam de wet op dit punt dringend aan te passen?
Tot welke conclusies kwam de ronde tafel die de minister enkele maanden geleden heeft georganiseerd?
Is de minister bereid na het kerstreces de wet op dit punt aan te passen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Zonder te wachten op de uitspraak van de correctionele rechtbank van Gent in de zaak-Ter Beke heb ik aan het Parlement, na een arrest van het Europese Hof van Justitie, voorgesteld om de bepaling die een uitzondering bevat ten gunste van de holdings, uit de wet van 4 december 1990 te lichten. Het Parlement heeft mijn voorstel gunstig onthaald en het werd opgenomen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
Een probleem zoals in de zaak-Ter Beke behoort voorgoed tot de geschiedenis van de rechtspraak. De uitzondering voor holdings die de rechtbank ertoe heeft gebracht om de beschuldigden niet langer te vervolgen, bestaat immers niet meer.
Voorts vestig ik uw aandacht erop dat de wet van 2 augustus 2002 een administratieve sanctieregeling heeft ingevoerd voor beursmisdrijven. Die regeling staat los van de bestaande strafrechtelijke regeling. Voortaan wordt een onderscheid gemaakt tussen misbruik van voorkennis, zoals bepaald in artikel 25 van de wet van 2 augustus 2002, en insider trading, zoals bepaald in artikel 40 van dezelfde wet. De bevoegdheden inzake administratief toezicht en onderzoek werden overigens bij de Commissie van het Bank- en Financiewezen gecentraliseerd. De commissie is bevoegd om administratieve sancties op te leggen aan wie misbruik heeft gemaakt van voorkennis of enig ander marktsmisbruik heeft gepleegd in de zin van voornoemd artikel 25.
De ECOFIN-raad van 3 december 2002 heeft de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad op insider trading en marktmanipulatie goedgekeurd.
De wet van 2 augustus 2002 anticipeerde reeds op talrijke punten op die richtlijn, onder meer met de invoering van een administratieve sanctieregeling, toch wel een fundamenteel punt. Na de definitieve goedkeuring van de richtlijn en de inwerkingtreding ervan lijkt de uiteindelijke omzetting in het Belgische recht dan ook haalbaar. Op dit ogenblik wordt de wet van 2 augustus 2002 onderzocht met het oog op een volledige omzetting van de richtlijn. Nu reeds staat vast dat de opties van de wet van 2 augustus 2002 met de richtlijn stroken.
We kunnen misschien verder gaan en, zoals vóór het zomerreces afgesproken was, een bespreking organiseren in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden van de Senaat. Ik twijfel er niet aan dat dit nuttig kan zijn. Ik heb de voorzitter van de commissie voorgesteld om een hoorzitting te organiseren met de voorzitter van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. We kunnen onderzoeken of de richtlijn met onze wet correct kan worden toegepast. Indien dan blijkt dat onze wetgeving daarvoor moet worden aangepast, zullen we dat in overweging nemen. Met de wet van 2 augustus 2002 beschikken we echter al over een zeer modern instrument.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De minister stelt mij een beetje teleur. Hij doet alsof er niets aan de hand is. We bevinden ons vandaag echter in een juridisch vacuüm. De wet is door de rechtbank van Gent ongeldig bevonden. Welke wet kan er worden toegepast mochten bepaalde personen vandaag opnieuw misbruik maken van voorkennis? Is dat de nieuwe of de oude wet?
De mimister heeft ook geen antwoord gegeven op de vraag of de nieuwe wet met de causaliteitsvereiste niet soepeler is dan de oude wet.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De heer Van Quickenborne heeft niet goed geluisterd naar mijn antwoord. Er is een nieuwe wet en die is van toepassing. Bovendien is de nieuwe wet niet soepeler dan de vorige. Ik heb gezegd dat de wet al op een groot aantal punten een correcte omzetting van de Europese richtlijn was, nog vóór die richtlijn door de Europese Raad en het Europees Parlement werd goedgekeurd.