2-251

2-251

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 12 DECEMBER 2002 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (Stuk 2-1259) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Iris Van Riet (VLD), rapporteur. - Dit wetsontwerp werd op 20 juli 2002 aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en op 23 juli 2002 aan de Senaat overgezonden. Op dezelfde dag werd het door de Senaat geëvoceerd. De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft het ontwerp op 27 november 2002 besproken in aanwezigheid van de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.

In zijn toelichting wees de minister erop dat het wetsontwerp zorgt voor de financiering van de bijzondere opdrachten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Daarnaast komt het Federaal Agentschap op de lijst van de openbare instellingen waarop het openbaar ambt van toepassing is. De minister stipte ook aan dat voor de werking van het Agentschap gedeeltelijk een beroep wordt gedaan op de algemene middelen, maar dat bijzondere opdrachten kunnen worden gefinancierd met een retributie of een gezondheidsbijdrage betaald door de sector.

De minister bevestigde dat reeds in de programmawet van 2001 bepalingen werden opgenomen voor de financiering van BSE-tests. Bij het uitvoeren van deze bepalingen zijn er echter problemen gerezen met de sector en de verschillende andere betrokkenen, zodat het koninklijk besluit ter uitvoering van de programmawet van 2001 niet is genomen. Na een grondige discussie met de sector werd daarom dit nieuwe ontwerp opgesteld, waarmee hij akkoord kan gaan.

Een belangrijk uitgangspunt voor de nieuwe heffing is het principe dat de bijdrage zo dicht mogelijk bij de consument wordt geïnd. Een bijdrage die vroeger in de keten wordt geheven, impliceert immers dat de binnenlandse producenten wel betalen en de importeurs niet, wat nadelig is voor de binnenlandse producenten. Een bijdrage op een later moment in de productieketen op het niveau van de particulier, bij de beenhouwer of in het grootwarenhuis, of van de restaurateur bij de leverancier, impliceert dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen geïmporteerd en binnenlands vlees.

Het bestaande Europese verplichte testprogramma en testschema geven de Europese consument wel degelijk de garantie dat de BSE-test voor Europese runderen werd uitgevoerd. Voor niet-Europese runderen bestaat deze garantie niet. De hoeveelheid ingevoerd niet-Europees rundvlees is in ons land echter vrij beperkt en komt bovendien meestal uit landen zonder BSE en met een lage geografische risicoclassificatie. Indien het vlees toch afkomstig is uit een land met een hogere classificatie staat de certificering bij de export er garant voor dat de nodige testen werden uitgevoerd.

De minister bevestigde dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen retributie en belasting. Wat de consument betaalt, is een retributie en dient om de specifieke BSE-tests te financieren, niet om de algemene middelen te stijven.

In de commissie werden alle ingediende amendementen verworpen en het wetsontwerp werd met eenparigheid aangenomen. De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst die door de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd overgezonden.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Ik sluit me aan bij het felle applaus voor het verslag van mevrouw Van Riet, al ben ik het niet volledig eens met de interpretatie die ze aan bepaalde zaken gaf.

Het wetsontwerp bevat een financieringsregeling binnen het kader van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

De oprichting en de werking van het Voedselagentschap zou nochtans volgens de regeringsverklaring van juli 1999 tegen eind 1999 afgerond moeten geweest zijn. We zijn december 2002 en er is nog maar een schuchtere stap gedaan in de richting van de operationalisering. Het Voedselagentschap was als het ware een voorproefje op de komende modernisering van het overheidsapparaat, op het nieuwe België van Verhofstadt, waarin snelheid en efficiëntie de kernbegrippen waren. België ging immers een modelstaat worden, een toonbeeld voor de rest van de wereld met super gecontroleerd voedsel en een biominister als waakhond.

De oprichting van het Voedselagentschap verliep echter niet zonder slag of stoot. Ik geef een overzicht van de markantste feiten.

Het federaal Voedselagentschap werd opgericht bij wet van 4 februari 2000. Het duurde echter nog tot 16 augustus 2000 vooraleer Luc Beernaert als gedelegeerd bestuurder werd aangesteld. Slechts in januari 2001 werd het wetenschappelijk comité samengesteld en traden een vijftiental personeelsleden in dienst. Halverwege 2001 werd een wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 februari 2000 besproken. Minister Aelvoet stelde toen in het vooruitzicht dat op 1 juli 2001, dus enkele weken later, het personeel van zowel de Eetwareninspectie, het IVK, DG4 en DG5 ter beschikking zouden worden gesteld van het Voedselagentschap. Deze terbeschikkingstelling zou inhouden dat het personeel onder het hiërarchische gezag zou worden geplaatst van de afgevaardigde beheerder van het Voedselagentschap, waardoor de echte integratie en de veel directere sturing van de verschillende diensten mogelijk zouden worden. Toen al stelde CD&V de vraag of dit een geloofwaardige belofte kon zijn en of op dergelijke korte termijn het personeel een volwaardig statuut kon krijgen.

In de programmawet van december 2001 werden dierengezondheid en plantenbescherming aan Volksgezondheid toegevoegd. Ook toen merkte ik op dat de bevoegdheden van het Voedselagentschap werden uitgebreid, terwijl er aan de fundamentele taken niet werd gewerkt.

Begin januari 2002 was er een mini-PCB crisis. In een veevoederbedrijf in Roeselare was kippenvoer besmet en enkele weken later bleek dat ook het geval voor twee stalen varkensvoer. Minister Aelvoet schorste toen de verantwoordelijke ambtenaar en de gedelegeerd bestuurder van het Voedselagentschap. Ze stond onder zware druk, maar nam haar politieke verantwoordelijkheid niet op.

Op 6 februari 2002 werd Luc Beernaert door de minister tot ontslag gedwongen en werd de verantwoordelijke ambtenaar gerehabiliteerd.

Begin maart 2002 besliste de kabinetsraad nogmaals dat het Voedselagentschap meer personeel en middelen zou krijgen. Voor het bepalen van het personeelskader van het Voedselagentschap werd teruggegrepen naar de personeelsformatie van 1 januari 2002 bij de betrokken diensten van Landbouw en Volksgezondheid.

Het bijkomend personeel zou rechtstreeks door het Voedselagentschap zelf worden aangeworven. In juni 2002 werd Piet Vanthemsche als gedelegeerd bestuurder van het Voedselagentschap aangesteld. Begin juli 2002 beloofde de minister Aelvoet van Volksgezondheid voor de zoveelste keer dat nog voor de jaarwisseling personeelsleden zouden worden aangeworven. Vandaag staan we andermaal voor een reeks wetswijzigingen: naast het ontwerp dat we nu bespreken wordt nog een aantal ontwerpen in de programmawet waarover we de komende week discussiëren, ingevoegd. Weer gaat het hierbij om een hernemen van zaken die al lang waren beslist maar nooit tot uitvoering zijn gekomen. Vergeten we ook niet dat we tussendoor nog een PMA-crisis hebben doorgemaakt!

Het wetsontwerp dat we vandaag bespreken, werd aanvankelijk via twee regeringsamendementen ingevoegd in de programmawet van juli 2002. Ze konden toen echter om technische redenen niet worden goedgekeurd en werden daarom ingetrokken. De meerderheidspartijen dienden onmiddellijk daarop in de Kamer een wetsvoorstel in waarin de twee amendementen waren opgenomen. Een programmawet en een half jaar later mag de Senaat vandaag dan het wetsontwerp behandelen.

Vooral artikel 2 zorgt voor enige verwondering. Reeds in de programmawet van december 2001 werden de artikelen 52 en 54 goedgekeurd om het probleem van de financiering van de BSE-tests op te lossen. Alle actoren van de sector, behalve de landbouwer, zouden daarvoor betalen, maar een jaar later is er nog altijd geen koninklijk besluit dat aan deze bepalingen van de programmawet van 2001 uitvoering geeft. Tijdens de commissievergadering ben ik daarop uitvoerig ingegaan en gezegd hoe het mij verwondert dat een bijna identieke bepaling wordt voorgelegd, hoewel we het voorbije jaar dringend die artikelen 52 en 54 moesten goedkeuren. Het gezegde "Bezin eer je begint" is hier zeker op zijn plaats. In het ontwerp komt de minister voor de tweede keer met een licht aangepaste tekst voor de dag. De tekst van de programmawet 2001, die in zeven haasten door het parlement werd gejaagd, is plots van geen enkel belang meer.

Ondanks het herschrijven van de bepalingen blijven er nog altijd onduidelijkheden bestaan in de huidige tekst. Onduidelijk is bijvoorbeeld wie de kosten van de BSE-test betaalt. Krijgt de consument de volledige rekening gepresenteerd? Kan hij in dat geval zien hoeveel hij voor de BSE-test betaalt? Is men van plan op vlees uit Duitsland waar al een bijdrage op werd geïnd, in België nog een bijkomende vleestaks te heffen? Is de kans niet reëel dat de consument ook belasting betaalt voor vlees dat niet op BSE is getest? Ik twijfel daar geen seconde aan.

Het feit dat de minister het koninklijk besluit dat uitvoering moet geven aan deze wet en dat al bestaat bij het departement van Financiën, niet ter inzage beschikbaar stelde aan de leden van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, bewijst dat hierover geen consensus bestaat, in tegenstelling tot wat mevrouw Van Riet daarover in haar verslag zegt.

Ook de Raad van State bracht een vernietigend advies uit over dit ontwerp. Hij argumenteert dat het twijfelachtig is of de heffing in de voorgestelde tekst wel een terechte kwalificatie heeft meegekregen. Hij zegt hierover dat om als retributie te kunnen worden bestempeld, een heffing een geldelijke vergoeding moet zijn voor een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd. Een heffing die niet de betaling vormt van een dienst die door de overheid wordt geleverd ten voordele van de afzonderlijk beschouwde heffingsplichtige is geen retributie, maar een belasting. De retributie moet een louter vergoedend karakter hebben. Als het een retributie is, dan moeten in de wet zelf de gevallen worden beschouwd waarin de retributie van toepassing is en wie de heffingsplichtigen zijn.

De vraag blijft of door de invoeging van het woord "gezondheidsbijdrage" tegemoet wordt gekomen aan de opmerkingen van de Raad van State. In de commissie had men duidelijk collectieve bedragen op het oog die over al het verkochte vlees gespreid zouden worden. Er was dus geen sprake van individuele bijdragen voor de diensten die door de Staat worden geleverd.

CD&V is daarom voorstander van de verdere financiering van de BSE-tests door de overheid. We zullen onze amendementen daartoe opnieuw indienen. De nieuwe regeling vereist nog meer administratieve rompslomp. Is de vermindering van de administratieve rompslomp dan geen prioriteit meer voor de regering? Onze fractie zal deze vleestaks in geen geval goedkeuren.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De heer D'Hooghe verwijst naar de perikelen bij de oprichting van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen. Ik geef toe dat op een bepaald ogenblik, wellicht onder druk van de publieke opinie, onrealistische streefdata naar voren werden geschoven. In de praktijk is gebleken dan deze niet haalbaar bleken te zijn.

Bovendien werd de oprichting doorkruist door het feit dat nieuwe criteria in acht moesten worden genomen. Ik verwijs in dat verband naar Copernicus voor de aanstelling van de topambtenaren. Ook moest rekening worden gehouden met een grondwetswijziging waardoor een aantal landbouwbevoegdheden werden overgeheveld van het federale naar het gewestelijke niveau. De operatie werd nog complexer doordat sommige diensten van Landbouw en van Sociale Zaken en Volksgezondheid in het Agentschap moesten worden opgenomen.

Dit betekent niet dat het Agentschap ondertussen niet heeft gewerkt. De heer D'Hooghe verwijst naar een aantal crisissen en incidenten. Het Voedselagentschap werd precies opgericht om op dergelijke crisissen een antwoord te bieden. Het lag niet aan de oorsprong van de problemen.

Wanneer bepaalde ambtenaren in opspraak komen, wat bijvoorbeeld het geval was in de zaak die zich in het Kortrijkse heeft voorgedaan, en als nadien blijkt dat er daarvoor onvoldoende grond is, kunnen we toch geen beschuldigende vinger blijven opsteken. We moeten daarin correct zijn.

In voorliggend geval moet de sector grotendeels voor de financiering zorgen. Dat is het uitdrukkelijke standpunt van deze regering en van de Europese Unie waar wij gepleit hebben voor een harmonisering van de maximale tegemoetkomingen van de overheid in de kosten van staalneming en testen. Europa heeft bepaald dat er daarvoor maximum 40 euro mag worden betaald en dat de Europese bijdrage daalt van 15 naar 10,50 euro. We moeten het saldo dus elders gaan zoeken en we zijn van oordeel dat dit uit de sector moet komen.

Wij denken niet aan alle consumenten, want niet iedereen eet vlees. We kunnen de bewuste vegetariërs bijvoorbeeld toch niet mee laten betalen voor testen op BSE.

De heer D'Hooghe verwijst naar de programmawet van vorig jaar. Ik was toen nog geen minister en ik ben van oordeel dat dit een betere tekst is die bovendien een veel groter draagvlak heeft, zowel in de politieke wereld als in de sector.

Er is niets geheim aan het uitvoeringsbesluit. Alleen wacht ik liever tot het volledig klaar is om het u voor te leggen. De verschillende betrokken kabinetten hebben het besluit besproken en het zal normaal op 20 december aan de ministerraad worden voorgelegd. U kunt mij niet vragen om een koninklijk besluit, dat pas volgende week aan alle ministers zal worden bezorgd en dat nog door de ministerraad moet worden goedgekeurd, nu al aan het parlement voor te leggen. Ik geef toe dat er al heel wat discussie aan voorafgegaan is. Het gaat uiteindelijk om bijdragen en de verdeling tussen verschillende sectoren. Het koninklijke besluit voorziet in een solidaire bijdrage over alle vleesproducenten en vleesproducten die de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen de verschillende productiekolommen - varkens, pluimvee en runderen - niet verstoort. We proberen de bijdrage van de consument zo gering mogelijk te houden. Op de vraag of de consument wel degelijk zal betalen, antwoord ik bevestigend. Alleen is het nog niet zeker welke consument zal betalen, alleen de vleesverbruikende of alle consumenten en in welke mate dat zal gebeuren. Als men de consument een bijdrage vraagt (het woord `bijdrage' is volgens mij een beter woord dan retributie of belasting) wordt die immers bijna uitsluitend gedragen door de zwakste economische schakel in de voedselketen. Ik heb u daar in de commissie een duidelijke en volgens mij overtuigende uitleg voor gegeven, maar misschien heb ik u toch niet kunnen overtuigen. In de productiekolom wordt er betaald door degenen die er hun boterham mee verdienen of die het vlees eten.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - De argumenten van de minister inzake de retributiebijdrage hebben mij niet overtuigd. Hij is er zich hopelijk van bewust dat hij op een slappe koord danst.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik blijf alleszins op het koord.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Dat hoop ik.

Ik ben overigens benieuwd of de financiële regeling met de sector nu kan worden uitgevoerd. Ik heb daarover de grootste twijfels, gelet op de bedenkingen die ik vanuit verschillende hoeken heb opgevangen.

U hebt opgemerkt dat de crisissen niet het gevolg zijn van de oprichting van het Voedselagentschap. Het zou spijtig zijn als dat wel het geval was! De crisissen hebben zich na twee jaar kunnen voordoen hoewel de oprichting van het Voedselagentschap reeds enkele maanden na de dioxinecrisis was aangekondigd.

Vorig jaar heb ik bij de bespreking van de programmawet voorgesteld een voorlopig kader op te richten omdat bij de regionalisering van landbouw problemen waren gerezen inzake de werving van het personeel. Minister Aelvoet wees toen mijn voorstel af en verklaarde dat de zaak tegen juli 2002 zou worden geregeld. Ik meen te hebben begrepen dat er in oktober 2002 eindelijk personeelsleden aan het Federaal Voedselagentschap zijn overgedragen.

Ik beschuldig u nergens van omdat u geen minister was toen er beslissingen werden genomen over dit onderwerp, maar ik vind het zinvol mijn opmerkingen naar voren te brengen.

-De algemene bespreking is gesloten.