2-1339/3 | 2-1339/3 |
4 DECEMBER 2002
Evocatieprocedure
Dit wetsontwerp werd op 7 november 2002 aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het ontwerp op 25 november 2002 geëvoceerd. De onderzoekstermijn verstreek op 24 januari 2003.
De commissie heeft het wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 4 december 2002.
Het ontwerp wil het voor de Cel voor financiële informatieverwerking mogelijk maken zich door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alle inlichtingen te laten meedelen die ze voor de uitvoering van haar taak nuttig acht zoals bepaald in artikel 15 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld. Zo zou ze dezelfde behandeling genieten als de gerechtelijke overheden.
De Cel heeft immers een gerechtelijke doelgerichtheid omdat ze ernstige aanwijzingen van witwassen van geld opspoort die verband houden met zware criminaliteit en ze aan de procureur des Konings meedeelt. Ze wordt geleid door een magistraat die van het parket is gedetacheerd, en haar leden en personeel zijn tot een verruimd beroepsgeheim gehouden.
Dit wetsontwerp kadert in het geheel van maatregelen die bestemd zijn om de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit op te voeren door een betere opsporing van geldstromen die verband houden met deze criminele activiteiten, mogelijk te maken.
De heer Steverlynck vraagt wanneer het wetsontwerp betreffende de evaluatie van de statuten en de werkwijze van de Cel voor Financiële Informatieverwerking in het parlement zal worden ingediend. Deze evaluatie loopt samen met de omzetting van de richtlijn van de Europese Unie inzake het witwassen van kapitalen.
De vertegenwoordiger van de minister antwoordt dat dit ontwerp voor ondertekening bij de minister ligt en weldra bij het Parlement zal worden ingediend.
De heer Steverlynck verwijst vervolgens naar de opmerkingen van de Raad van State waarbij gesteld wordt dat de Cel voor Financiële Informatieverwerking toegang heeft tot informatie waartoe de betrokken partijen geen toegang hebben. Spreker dient een amendement in (stuk. Senaat, nr. 2-1339/2, amendement nr. 1) dat toegang voorziet tot deze informatie, voor de parlementaire commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen en veiligheidsdiensten.
De regering is van oordeel dat amendement nr. 1 overbodig is omdat de mogelijkheid van toegang tot deze informatie voor de parlementaire begeleidingscommissie reeds bij artikel 8 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen is voorzien.
De heren Ramoudt en Maertens zijn van oordeel dat gezien deze mogelijkheid in artikel 8 van de wet van 11 december 1998 is geregeld, het amendement nr. 1 geen doel meer dient.
De heer de Clippele is van oordeel dat amendement nr. 1 haaks staat op de bescherming van de aanbrenger. Gesteld immers dat de begeleidingscommissie toegang krijgt tot de informatie in kwestie, neemt de kans op perslekken toe.
De heer Steverlynck is van mening dat zijn amendement wel zinvol is en dat de parlementaire begeleidingscommissie wel degelijk op discrete wijze met de verkregen informatie zal omgaan.
Amendement nr. 1 wordt verworpen met 7 stemmen tegen één stem.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Olivier de CLIPPELE. | Paul DE GRAUWE. |
De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als de tekst
van het door Kamer van volksvertegenwoordigers
overgezonden wetsontwerp
(zie stuk Kamer, nr. 50-1861/3)